Na Istanbul ging het individuele gedeelte van start. In de weg die wij gevolgd hadden, in het eerste kwartaal, om een antwoord te kunnen geven op onze onderzoeksvraag, werd ik telkens gefascineerd door een onderwerp, wat steeds weer ter sprake kwam; beeldvorming. Zo kwam er uit interviews naar voren dat er expres negatieve nieuwsberichten werden gepubliceerd om op die manier subsidie te krijgen. Tegelijkertijd zocht de overheid naar een manier om ondanks deze negatieve publiciteit nieuwe bewoners aan te trekken. We zagen hoe de overheid op zoek was naar een balans tussen deze twee met een zo hoog mogelijk rendement; subsidie en nieuwe bewoners. En dat allemaal om uiteindelijke een ‘leefbare’ wijk te hebben.
Dat gegeven vormde in eerste instantie de aanleiding voor mijn individuele traject. Ik wilde onderzoek gaan doen naar hoe de overheid zijn burgers positief kan beïnvloeden (nudge theory) door middel van de publieke ruimte om zo de leefbaarheid van een wijk te vergroten.
Ik stortte mij in allerlei theorie op zoek naar een antwoord. Zo heb ik gekeken naar wat leefbaarheid is, de aanpak van aandachtswijken, de leefbaarheid van Rotterdam Zuid, het uitvoeringsplan van het NPRZ, het rapport van de commissie Deetman / Mans, de voortgangsrapportage van het NPRZ, de nudge theorie, het boek prachtwijken. Het onderzoek ging werkelijk alle kanten op.
Door het onderzoek naar het begrip leefbaarheid kwam ik tot de conclusie dat het een veel te groot begrip is om mij op te richten. Zo werd er bij de ‘Leefbaarometer’ al rekeningen gehouden met 46 indicatoren, en dat waren alleen de objectieve. Daarom ben ik op zoek gegaan naar een duidelijkere richting. Ik ben gaan kijken naar de verschillende rapporten over Rotterdam Zuid: het rapport van de commissie Deetman/Mans, het uitvoeringsplan van het NPRZ en de bijbehorende voortgangsrapportage. Daarin sprongen er voor mij twee dingen uit: doorstroom en jongeren.
In het rapport van Deetman/Mans wordt gezegd dat de huidige problemen opgelost moeten worden vanuit het DNA van Zuid. Dit wordt echter tegengesproken door het uitvoeringsplan van het NPRZ, want daar is het doel om de doorstroom van Zuid te verminderen. De zogenoemde ‘sociale stijgers’ moeten in de wijk blijven om zo een aantrekkelijke leefklimaat te ontwikkelen. Van oudsher trekken deze echter de wijk uit; naar grotere huizen, meer ruimte en meer rust.
Deze doorstroom stoppen zou betekenen dat er in het DNA gemorreld wordt, dat juist de basis is voor de vooruitgang.
Jongeren geven overlast, jongeren hebben problemen en jongeren hebben geen goede startkwalificatie. Dat is vooral de lijn die we zien in de rapporten. Met het Nationaal Programma Rotterdam Zuid worden al deze problemen aangepakt. Jongeren zullen, als alles loopt als gepland, met juiste startkwalificatie beginnen met een succesvolle carrière.
Gelukkig worden de jongeren niet alleen maar negatief neergezet. Ook de onbenutte talenten van jongeren worden benoemd. Onder de noemer talentontwikkeling wordt hier aandacht aanbesteed binnen het Nationaal Programma. De nadruk ligt hier op het verbeteren van leerprestaties en ervoor zorgen dat er aansluiting is met de vraag van de markt. Waarmee de overheid een heel duidelijk gebied afbakent waarin jongeren hun talenten moeten ontwikkelen; zorg, haven en techniek. Het liefst op een zo hoog mogelijk niveau.
Dit beleid heeft 2 nadelen. Jongeren krijgen niet de kans om zich te ontwikkelen vanuit hun eigen passie, fascinatie. En 2: er is sprake van nivellering. er is weinig oog voor degene die al normaal of zelfs goed presteren krijgen. Voorlopig houdt men zich bezig met alleen met herstelwerkzaamheden, terwijl de eerst genoemde met de juiste stimulatie het nog verder zouden kunnen schoppen. En dan hebben we het niet alleen over het behalen van leerdoelen, maar ook over een brede ontwikkeling op het sociale en culture vlak.
Door jongeren de kans te geven vanuit hun talent te ontwikkelen i.p.v. het talent enkel in te laten zetten om de gewenste leerdoelen te behalen, zorgt er voor dat zij eigen en vernieuwde visies ontwikkelen. Als het we het dan toch over marktwerking hebben; hier is genoeg vraag naar!
Deze gegevens hebben mij een nieuw perspectief op Zuid geboden: Rotterdam Zuid is als een school. Je komt, je leert en na een paar jaar vertrek je weer (doorstroom als logisch gevolg). Deze school kent geen vastgestelde leerdoelen, maar staat voor talentontwikkeling, waar individuen (bewoners) in samenwerking met anderen (bewoners, werknemers, werkgevers, passanten, enz.) hun dromen nastreven.
Daarbij is Rotterdam Zuid de school, zijn de wijken de lokalen en de straten de gangen. In het onderwijs wordt op dit moment de functie van de gang heroverwogen. De gang zou niet langer slechts een doorgangsroute moeten zijn die klaslokalen van elkaar isoleert, het moet onderdeel zijn van de leeromgeving.
