Ik was onmiskenbaar een kind van de generatie die de heftige studentenopstanden had meegemaakt van eind jaren zestig, begin jaren zeventig. We hadden een luid 'nee' uitgeroepen tegen de logica van het hoog ontwikkelde kapitalisme dat het fragiele idealisme had opgeslokt dat na de oorlog eyen had bestaan. Zo had ik het in ieder geval opgevat. Het leek een heftige koortsuitbarsting op een keerpunt voor de maatschappij. Maar de wereld waarin ik nu verkeerde, was gebouwd op een nog hogere vorm van kapitalisme. Zonder dat ik er erg in had, was ik volledig in deze wereld opgenomen. Dit inzicht drong opeens tot me door toen ik een keer in mijn BMW zat te luisteren naar Schuberts 'Winterreise' terwijl ik voor een rood stoplicht op de hoofdstraat van Aoyama stond te wachten. Het kwam me opeens voor dat dit mijn eigen leven niet was. Het leek alsof ik het leven leidde dat door iemand anders was voorbereid. In hoeverre was ik eigenlijk mezelf en wat was niet van mezelf? In hoeverre was de hand die het stuur vasthield mijn hand? In hoeverre was mijn omgeving werkelijk? Hoe meer ik erover nadacht, hoe minder ik ervan begreep.
Toch kan ik zeggen dat ik in het algemeen een gelukkig leven leidde. Ik had niets te klagen.
...
Ik wilde nooit meer terug naar het eenzame leven van toen ik twintig was.









