Wegens opkomende tentamens en deadlines zal ik de komende paar weken even geen blogs kunnen posten, maar hopelijk ben ik over 1,5-2 maanden weer terug met nieuwe rechtsfilosofische blogs en strafrechtelijke stukken!

ellievsbear

★

blake kathryn
YOU ARE THE REASON
Today's Document
noise dept.

Kaledo Art
Game of Thrones Daily
Peter Solarz
Claire Keane
Keni

PR's Tumblrdome
$LAYYYTER
KIROKAZE
No title available

❣ Chile in a Photography ❣

@theartofmadeline
Stranger Things
we're not kids anymore.
"I'm Dorothy Gale from Kansas"
seen from Poland

seen from United States
seen from France
seen from United Kingdom

seen from United States

seen from Singapore

seen from Canada
seen from United States
seen from Pakistan

seen from United States
seen from India
seen from United States
seen from United States
seen from Türkiye

seen from Germany

seen from Brazil

seen from United States

seen from Malaysia

seen from Canada

seen from United Kingdom
@strafrecht-met-maureen
Wegens opkomende tentamens en deadlines zal ik de komende paar weken even geen blogs kunnen posten, maar hopelijk ben ik over 1,5-2 maanden weer terug met nieuwe rechtsfilosofische blogs en strafrechtelijke stukken!
Rousseau had een visie, Rawls heeft een plan
Rechtsfilosofie voor beginners: Afl. 01
Jean-Jacques Rousseau en John Rawls zijn twee goede voorbeelden van filosofen die wel het beste met de maatschappij voor hebben, maar het allebei net niet helemaal zijn. Bij beide van hun theorieën mist er net iets en bovendien zien veel mensen vaak over het hoofd dat zij elkaar perfect aanvullen. Zij kunnen in feite niet zonder elkaar bestaan en hieronder zal worden uitgelegd waarom.
Rousseau en idealisme Om volledig te kunnen begrijpen waarom Rousseau de maatschappij wil zien floreren, dienen we eerst te kijken naar zijn visie op het inrichten hiervan. Hiermee geeft hij vooral kritiek op Thomas Hobbes en John Locke. Waar Hobbes het sociale contract ziet als een overeenkomst tussen mensen om beschermd onder een soevereine vorst te leven die boven de wet staat, beschouwt Rousseau dit meer als een situatie waarin een klein aantal machtshebbers de mensheid onderverdeelt in kudden vee om te hoeden en uiteindelijk te verslinden.[1] Locke noemt hij daarnaast een grote bedrieger, wat betreft Locke zijn visie op eigendomsrecht. De mensheid zou namelijk een hoop oorlog en ellende bespaard geweest blijven als er binnen de geschiedenis niet zoveel nadruk gelegd zijn op persoonlijk eigendom en hoe dat vergaard moest worden. Tenminste, als de maatschappij zich herinnerd had dat de aarde en haar vruchten van iedereen die het bewoont zijn.[2] Uiteindelijk zijn het altijd de rijken en machtigen die de rest van de maatschappij proberen te overtuigen dat niemand veilig kan zijn in een natuurtoestand, waarin iedereen oorlog voert met en tegen elkaar. De civiele toestand, hoe ongelijk alle natuurlijke vruchten van de aarde daar ook in verdeeld worden zou volgens hen veel meer rechtszekerheid bieden binnen een samenleving.[3]
De realiteit is echter dat de civiele toestand de rijken nog meer macht gaven, omdat zij door de eeuwen heen altijd degenen waren die de wet bepaalden. Hierdoor werd eigendom en ongelijkheid vastgelegd in hun voordeel en de natuurlijke vrijheid van ieder mens voor goed vernietigd, volgens Rousseau. Deze toestand onderwierp voortaan de gehele maatschappij aan arbeid en dienstbaarheid aan wie er tijdens een bepaalde periode dan ook regeerde.[4] Rousseau zijn theorie wordt vaak onder het socialisme geschaard, omdat zijn kritiek op een theorie, die vooral materiële ongelijkheid en hebberigheid veroorzaakt, hiermee overeenkomt.[5] Het is echter logischer om hem een idealist te noemen, aangezien enkel zijn kritiek op Hobbes en Locke niet per se een manier beschrijft van hoe het wel geregeld zou moeten zijn binnen de maatschappij. Voor een concrete beschrijving zouden we naar de theorie van Rawls moeten kijken.
Rawls zijn principes van rechtvaardigheid John Rawls baseert zijn ideale maatschappij op drie principes van rechtvaardigheid. Als eerste beschrijft hij het “liberty principle”. Volgens dit principe heeft iedereen gelijke rechten en vrijheden waar het rechtssysteem binnen een samenleving overeen moet komen. Hij doelt hier vooral op het feit dat iedereen klassieke grondrechten heeft en dat discriminatie tegen gegaan dient te worden.[6]
Daarnaast bestaat er ook nog het “difference principle”. Volgens dit principe horen sociale en economische ongelijkheden door de overheid zo geregeld te zijn dat iedereen daar een redelijk voordeel bij heeft. Rawls is dan ook een voorstander van een vergaand sociaal vangnet dat iedereen in zijn eerste levensbehoeften (voedsel, een huis, etc.) voorziet.[7]
Als laatste spreekt Rawls van het “equal opportunity principle”, waarbij sociale en ecomische ongelijkheden zo geregeld zijn dat een ieder alsnog gelijke kansen heeft om de sociale ladder te beklimmen. Vooral ambtelijke posities moeten voor iedereen open kunnen staan onder deze voorwaarde.[8] Het is van uiterst belang dat ieders basisrechten gegarandeerd zijn en niemand een schending hiervan kan rechtvaardigen, noch compenseren doormiddel van de sociale en economische voorsprongen van een ander. Dit noemt Rawls “priority of liberty”.[9]
Een vaak genoemd argument tegen het implementeren van de principes van rechtvaardigheid binnen een samenleving is dat mensen daardoor niet meer aan zelfontplooiing zullen doen.[10] Dit is pure onzin. Het is juist ongelijkheid en het gebrek aan vervulling van eerste levensbehoeften, die ons daar in de eerste plaats van weerhoudt, niet de voorziening van deze behoeften die ons hier uiteindelijk te lui voor zou maken. De mens wil namelijk altijd meer.[11] In negatieve zin wordt dit geuit door wat Rousseau beschrijft als rijke machtshebbers, die telkens maar weer nieuwe wetten maken om zoveel mogelijk weg te graaien bij de normale mens. Het meest simpele voorbeeld daarvan is het hyperkapitalistische systeem waar we momenteel onder leven en waarin de term “graaiflatie” niet onbekend is bij de meeste mensen.[12] Aan de andere kant is het ook zo dat de mens in positieve zin steeds meer wil. Iedereen heeft passies, hobby’s en/of een diep verlangen naar kennis en dit kan enkel vervuld worden door zelfontplooiing. Als we echter naar Maslow’s pyramide van behoeften kijken, zien we al heel snel dat zelfontplooiing helemaal bovenaan de top staat. Dit betekent dat niemand daaraantoe komt als zijn of haar basisbehoeften en -rechten niet vervuld worden.[13]
De sluier van onwetendheid opzetten Dus hoe komen we dan uiteindelijk bij een maatschappij die de bovenstaande behoeften en rechten vervult? En hoe kunnen we de bovenstaande principes van rechtvaardigheid in de eerste plaats handhaven binnen een beschaafde maatschappij? Volgens Rawls is dat heel simpel uitgelegd aan de hand van het concept van de sluier van onwetendheid. Je dient een maatschappij namelijk vorm te geven vanuit het perspectief dat je nog niet weet welke positie je in die maatschappij hebt, noch welke karaktereigenschappen je bezit. Alleen op die manier zal alles rechtvaardig en eerlijk verlopen binnen de maatschappij, omdat niemand het risico zal nemen een ongelijke maatschappij te creëren als zij niet weten of ze onderaan de figuurlijke voedselketen terecht komen.[14]