Ditzelfde geldt voor de straat. Deze moet de traditionele fysieke leeromgeving school en de andere leeromgevingen als thuis, sportvereniging en werk met elkaar verbinden. Het moet de verbindende factor van het leerproces worden; de sociale ruimte waar de uitwisseling plaats vindt. Informatie-uitwisseling; ontdekken, ervaren en doen zorgen er voor dat we leren. Dat vraagt wel om een langer verblijf op een plek, om zo de mogelijkheden te kunnen ontdekken en dit eigen te maken.
Mijn doel is dan ook om een object te maken, wat uitnodigt tot een langer verblijf. Een object dat aanzet tot uitwisseling en dus tot leren, maar niet definieert wat dit moet zijn.
Eindelijk had ik dus een richting om naar toe te werken. Ik ging op zoek naar een antwoord op de vraag: hoe kan de deelgemeente Charlois de pijler talentontwikkeling versterken door middel van vormgeving van de publieke ruimte? Dat betekende nog meer onderzoek en nog meer literatuur.
Ik ben allereerst gaan kijken naar wat voor soort leeromgevingen er zijn in de Tarwewijk en misschien nog wel belangrijker wat mijn rol als ontwerper is. Na uren van fietsen in de wijk, aantekeningen maken, mappen, foto’s maken en lezen, ben ik over beiden wat wijzer geworden. De leeromgevingen zijn netjes in kaart gebracht en hun netwerken zijn uitgezocht.
En dan punt twee; mijn rol als ontwerper. Mijn onderzoek richt zich kort gezegd op de vraag hoe ik de verschillende leeromgevingen in de publieke ruimte bij elkaar kan brengen. De publieke ruimte als leeromgeving waar een ieder zich vanuit zijn of haar talent ontwikkeld. Tijdens het in kaart brengen van de leeromgevingen, kwam ik op een gegeven moment terecht in de Zwartewaalstraat en daar vond ik een plein met een probleem: het plein vormde een hele duidelijke scheiding tussen de school en de wijk en dat is juist precies wat ik wil doorbreken. Een uitdaging was gevonden. Eentje waar ik mij graag als ruimtelijk ontwerper op stort.
Ik ben gesprekken aangegaan met de verschillende belanghebbenden: de deelgemeente Charlois, SBO Sonnevanck, bewoners en de Children’s zone “Hart voor Carnisse”. Dit is ook in mijn onderzoeksdocument terug te vinden. Enerzijds stemden deze gesprekken mij positief, want de meeste mensen zagen wel wat in mijn idee en het was ten slotte een probleemgebied. Anderzijds zorgden de gesprekken er voor dat ik even niet meer wist hoe ik verder moest. Er waren zo veel verschillende belangen: jongeren wilden meer ruimte, bewoners hadden last van zowel jongeren als honden, ‘het is altijd zo geweest, ik denk niet dat je daar wat aan kan veranderen’, ‘als het groen maar blijft’.
Ik verloor simpelweg de essentie van mijn onderzoek uit het oog en met dat rotgevoel ging ik de vakantie in. Gedurende de vakantie heb ik mij op nog meer theorie gestort op zoek naar rechtvaardiging van mijn project. Eerlijk is eerlijk: ik ben mijzelf er toen in verloren, ik geloof niet dat ik ooit zo diep ben gegaan met een onderwerp. Zoals mijn vader zei: ‘Het is maar goed dat jij geen ruimtevaarder bent geworden, want je zou gaan zoeken naar het einde van het zwarte gat’.
Na de vakantie besprak ik mijn onderzoek met Paul. Conclusie: goed onderzoek, maar wat is jouw rol als ontwerper? Een vraag waar ik nog geen antwoord op kon geven. Ik wist wel dat ik op zoek wilde naar een manier om de verschillende belanghebbenden bij elkaar te brengen, maar ik had geen idee hoe. En zo zat ik nog een week vast. Ik zag enkel problemen en geen oplossing.
Wel had ik in de tussen tijd een afspraak met landschapsontwerper Angelique Nossent. Zij werkt onder andere voor de gemeente Rotterdam. Ik ben ook via dit kanaal met haar in contact gekomen. Angelique is erg enthousiast over mijn idee van de publieke ruimte als leeromgeving en wil mij graag verder helpen met mijn project. Ik gaf bij haar ook mijn twijfel aan waarop zij zei: ‘het is complex wat je wil doen en misschien niet makkelijk te formuleren, maar je hebt een mooi onderwerp te pakken. Hou het vast, want als het lukt om dit goed op papier te zetten, zie je er zelf ook de kwaliteit van in.’
Dit in combinatie met de feedback van Paul heeft mij terug op de rails gezet. Plus dat een dagje werken in de werkplaats ook wonderen doet. Ik ben een maquette van de locatie gaan maken om weer eens met mijn handen bezig te zijn in plaats van enkel hersengymnastiek. Een bevrijding! Eindelijk kon ik weer in beelden denken en was ik van die ellendige blokkade af.
Ik heb nu al wel wat ideeën voor een interventie en een ontwerp daarvoor, maar helaas door tijdgebrek heb ik dit binnen de minor niet verder uit kunnen werken. Gelukkig mag ik met dit onderwerp af studeren en kan ik daarmee nog mooie stappen zetten.
Conclusie: Het was zwaar, vermoeiend, leuk, overweldigend, leerzaam, inspirerend en nog veel meer. Ik heb fantastische mensen leren kennen en mezelf nog wat beter. En ook al heb ik deze minor niet afgesloten zoals gepland, ik weet dat ik gewerkt heb aan een heel goed fundament voor mijn afstuderen.