Critici van Rawls zullen hierover speculeren dat het onmogelijk is om jezelf apart te zien van de identiteit die je nu al hebt.[15] En voor sommige onempathische en overgeprivileerde individuën binnen onze samenleving zou dat ook inderdaad het geval zijn, maar de gemiddelde mens weet dat het opzetten van deze sluier op een gegeven moment geen keuze meer is. De oogkleppen, die mensen namelijk vaak opzetten, om maar niet geconfronteerd hoeven te worden met alle armoede en ellende in de wereld (en daarmee de plicht die sluier van onwetendheid op te zetten), worden er negen van de tien keer net zo makkelijk af geslagen door minderheden, die o.a. burgerlijke ongehoorzaamheid uitvoeren. Denk hierbij aan wat protestbewegingen als de suffragettes of Martin Luther King en zijn volgers bereikt hebben.[16][17] Tenminste, zo hoort het te werken binnen een democratische samenleving. Onder normale omstandigheden is er namelijk geen plaats voor onrechtmatigheden en onrechtvaardigheden binnen een rechtssysteem. Wetten die onrechtmatig of onrechtvaardig zijn, kunnen dan ook niet worden afgedwongen. Minderheden binnen zo’n samenleving zijn in dat geval dan ook gerechtigd de status quo te verstoren, zodat er weer sprake is van een rechtvaardige en rechtmatige situatie. Dit doen zij doormiddel van burgerlijke ongehoorzaamheid.[18] Kenmerken hiervan zijn dat het een illegale, publieke handeling betreft, waarmee een beroep wordt gedaan op gedeelde principes van rechtvaardigheid. Deze handeling is gewetensvol, geweldloos en trouw aan de constitutie. Hoewel er in een niet-democratische samenleving waarbinnen mensenrechten geschonden worden niet altijd aan alle vereisten hoeft te worden voldaan.[19] Gustav Radbruch stelt hier zelfs over dat je in een onrechtvaardige dictatuur de wet zelfs wel zou moeten overtreden of geweld zou moeten gebruiken als je rechtvaardig wil handelen in bepaalde situaties.[20] Denk hierbij aan het bedrijf Leica dat voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog een zogenoemde “vrijheidstrein” liet rijden om joden te laten ontsnappen aan het nazi regime.[21]
Toch weer terug naar Rousseau Dit brengt ons weer terug naar Rousseau, want let’s face it, een plan kan niet worden uitgevoerd wanneer we zicht verliezen op de visie die ons hier intrinsiek toe motiveert. Deze visie legt Rousseau uit aan de hand van “volonté génerale” (de algemene wil) tegenover “volonté de tous” (de wil van allen). De mens streeft namelijk altijd het goede na, maar ziet het niet altijd. De wil van allen beoogt het privébelang en is slechts de som van de afzonderlijke willen. Mensen die de wil van allen volgen, streven hun eigen voordeel (het liefst dat wat ze op korte termijn kunnen verkrijgen) na, maar denken niet verder dan dat.[22] De algemene wil heeft slechts het gemeenschappelijk belang op het oog. Zij die de algemene wil volgen, maken vooral keuzes op basis van hoe deze op de lange termijn voordeel voor de gehele samenleving opleveren. Deze keuzes zullen in het begin dan niet optimaal voordelig zijn, maar het volgen van je eigen begeertes zal op lange termijn voor een nog slechtere uitkomst zorgen.[23]
Toch zijn we helaas nog lang niet aangekomen op dat punt van collectieve verlichting. Zelfs niet in onze moderne Nederlandse maatschappij, waar we ons alsnog laten verblinden door hebberigheid, haat en afgunst voor onze buren.[24][25] Pas wanneer de meerderheid van de mensen zich realiseert dat de algemene wil het startpunt is van een ideale maatschappij en we dit enkel kunnen bereiken door Rawls zijn pad van principles of justice te bewandelen, zijn we als mensheid klaar om een rechtvaardige maatschappij vorm te geven.
Literatuurlijst Volgens de Leidraad voor juridische auteurs
Rousseau, 2003, p. 106-109 J.J. Rousseau, Vertoog over de ongelijkheid, vert. Wilfried Uitterhoeve, Amsterdam: Boom 2003, deel 2 (begin), p. 106-109.
Rousseau, 2003, p. 97-99 J.J. Rousseau, Vertoog over de ongelijkheid, vert. Wilfried Uitterhoeve, Amsterdam: Boom 2003, deel 2 (begin), p. 97-99.
Rousseau, 2003, p. 109-114 J.J. Rousseau, Vertoog over de ongelijkheid, vert. Wilfried Uitterhoeve, Amsterdam: Boom 2003, deel 2 (begin), p. 109-114.
Idem Idem.
Donaldson, 2014. N.A. Donaldson, Rousseau’s contributions to socialism, University of Nothern British Columbia 2014.
Van der Burg & Pierik, NJB 2003, p. 914-919 W. Van der Burg & R.H.M. Pierik, ‘John Rawls: De filosoof van de liberaal-democratische verzorgingsstaat’, NJB 2003, afl. 18, p. 914-919.
Idem Idem.
Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2008 (Red.), “John Rawls”, plato.stanford.edu 25 maart 2008.
Idem Idem.
Van der Burg & Pierik, NJB 2003, p. 914-919 W. Van der Burg & R.H.M. Pierik, ‘John Rawls: De filosoof van de liberaal-democratische verzorgingsstaat’, NJB 2003, afl. 18, p. 914-919.
Maslow, 2013 A.H. Maslow, A theory of human motivation, New York: Start Publishing LLC 2013.
BNNVARA, 2023 (Red.), “Wat is graaiflatie?”, bnnvara.nl 13 mei 2023.
Maslow, 2013 A.H. Maslow, A theory of human motivation, New York: Start Publishing LLC 2013.
Van der Burg & Pierik, NJB 2003, p. 914-919 W. Van der Burg & R.H.M. Pierik, ‘John Rawls: De filosoof van de liberaal-democratische verzorgingsstaat’, NJB 2003, afl. 18, p. 914-919.
Idem Idem.
UK Parliament, 2025 (Red.), “Start of the suffragette movement”, parliament.uk 2025.
King & Carson, 1998 C. Carson (Red.) & M.L. King, The autobiography of Martin Luther King Jr., ABAC 1998.
Rawls, 1999, p. 176-183 John Rawls, ‘The Justification of Civil Disobedience’, in: S. Freeman (red.), John Rawls: Collected Papers, Cambridge MA: Harvard University Press 1999, p. 176-183.
Rawls, 1999, p. 183-186 John Rawls, ‘The Justification of Civil Disobedience’, in: S. Freeman (red.), John Rawls: Collected Papers, Cambridge MA: Harvard University Press 1999, p. 183-186.
Douglas, Merrill Umphrey, & Sarat, 2005, p. 113 L. Douglas, M. Merrill Umphrey, & A. Sarat, The limits of law, Redwood City: Stanford University Press 2005, p. 113.
Thorne, 2023 S.J. Thorne, “The Leica freedom train”, legionmagazine.com 13 september 2023.
Rousseau, 1995 §2.3 J.J. Rousseau, Het maatschappelijk verdrag, vert. Van Roermund, Amsterdam: Boom 1995, §2.3.
Idem Idem.
Frederik, De Correspondent, 9 februari 2024 J. Frederik, ‘Waarom de PVV zo groot werd (en nee, niet door geschrapte buslijnen, guur neoliberalisme of groeiende ongelijkheid)’, De Correspondent, 9 februari 2024.
NOS, 2024 (Red.), “Tr*mp wint verkiezingen VS overtuigend en krijgt tweede termijn in Witte Huis”, nos.nl 6 november 2024.
De hypocrisie van Tongzoen jurisprudentie in het tijdperk van de Nieuwe Zedenwet
(Oorspronkelijk gepost op 02-08-2024) DISCLAIMER: Deze blog is voor educatieve doeleinden gepubliceerd.
Strafrechtelijke cijfers en statistieken hebben in onze huidige samenleving verschillende soorten context. In politieke context worden deze statistieken vaak gebruikt om kiezers ergens van te overtuigen en gaat het niet zo zeer om de realiteit, maar om de ideologische interpretatie die een politicus hieraan geeft. In de juridische context worden cijfers op een iets andere manier weergegeven. De Tongzoen jurisprudentie uit 1998 en 2013 zijn hier een goed voorbeeld van. In het laatste arrest uit deze reeks van drie is namelijk geoordeeld dat een tongzoen tegen de wil van het slachtoffer eerst als verkrachting gezien werd, omdat de daad voldoet aan de wettelijke vereisten hiervan, namelijk het seksueel binnendringen van een lichaam. Na het oordeel uit Tongzoen III, was dit niet meer zo, wat de statistieken van verkrachtingszaken omlaag bracht. Hierdoor is een “dark number” ontstaan, omdat het aantal verkrachtingszaken wel vermindert, maar het aantal verkrachtingen in principe niet.[1] Al kan men daarover debatteren, want in juridische context valt een tongzoen zonder toestemming van het slachtoffer volgens de bovenstaande jurisprudentie nog altijd onder aanranding. De Nieuwe Zedenwet (2024) valt volgens die logica ook in de juridische context te plaatsen. Voor deze wet in werking trad, was het namelijk zo dat verkrachting enkel onder dreiging of met grof geweld kon plaatsvinden. Sinds de Nieuwe Zedenwet geldt, pleegt een dader ook verkrachting wanneer het slachtoffer niet wil, maar niet expliciet “Nee,” kan of durft te zeggen. Deze manier van verkrachting is onder te verdelen in de categorieën schuldverkrachting en voorwaardelijke opzetsverkrachting.[2] Schuldverkrachting is een leuk concept, maar komt net als verontschuldigbare feitelijke dwaling uit het Melk en Water arrest (1916) nagenoeg niet voor in de strafrechtelijke praktijk.[3] Voorwaardelijke opzetsverkrachting aan de andere kant wel, omdat de vereisten van een slachtoffer die geen nee kan of durft te zeggen tegen seks en een dader die ondanks overduidelijk gebrek aan enthousiaste instemming van zijn partner alsnog doorgaat gemakkelijk te toetsen is aan de leer van voorwaardelijke opzet.[4] Door het simpele feit dat voorwaardelijke opzet nu ook deel uitmaakt van de beoordelingscriteria voor verkrachting, zal het aantal verkrachtingszaken ook weer stijgen, terwijl die cijfers buiten het strafproces om altijd al veel hoger waren dan rechtbank- en politie statistieken laten zien.[5] De veroordeling van Ali B. in eerste aanleg heeft ons een goed voorbeeld gegeven van hoe de Nieuwe Zedenwet in de strafrechtelijke praktijk ten uitvoer wordt gebracht.[6] En hoewel de strafmaat in zedenzaken volgens een ethisch perspectief nog wel wat hoger kan, dient de juridische context van cijfers menig jurist ook over het hoofdonderwerp van dit artikel na te laten denken. Want hoort de Tongzoen jurisprudentie nog wel als precedent te gelden in het tijdperk van de Nieuwe Zedenwet?
Juridisch kader Tongzoen jurisprudentie In alle Tongzoen arresten luidde de rechtsvraag nagenoeg hetzelfde, namelijk “Is een gedwongen tongzoen een vorm van verkrachting?” Dit is weliswaar een vereenvoudigde formulering, omdat in alle drie de arresten niet dezelfde wetsartikelen werden gebruikt om in de delictsomschrijving te beargumenteren dat dit wel zo zou zijn. In Tongzoen I (1998) werd namelijk gesteld dat een tongzoen volgens artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht aan te merken was als “het seksueel binnendringen” van een lichaam. De Hoge raad (hierna HR) was het hiermee eens en stelde dat ook minder ernstige vormen van seksueel binnendringen voor een ingrijpende aantasting van lichamelijke autonomie en integriteit kunnen zorgen. Kortom, een gedwongen tongzoen is in deze verkrachting.[7]
In het arrest Tongzoen II (2013) kwam de HR terug op deze beslissing, omdat een tongzoen niet overeenkomt met seksuele handelingen die in het maatschappelijk verkeer als geslachtsgemeenschap worden gezien. Deze stelling is enigszins begrijpelijk, aangezien men in de volksmond ook wel spreekt van “first base”, “second base” en “third base”. Onder first en second base vallen handelingen als zoenen en betasting. Wanneer dit zonder toestemming gebeurt, kan het in de zin van Tongzoen II inderdaad alleen gezien worden als aanranding, terwijl de over het algemeen erkende seksuele handelingen onder third base vallen. Deze handelingen worden vaak gezien als verkrachting, overeenstemmend met het nachtmerriebeeld dat we allemaal kennen.[8]
Tongzoen III (2013) wijkt af van de voorgaande arresten, omdat er in deze zaak door het Openbaar Ministerie (hierna OM) werd gesteld dat een tongzoen verkrachting zou zijn in de zin van art. 243 t/m 245 Sr. Deze artikelen spreken specifiek over de verkrachting van een minderjarige, omdat het slachtoffer hier minderjarig was. De uitkomst van dit arrest was dat een gedwongen tongzoen ook in de zin van deze wetsartikelen niet kan worden aangemerkt als verkrachting. Wel kan deze handeling in de zin van art. 247 Sr of art. 249 Sr aangemerkt worden als ontuchtige handeling.[9]
Is een tongzoen wel echt aanranding? Het debat rondom of een tongzoen wel te classificeren valt als aanranding had volgens de HR in 2013 over moeten zijn, maar we zijn inmiddels 11 jaar verder en na de Nieuwe Zedenwet is het van belang om toch nog eens te kijken naar de definitie van een verkrachting op zich. Hieronder valt ook de discussie of een tongzoen tegen de wil van het slachtoffer een vorm van verkrachting is in onze huidige maatschappij. Dit artikel pleit er heel duidelijk voor dat dat wel zo is, om de volgende redenen:
Als eerste is de motivering van de rechter uit Tongzoen I (1998) veel sterker dan die van de rechter uit Tongzoen II (2013). De rechter uit 1998 legt vooral de nadruk op het feit dat een tongzoen eerder verenigbaar is met de wettelijke vereisten van verkrachting, dan met die van aanranding.[10] Een “ontuchtige handeling” uit artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht is namelijk een veel vager begrip dan “het seksueel binnendringen van een lichaam” uit artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Dat laatste is precies wat er gebeurt bij sprake van een tongzoen. Men kan hiertegen inbrengen dat een tongzoen geen seksuele handeling is, maar het feit blijft dat deze handeling mogelijk deel kan uitmaken van voorspel. Dit betekent dat een tongzoen een secundaire seksuele handeling omvat, net zoals de borsten van een vrouw of de biceps van een man secundaire seksuele eigenschappen van mensen zijn. Hoewel het voor de rechtspraak bevorderlijk is dat de rechters een steeds realistischer perspectief op zaken gaat krijgen, dienen zij nog altijd zaken te behandelen met de wet als basis voor hun oordeel.
Daarnaast kan het wel zo zijn dat een tongzoen tegen de wil van het slachtoffer in de volksmond onder aanranding valt, omdat burgers dat zo interpreteren, maar de volksmond hoort geen juridische definities te bepalen. Tenminste, niet zo letterlijk als het arrest Tongzoen II impliceert.[11] Juristen hebben niet voor niets een Bachelor, een Master en ruim 5-7 jaar werkervaring in de juridische praktijk nodig om rechter te kunnen worden, dus is het logisch dat de wettelijke definitie in deze afweging zwaarder weegt de maatschappelijke.
Sinds de Nieuwe Zedenwet in werking getreden is, heeft Rijksoverheid op o.a. Instagram advertenties geplaatst om de Nederlandse bevolking erop attent te maken dat de criteria voor verkrachting inmiddels verruimd zijn. De slogan van deze advertenties luidt: “We vonden het al niet kunnen, nu is het ook strafbaar.”[12] Als we dan toch het gebrek aan vrouwenrechten gaan bestrijden met, zoals de Rijksoverheid impliceert, pseudo-fatsoenswetgeving moeten we de overheid hier ook letterlijk in nemen. Dit kan bijvoorbeeld door het zwaarder categoriseren van handelingen als een tongzoen binnen het strafproces.
Ten slotte kan men ook een rechtsfilosofisch aspect aan deze discussie te verbinden door te kijken naar wat Dworkin in zijn natuurrecht stelt over de achterliggende gedachte van wetten. Wetten zijn volgens hem namelijk altijd met een bepaalde reden ingesteld. Een bepaalde ethische gedachte over waarom de wet gehandhaafd moet worden.[13] Veel artikelen uit het Wetboek van Strafrecht zijn dan ook ingesteld met de gedachte dat je een ander niet onnodig mag laten lijden door deze te mishandelen, vermoorden of te verkrachten. Anders gezegd, het slachtoffer van een delict als verkrachting en aanranding houdt een bepaald trauma over aan een delict. Dit willen we als maatschappij zoveel mogelijk minimaliseren door daders redenen te geven om deze delicten niet te begaan, dus zijn ze redelijkerwijs ook strafbaar gesteld. Het is niet zo dat het trauma van een tongzoen net zo erg is als het trauma verkrachting (wat gemiddeld 4,5 uur duurt).[14] Een tongzoen tegen de wil van het slachtoffer valt echter ook niet gelijk te stellen aan bijvoorbeeld het vastgrijpen van iemands geslachtsdelen. In die zin komen we weer terug bij de wettelijke criteria van verkrachting en het standpunt van de rechter uit Tongzoen I dat ook een simpele tongzoen een ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit teweeg brengt.[15] Bij het vaststellen van of een tongzoen onder aanranding of verkrachting valt, dient dus ook te worden meegewogen of slachtoffers over het algemeen (en dus niet per concreet geval) een zodanig ernstig trauma ervaren van die tongzoen. Zoals hierboven is uitgelegd, is dat het geval en is er technisch gezien sprake van verkrachting bij een tongzoen tegen de wil van het slachtoffer.
Toepassing van de Nieuwe Zedenwet op aanranding Aanranding valt volgens de wetgever ook onder de Nieuwe Zedenwet, wat op zichzelf logisch is.[16] Als je aan voorwaardelijke opzet voldoet wanneer je je geslachtsdeel tegen iemands wil in zijn of haar mond steekt, voldoe je hier ook aan wanneer je diezelfde partner onder diezelfde omstandigheden zou zoenen.
De toepassing van de criteria voor voorwaardelijke opzet is dan ook hetzelfde bij een tongzoen dan bij o.a. orale seks tegen de wil van het slachtoffer. Het risico component wordt aan voldaan als er sprake is van een aanmerkelijke “geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen” kans dat het gevolg (in dit geval verkrachting/aanranding) intreedt.[17] Het kenniscomponent wordt aan voldaan wanneer de gemiddelde mens weet dat je iemand aanrandt/verkracht als deze niet enthousiast instemt met de seksuele/ontuchtige handeling en de dader alsnog doorgaat. Een angstige, aarzelende, ongeïnteresseerde en zelfs klagende houding zijn allemaal voorbeelden van een gebrek aan enthousiaste instemming. Hieronder valt ook zover onder de invloed van middelen zijn dat je niet meer expliciet ja kunt zeggen tegen het aanbod. En het wilscomponent wordt aan voldaan wanneer de dader aanvaardt dat deze een seksuele of ontuchtige handeling uitvoert bij iemand die dit niet wil. Er mag hier geen sprake zijn van contra-indicaties dat de dader niet doorgezet zou hebben.[18][19][20] Denk hierbij aan dat deze stopt om de vragen of de partner wel echt instemt met de tongzoen en de partner deze vervolgens zelf hartstochtelijk begint te zoenen als antwoord.
De omvang van het probleem Wanneer aanranding onder de Nieuwe Zedenwet aan de hand van dezelfde criteria wordt beoordeeld wat betreft toestemming voor uitvoering van de ontuchtige handeling als verkrachting, zou je in principe kunnen stellen dat de Nieuwe Zedenwet alles goed geregeld heeft. Niets is helaas minder waar. De omvang van het probleem is namelijk veel te groot om de wetgeving zo te laten als deze in het huidige geval is.
Om te beginnen is het aantal zedenzaken dat überhaupt voor de rechter komt slechts 40% van de zedenzaken waarvan aangifte wordt gedaan.[21] Volgens het WODC zijn de zaken waarvan aangifte wordt gedaan een nog lager percentage van alle zedenzaken die plaatsvinden, ongeveer 10%.[22] Dit heeft verschillende redenen, voornamelijk het feit dat opsporingsambtenaren aanrandings- en verkrachtingszaken nog steeds niet serieus nemen, waardoor deze op de plank komen te liggen.[23] Bovendien is er in de maatschappij ook van alles gaande, wat de statistieken beïnvloedt. Ruim 94% van de daders van zedendelicten in het algemeen en 98% van daders bij zedendelicten bij minderjarigen is bijvoorbeeld mannelijk.[24] Men ziet dan ook dat mannen zich de laatste jaren steeds meer met rechts-conservatieve ideologieën gaan identificeren, terwijl vrouwen over het algemeen steeds progressiever worden. Rechtse ideologieën mogen dan wel erg happig zijn op het hard aanpakken van criminaliteit, maar zij staan er tegelijk ook weer om bekend dat deze houding snel verandert wanneer het om het bevorderen van vrouwenrechten gaat.[25] Dit is een grote factor geweest in de stijging in populatiteit en internationalisering van de Zuid-Koreaanse 4B movement: 4B is een vrouwenrechtenbeweging met het doel om niet meer met mannen om te gaan dan echt nodig is, waarbij de 4B’s (ook wel 4 nee’s) staan voor het weigeren om heteroseksuele huwelijken aan te gaan, het niet daten van mannen, het weigeren om kinderen te baren en geen seksuele relaties aangaan met mannen. De algemene boodschap hoort te zijn dat als mannen niet willen luisteren naar de klachten die vrouwen in relaties bij hen neerleggen, deze mannen ook geen toegang tot een vrouw verdienen.[26]
In plaats van dat mannen ook echt luisteren naar de bovenstaande klachten, voelt een grote hoeveelheid zich beledigd dat ze door de 4B movement nu de consequenties van hun eigen gedrag moeten ondervinden.[27] Dit heeft geresulteerd in een aantal toondove situaties op social media, waarin mannen zelf verklaren celibaat te gaan en vrouwen hier vervolgens massaal op reageerden met het statement dat zij dat juist wilden.[28] Echter, er zijn ook mannen die vrouwen hebben bedreigd met o.a. verkrachting als zij enkel het idee van dit soort mannen ontwijken en volledig, vrijwillig celibaat gaan op social media bespreekbaar wilden maken.[29] Deze houding kwam vooral naar voren in het “Man vs. bear”-debat, dat in mei 2024 viraal is gegaan. In dit debat stond de vraag centraal of je liever alleen in het bos een willekeurige man of een beer tegen zou komen. De overweldigende voorkeur van vrouwen ging uit naar de beer, omdat een beer in het beste geval nog enigszins vriendelijk zou zijn, in de meeste gevallen je simpelweg met rust zou laten en in het ergste geval snel doodmaakt om je op te eten. Volgens de vrouwelijke deelnemers aan dit debat is de kans dat een man je veel ergere dingen aan zou doen veel groter. Vooral wanneer hij weet dat er geen getuigen zijn. Dit werd door vrouwen in hun eigen argumentatie ook ondersteunden met zowel kwalitatieve als kwantitatieve data en eigen anekdotes.[30] Vaders die met dezelfde vraag geconfronteerd werden, waarin hun kinderen de man of de beer tegen zouden komen, deelden dit sentiment.[31] Eén vrouw die zelf eerder was aangevallen door een beer, deelde op Reddit dat zij een jachtgeweer meenam tijdens haar reguliere boswandelingen.[32] Niet om wilde dieren op afstand te houden, maar eerder tegen dronken kampeerders. Single mannen waren vooral erg vijandig en probeerden te beargumenteren dat zij alles liever zouden ondergaan dan het relatief minuscule risico te nemen dat zij zouden worden opgegeten door een beer. Ook is er door één man een letterlijke AI horror beer gemaakt, om zijn frustratie te uiten. Deze beer zou specifiek vrouwen die de beer boven een willekeurige man verkiezen als doelwit hebben.[33] Toen een meisje van 14 mannen durfde te verdedigen, werd zij vooral door volwassen mannen gebombardeerd met bedreigingen tot verkrachting. Dit bevestigde voor veel vrouwen dat het tegenkomen van een beer in het bos veel veiliger was dan.[34]Het fenomeen van verkrachting is dus een socio-cultureel probleem dat de Nieuwe Zedenwet dan niet zelfstandig kan oplossen door enkel de definitie van seksuele toestemming aan te vullen en seksuele intimidatie strafbaar te stellen.[35]
Hoe nu verder? Het is duidelijk dat het gehele strafrechtelijke systeem hervormd dient te worden om daders van dezendelicten echt af te schrikken. Een goed begin zou zijn om bijvoorbeeld Tongzoen II & III niet meer als precedent te laten gelden en een tongzoen tegen de wil van het slachtoffer weer als verkrachting te kwalificeren. Niet alleen is dit meer in overeenstemming met de geschreven wet, maar ook met de achterliggende gedachte hiervan. Bovendien staat er een hogere maximumstraf op verkrachting dan op aanranding. Het kwalificeren van een non-consensuele tongzoen als een minder ernstige vorm van verkrachting zal rechters aanleiding moeten geven om daders hiervan een hogere straf te geven dan de gemiddelde aanrander. Een volgende stap kan zijn om de Nieuwe Zedenwet toe te passen op zowel aanranding en verkrachting als op de gradaties van opzet. Aanranding en verkrachting onder voorwaardelijke opzet zouden in die situatie met een minder hoge straf worden bestraft, terwijl de huidige gemiddelde strafmaat van zedendelicten gepleegd met vol opzet verhoogd wordt. De strafmaatladder zal er dan ongeveer zo uit komen te zien met straffen van relatief laag naar relatief hoog:
Aanranding onder voorwaardelijke opzet > Aanranding met vol opzet > Tongzoen als vorm van verkrachting onder voorwaardelijke opzet > Tongzoen als verkrachting met vol opzet > Andere vormen van verkrachting onder voorwaardelijke opzet > Andere vormen van verkrachting met geweld, onder dwang en/of onder dreiging (dus met vol opzet)
We bevinden ons in een tijdperk waarin letterlijk en figuurlijk bijna alle daders van zedendelicten mannen zijn en het gedrag van mannen in zijn algemeenheid is geen indicatie van verbetering op korte termijn. Sterker nog, vrouwen wereldwijd gaan de laatste jaren massaal en vrijwillig celibaat. Dit omdat mannen steeds agressiever worden en zich steeds meer gerechtigd voelen tot het verkrachten van vrouwen, wanneer vrouwen zedendelicten als maatschappelijk probleem aankaarten. Het wordt tijd dat we de groep slachtoffers van dit soort delicten serieus gaan nemen en onze wetgeving daar zoveel mogelijk naar gaan vormen.
Literatuurlijst
Drenkhahn, Jobard & Morisse, 2023, p. 45-61 K. Drenkhahn, F. Jobard & S. Morisse, Chapter 3: Criminal Justice in Numbers. Impending Challenges to Penal Moderation in France and Germany, Oxfordshire: Routledge 2023, p. 45-61.
Rijksoverheid, 2024 (Red.) Rijsoverheid, ‘Nieuwe wet aanpak seksuele misdrijven gaat in per 1 juli 2024’, rijksoverheid.nl 24 maart 2024.
HR 14 februari 1916, ECLI:NL:HR:1916:BG9431 (Melk en water) HR 14 februari 1916, ECLI:NL:HR:1916:BG9431 (Melk en water).
Kelk/De Jong, 2019, p. 239, 255 & 302 C. Kelk/F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 239, 255 & 302.
Boon, 2022 J. Boon, ‘Rechter veroordeelt meeste zedenmisdrijven, maar bijna niemand doet aangifte’, nu.nl 20 maart 2022.
NOS, 2024 (Red.) NOS, ‘Ali B krijgt twee jaar cel voor verkrachting en poging tot verkrachting’, nos.nl 12 juli 2024.
HR, 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1026 (Tongzoen I) HR, 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1026 (Tongzoen I).
HR, 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653 (Tongzoen II), r.o. 2.5-2.7 HR, 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653 (Tongzoen II).
HR, 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1431 (Tongzoen III), r.o. 2.6-2.7 HR, 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1431 (Tongzoen III).
HR, 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1026 (Tongzoen I) HR, 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1026 (Tongzoen I).
HR, 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653 (Tongzoen II), r.o. 2.5-2.7 HR, 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653 (Tongzoen II).
Cocnld, 2024 (Red.) Cocnld, ‘We vonden het al niet oké, vanaf nu is het ook strafbaar’ instagram.com 7 juli 2024.
Dworkin, 1978, p. 14-45 R. Dworkin, Taking rights seriously, 2e druk, Londen: Duckworth 1978, p. 14-45.
Charraga, 2019 C. Charraga, ‘Carla Sexual Assault’, sdvcc.org 2019.
HR, 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1026 (Tongzoen I) HR, 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1026 (Tongzoen I).
Rijksoverheid, 2024 (Red.) Rijsoverheid, ‘Nieuwe wet aanpak seksuele misdrijven gaat in per 1 juli 2024’, rijksoverheid.nl 24 maart 2024.
HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718 (Aanmerkelijke kans), r.o. 5.3.1-5.3.2 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718 (Aanmerkelijke kans).
Kelk/de Jong 2019, p. 239, 255 & 302 C. Kelk/F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 239, 255 & 302.
HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139 (Porshe), r.o. 3 & 5.3 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139 (Porshe).
HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder), r.o. 3.2.2 & 3.3 HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder).
NPO Radio 1, 2023 (Red.) NPO Radio 1, ‘Ik zou het andere slachtoffers van seksueel misbruik niet aanraden om aangifte te doen’, 21 september 2023.
Boon, 2022 J. Boon, ‘Rechter veroordeelt meeste zedenmisdrijven, maar bijna niemand doet aangifte’, nu.nl 20 maart 2022.
NOS, 2020 (Red.) NOS, ‘Verkrachting vaak niet vervolgd: 'Politie liet mij twijfelen over aangifte'’, nos.nl 11 februari 2020.
Rijksoverheid, 2020, p. 164 (Red.) Rijksoverheid, “Dadermonitor: seksueel geweld tegen kinderen 2015-2019”, Rijksoverheid 2020, p. 164.
Oostveen, De Volkskrant, 26 maart 2024 M. Oostveen, ‘Jonge mannen zouden wereldwijd opeens conservatiever worden dan jonge vrouwen: de groeiende ‘gendergap’. Wat is er aan de hand in Gen Z en hoe zit het in Nederland? Vier conclusies, aan de hand van wetenschappers die het dichtst op de data zitten.’ De Volkskrant, 26 maart 2024.
Internationale vrouwendag, 2024 (Red.) Internationale vrouwendag, ‘4b Movement’, internationale-vrouwendag.nl 28 mei 2024.
Idem Idem.
@Miikaa_96, 2024 @Miikaa_96, ‘You can’t make this stuff up’, tiktok.com 30 april 2024.
Emezue, 2023 C. Emezue, ‘The Danger of Incels—and How We Shift the Thinking of Men Attracted to These Groups’, msmagazine.com 9 april 2023.
Willingham, 2024 A.J. Willingham, ‘Man or bear? A viral question has spawned scary responses’, edition.cnn.com 6 mei 2024.
Idem Idem.
Wagstaff, 2024 E. Wagstaff, ‘I survived bear attack - I'd still rather be stuck alone with a bear than a man’, themirror.com 1 mei 2024.
Willingham, 2024 A.J. Willingham, ‘Man or bear? A viral question has spawned scary responses’, edition.cnn.com 6 mei 2024.
@bob740218, 2024 @bob740218, ‘Peepz on top but wth bro…’, tiktok.com 11 mei 2024.
Rijksoverheid, 2024 (Red.) Rijsoverheid, ‘Nieuwe wet aanpak seksuele misdrijven gaat in per 1 juli 2024’, rijksoverheid.nl 24 maart 2024.
Wanda’s tweewegenleer Interview met mw. mr. Wanda Everts
(Oorspronkelijk gepost op 12-08-2024)
Je hebt als eerste-generatie student vast wel eens de opmerking “Maar je moet je wel aan de wet blijven houden!” moeten incasseren van docenten, alumni of zelfs klasgenoten waarvan pappie of mammie advocaat is. Vaak kwam deze opmerking als reactie op het feit dat je ook maar iets van intrinsieke motivatie toonde om een carrière in de rechtswetenschappen na te jagen. Ik ken het demotiverende en enigszins verwarde gevoel dat zo’n opmerking teweeg brengt als de beste, maar kan inmiddels (en gelukkig) met volle zekerheid zeggen dat je die opmerking met een grote korrel zout mag nemen.
De rol van de rechter is daarnaast ook erg veranderd de laatste 20 jaar. Niet alleen op rechtsfilosofisch gebied maar ook in de praktijk zijn er veranderingen geweest, waar je het beste met een vers perspectief in kunt duiken. Laat je daarom niet bang maken door overwegend legistische kritiek van mensen die pas net de benodigde levenservaring opdoen om een goede jurist te zijn en zorg vooral dat je ‘Wanda’s tweewegenleer’ volgt. Hoe je dit (hieronder beschreven) hulpmiddel ook interpreteert, de volgende informatie is namelijk wel de allesomvattende basis voor een jurist.
Niet het één zonder het ander Bij de rol van de rechter denkt men al gauw aan hoe deze zaken beoordeelt. Hierbij heeft hij of zij volgens de meeste rechtsfilosofische vakken op de universiteit keuze uit drie verschillende perspectieven, namelijk het natuurrecht, het positivisme en het rechtsrealisme. Omdat het natuurrecht meer gaat om de initiële rechtvaardigheid en achterliggende gedachte van wetten dan om de inhoudelijke beoordeling van bijv. een strafzaak, zal dit perspectief voor een groter deel inhoudelijk achterwegen worden gelaten. Een discussie over de rol van de rechter wordt namelijk pas echt interessant wanneer je positivisme en realisme tegenover elkaar zet en met elkaar gaat vergelijken.
Mw. mr. Everts beschreef tijdens het interview hoe zij in Groningen heeft gestudeerd, waar men vooral veel nadruk legde op het positivistische perspectief. Er werd dus vooral de nadruk gelegd op kennis van het positieve, actueel geldende recht. Dit staat lijnrecht tegenover het natuurrecht, waarbij vooral kritisch gekeken wordt naar het geldende recht en de voorkeur van rechtsfilosofen uitgaat naar hoe het zou moeten zijn. Het rechtsrealisme presenteert wat dat betreft een ietwat cynische “gulden middenweg” en gaat vooral uit van hoe de van nature subjectief geaarde, menselijke jurist de wet interpreteert en gebruikt om tot de meest wenselijke uitkomst te komen.[1] Mw. mr. Everts gebruikt vanuit haar opleiding het liefst de wet als basis, omdat willekeur te allen tijde voorkomen moet worden. Echter, ze erkent in tegenstelling tot de juist meer legistische eerstejaars rechtenstudenten, die vaak iets te ver gaan in hun positivisme, dat het geldende recht niet het enige middel is waar een rechterlijk oordeel op gebaseerd hoort te zijn. De persoon van de rechter speelt hier ook een rol in de vorm van een intuïtief rechtvaardigheidsgevoel en invulling van vage normen. Als dit niet het geval was, bestonden concepten als de IJzerdraadcriteria en zelfs straftoemeting niet.[2] Mw. mr. Everts noemt de combinatie van het gebruiken de wet en precedenten binnen de jurisprudentie als basis en deze aanvullen met de intuïtieve, menselijke kant van rechtsvinding Wanda’s tweewegenleer. Elke uitspraak moet in de eerste plaats juridisch verdedigbaar zijn. Hierbij zijn meerdere interpretaties naast elkaar mogelijk. Dat is dus de eerste weg: zorg dat een uitspraak juridisch klopt (= de toets der kritiek van collega-juristen kan doorstaan, onafhankelijk of ze het er juridisch mee eens zijn). Daarnaast moet een rechter ook toetsen of een uitspraak ‘klopt naar het hart’. Dit is een meer individuele toetsing van het eigen rechtvaardigheidsgevoel in een concrete situatie, waarmee een te hard of te schrijnend juridisch resultaat kan worden gecorrigeerd. Als het juridische oordeel en de toets van het hart tot dezelfde conclusie komen, is het een goed oordeel. Als ‘het hart’ tot een andere conclusie komt dan het juridische oordeel heb je ergens iets gemist en moet je doorzoeken, net zolang tot de beide benaderingen tot hetzelfde eindresultaat leiden.
Mijn eigen perspectief wijkt hier net iets vanaf, omdat ik vanuit mijn jeugd iets sceptischer ben over de aard van de mens. Ik neig wat dat betreft iets meer naar de leer van Jerome Frank en Karl Lewellyn, die stellen dat de mens altijd zijn eigen persoonlijke vooroordelen heeft en daarom nooit volledig objectief zou kunnen zijn bij het beoordelen van een casus.[3] Ik zie Lewellyn’s theorie over hoe een rechter begint met een onderbuik gevoel en de wet vervolgens gebruikt om dit gevoel te rationaliseren dan ook iets genuanceerder. Sterker nog, ik vind hem juist erg goed te combineren met Wanda’s tweewegenleer. Natuurlijk dien je Lewellyn’s theorie niet letterlijk te nemen, aangezien dit, ook volgens mw. mr. Everts al snel kan leiden tot willekeur. Daarom interpreteer ik hem liever als volgt: Een rechter dient tijdens het lezen van een strafdossier te weten om wat voor delict het gaat, wat het verweer van de verdediging is, wat de vereisten hiervoor zijn en of er vervolgens aan de formele en materiële vragen voldaan wordt. Omdat een jurist op de universiteit al aangeleerd krijgt de vereisten voor bijvoorbeeld voorwaardelijke opzet of een geslaagd beroep op een strafuitsluitingsgrond zijn, zou deze als rechter al lezende en uit automatisme moeten kunnen aanvoelen wat het eindvonnis wordt.[4] Vanuit dit aangeleerde automatisme, gaat een rechter de zaak toetsen aan de wet en zal deze er vervolgens achter komen of het onderbuikgevoel klopt of niet. Als laatste zal de rechter beoordelen of de uitkomst dan ook echt rechtvaardig is en in geval van een strafrechtelijke veroordeling wat een rechtvaardige straf is, gezien de inhoud van de casus. Ik zie hier persoonlijk de wet nog steeds als basis, maar gezien de aard van de mens vind ik dat de huidige generatie rechters iets meer mag omdenken, zolang de tweewegenleer maar centraal blijft staan.
Straftoemeting heb je bijvoorbeeld wel wetten voor als richtlijn, maar tussen de wettelijke minimum gevangenisstraf van één dag en de maximumstraf van een misdrijf zit nog best veel beslissingsruimte die de rechter moet opvullen. Een positivistische aanpak werkt hier niet om willekeur te bestrijden, noch om tot een rechtvaardige uitspraak te komen. Een rechter uit Leeuwarden zou voor een bepaald misdrijf bijvoorbeeld een veel lagere straf kunnen geven dan een rechter uit Amsterdam vanwege o.a. een gebrek aan referentiemateriaal. Dit is een slechte zaak, omdat rechters wel verschillende meningen kunnen hebben over dezelfde zaak, maar straffen natuurlijk niet bepaald mogen zijn door de plaats waar het delict gepleegd wordt. Het rechtsrealisme erkent deze subjectiviteit van de rechter als persoon wel. De ethische leidraad is dan weer terug te vinden in het natuurrecht, omdat de rechter in dit soort gevallen alleen maar kan kijken naar wat een rechtvaardige straf is. Hoewel dit wat mij betreft iets universeler bijgebracht mag worden door ethiek bijvoorbeeld een verplicht vak te maken rechtenstudenten van elke universiteit. De wet kan hier vergeleken worden met een taart en de persoon van de rechter met de slagroom die je erop doet, want het is namelijk nog altijd zo dat je geen complete beoordeling kan maken zonder beide te gebruiken. Wel wil ik hier heel duidelijk benadrukken dat ik persoonlijk stellig achter het standpunt sta dat je niet hoeft te beoordelen of een verdachte een goed persoon is, maar dat het bij straftoemeting vooral gaat om de moraliteit van de acties van een dader.
Bovendien maakt het ook niet per se uit aan welke kant van die gulden middenweg tussen legisme en willekeur je je als jonge jurist bevindt. De reden dat ik zelf meer naar de realistische kant leun, ligt waarschijnlijk aan het feit dat ik ook aanhanger ben van Gustav Radbruch, die bekend staat om de uitspraak “Onrecht is geen recht”.[5] Hoewel jouw interpretatie van natuurrecht niet direct beïnvloedt hoe je een zaak zou behandelen, heeft het wel invloed of je sneller naar het positivisme of het rechtsrealisme zal leunen als jurist. Iemand die heilig gelooft in Radbruch zijn uitspraak, zal dit sneller meenemen in de uitvoer van Wanda’s tweewegenleer door te erkennen dat de uitkomsten van het volgen van onrechtvaardige wetten teruggedraaid moeten worden in een rechtvaardige maatschappij. Of deze zal, als de onrechtvaardigheid voortvloeit uit een zekere vage formulering, sneller de wet via de jurisprudentie invullen dan zich simpelweg onthouden van een rechtvaardig oordeel omwille van onpartijdigheid. Al zou het al gaan om aanvullende/concretiserende vereisten van een dergelijke vage wetsbepaling, die hij of zij en collega rechters zelf tijdens de zaak ontwikkelen. Precies om deze redenering, ben ik ook minder bang voor willekeur binnen de Rechtspraak. Bij gebruik van Wanda’s tweewegenleer zal een rechter altijd tot een juridisch correcte uitkomst komen die ook nog eens ethisch te verantwoorden blijft. Aan de andere kant hebben we in de moderne geschiedenis vaak genoeg gezien hoe het fout kan gaan bij een legistische aanpak, die zich verschuilt achter smoezen van zogenaamde positivisten, die eigenlijk niet eens meer weten wat positivisme echt inhoudt. Denk hierbij aan de staat van de maatschappij Tweede Wereldoorlog en het meest recente Nederlandse voorbeeld: de terughoudendheid van bestuursrechters tijdens de Toeslagenaffaire.[6]
Onenigheid tussen rechters De bovenstaande uitleg verklaart dan ook waarom verschillende rechters verschillende meningen kunnen hebben over een zaak. Zelfs binnen dezelfde Meervoudige Kamer. Wanneer hier een verschil van mening ontstaat, wordt dit op een opmerkelijke manier opgelost. Het raadkameren begint standaard bij de minst ervaren rechter als “jongste in rang”. Als dat eerste rijtje is afgegaan en niet iedereen het eens zou zijn met de eerste rechter dan is het natuurlijk niet de bedoeling om deze helemaal af te laten gaan. Je moet communicatief professioneel blijven. En juist omdat rechters alles moeten interpreteren, moet je respectvol uitleggen waarom je anders tegen de zaak aan kijkt. “Ik denk dat je het verkeerd ziet,” is de zwaarste uitspraak die in dat soort situaties gedaan kan worden. Je moet goed in je achterhoofd houden dat jouw eigen overtuiging nog steeds slechts een overtuiging is. Hierna komt een nieuwe praatronde om te kijken of er daarna een unanieme uitkomst is. Als één van de rechters zich dan heel principieel gaat opstellen, maakt de rangorde van de rechters niet uit bij het vormen van een beslissing. In dit geval wordt het vonnis alsnog gebaseerd op de uitkomst die de meerderheid heeft geformuleerd. Tijdens de derde ronde is het gebruikelijk dat je dan ook echt toegeeft en meegaat met deze meerderheid, maar bij zaken van grote maatschappelijke impact, hoeft dit niet. Je primaire argumenten om je collega’s van jouw mening te overtuigen kunnen hierbij net zo juist zijn als die van je collega’s, maar moeten altijd juridisch verdedigbaar blijven.
Nieuwe gangen naar de rechter In recente jaren is er ook een nieuw concept toegevoegd aan de Rechtspraak, wat de rol van de rechter nog meer heeft veranderd dan de huidige nood voor rechtsbescherming met een menselijker uitgangspunt binnen de maatschappij. Verschillende rechtbanken hebben namelijk een aantal pilots opgezet om het hiervoor genoemde doel te bereiken. Daarnaast dienen deze initiatieven als een manier om de gang naar de rechter laagdrempeliger te maken en rechters wat te ontlasten in hun taak. Bij de Rechtbank Zwolle is zo’n pilot ontwikkeld door mr. Erik Koster, senior-rechter, en heet het “de Overlegrechter”.[7] De naam zou je bijna laten denken dat deze een soortgelijke functie heeft als een mediator, maar de realiteit is toch echt anders.
Mw. Mr. Everts vindt het in elk geval een fantastisch concept. Zij beschrijft de Overlegrechter meer als een combinatie tussen een mediator en een bindend adviseur, waarna de partijen nog steeds in hoger beroep kunnen als zij het niet eens zijn met de uitspraak. Ze legt hierbij uit dat advocaten nogal eens een enorm juridisch verhaal om de rechtsvraag heen schetsen wanneer mensen met een probleem naar hen toekomen. De advocaat van de wederpartij doet precies hetzelfde. Beide partijen komen vervolgens naar een zitting en op dat punt ontstaat het probleem dat de angel minder goed te vinden is. Als de juridische angel gevonden wordt en de zaak blijkt enkel te gaan om een emotioneel conflict, dan is het de taak van de rechter daarover te oordelen met een juridische motivering. Dit is vaak erg lastig en een rechter kan zich een stuk nuttiger maken om te oordelen over daadwerkelijke juridische conflicten. Overlegrechters kunnen daarentegen de juristerij uit de casus halen als het daar eigenlijk niet om gaat en daar en daarover eerst proberen partijen tot een onderlinge oplossing te brengen. Als dat niet lukt dan kan de overlegrechter een rechterlijke uitspraak doen over het geschil. De taak van een Overlegrechter lijkt daarom deels wel op mediation, maar deels ook niet. Dit omdat mediators die knoop nooit doorhakken die rechters wel rechters doorhakken. Een mediator behoort geen uitkomsten te forceren als cliënten er zelf niet uitkomen, waar een rechter die bevoegdheid wel heeft.
Tijden zijn sinds de tijd dat mw. mr. Everts rechter was dus erg veranderd, waaronder de rol van de rechter. Het is aan de nieuwe generatie om dat in goede banen te leiden en daar hebben we gelukkig meerdere middelen voor. Of dat nou een nieuwe vorm van rechtsvinding is, die wij als juristen met de wet combineren of een hele nieuwe vorm van rechtspraak binnen onze rechtbanken.
Mijn ervaring met het interview Als afsluiting van deze en de voorgaande blog wil ik graag mijn dank uiten naar mw. mr. Everts voor het interview. Zij heeft me niet alleen goede tips en inzichten gegeven voor het indelen van mijn eigen toekomst, maar is hier ook enorm normaal in gebleven. Hoewel details van onze respectievelijke achtergronden in het midden zijn gebleven, zag ik een hele normale vrouw voor me, waar je gemakkelijk een kop thee en een lekker stuk kruidcake mee kunt delen, terwijl je een interessant en leerzaam gesprek houdt. Bovendien wil ik haar ook bedanken voor het grootste compliment dat ik tot nu toe in mijn academische carrière heb gehad. Als iemand met een CV als dat van mw. mr. Everts al zegt dat ik een “verpletterende indruk maak” in mijn voorbereiding, heb ik geen ouders binnen het vakgebied meer nodig. Dan weet ik dat ik het aankan om van mijn doelen werkelijkheid te kunnen maken en jij als lezer ook.
Aanvullende literatuurlijst Volgens de Leidraad voor juridische auteurs
IJzermans & van Wijk, 2020 M.G. IJzermans & L.D.E.M. van Wijk (Red.), Perspectieven op Recht. Een kritische kennismaking met het recht, (7e druk), Nijmegen: Ars Aequi Juridische uitgeverij, 2020.
HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad), r.o. 5 HR23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad).
Llewellyn, 1960 K. Llewellyn, The Bramble Bush, New York: Oceana Publications 1960.
Llewellyn, 1960 K. Llewellyn, The Bramble Bush, New York: Oceana Publications 1960.
Radbruch, SJZ 1946, p. 105-107 G.L. Radbruch, ‘Wettelijk onrecht en bovenwettelijk recht’, SJZ 1946, p. 105-107.
Van der Zalm, 2021 E. van der Zalm, ‘Simpel uitgelegd: Zo zat het met het toeslagenschandaal’, nu.nl 11 juni 2021.
Rechtspraak, 2019 (Red.) ‘De Overijsselse overlegrechter’, rechtspraak.nl 2019.
Een beginners gids voor werken bij de rechtbank: Interview met mw. mr. Wanda Everts
(Oorspronkelijk gepost op 10-08-2024)
Mw. mr. Wanda Everts. Deze foto is met persoonlijke toestemming van de afgebeelde persoon gebruikt voor deze blogpost.
Als eerste-generatie student aan de universiteit weet je vaak niet waar je moet beginnen wat betreft een carrière. Vooral als je rechten studeert en liever niet de advocatuur in zou willen gaan. Als iemand uit een arbeidersgezin met het voornemen om rechter (inmiddels criminoloog) te worden heb ik zelf ook maar al te veel ervaring met medestudenten waarmee ik niet over aspiraties kan praten, omdat deze zo ver uit elkaar liggen. En praat me niet van het gebrek aan initiatief vanuit de universiteit voor alle functies buiten advocatuur, privaat- en bestuursrecht. Het feit dat we dit allemaal zonder de connecties van een gemiddelde nepotist moeten doen, is daarom oprecht iets om trots op te zijn. Het betekent echter niet dat er geen hulp beschikbaar is.
In deze en de volgende blog zal worden besproken 1) hoe werken bij een rechtbank eruitziet, 2) hoe je rechter kan worden en zal 3) een rechtsfilosofisch perspectief op de rol van een rechter worden gegeven (tweede blog). Dit aan de hand van een interview met niemand minder dan degene die mij heeft geïnspireerd rechten te gaan studeren: voormalig rechter & mediator en oud vice-president van de Rechtbank Zwolle, mw. mr. Wanda Everts. Toen ik in Havo 4 zat heeft zij een gastcollege op mijn middelbare school gehouden over haar werk Ik was zelf nog iets te afgeleid door andere doelen die ik op dat moment had, maar de herinnering aan haar lezing heeft ervoor gezorgd dat die knop in mijn hoofd toch om ging. Dit is waarom ik hoop mijn lezers ook te kunnen inspireren met het interview.
De weg naar het rechterschap De meeste mensen die rechter willen worden en niet weten waar ze moeten starten, zullen waarschijnlijk wel blij zijn om te horen dat er niet één weg naar het einddoel van een beëdiging is. Er bestaat om te beginnen volgens mw. mr. Everts een traditionele weg, namelijk die van de toenmalige RAIO (Rechterlijk Ambtenaar In Opleiding). Dit is inmiddels veranderd in de RIO (Raadsheer/Rechter In Opleiding) Tijdens deze opleiding wordt je als rechtbankjurist opgeleid tot rechter. De vereisten hiervoor zijn een Bachelor- en Master-diploma met civiel effect, twee tot zes jaar juridische werkervaring buiten de rechtbank en een Nederlands paspoort.[1] Bovendien wordt je eerder als rechtbankjurist aangenomen, wanneer je al een tijdje tijdens je universitaire opleiding stage hebt gelopen bij een rechtbank. Een junior-gerechtsjurist doet niet veel anders dan een senior-gerechtsjurist (op een aantal bevoegdheden na) en wordt dus al tijdens het stage-traject ingewerkt. Wanneer je een stage-traject op je CV kunt zetten, heb je daarom meer kans op een baan bij de rechtbank.[2]
Dit is echter niet de enige optie waarmee je een goede rechter zal worden. Via deze weg kun je al op je 28e beëdigd wordt, maar dat is voor de meeste juristen simpelweg te jong. Een conflict gaat namelijk nooit over de inhoud van de rechtsvraag, maar meer om het feitelijke pijnpunt voor partijen. Vaak zitten er allemaal waarde kwesties achter die gevoed worden door de emoties van de procespartijen en advocaten bouwen daar een heel juridisch verhaal omheen. Het is dan aan de rechter om zowel het juridische pijnpunt te vinden en partijen vervolgens rechtvaardigheid te geven. Rechters hebben daarom bepaalde eigenschappen nodig, die men alleen maar kan verkrijgen doormiddel van levenservaring, zoals aan analytisch-, empathisch- en incasseringsvermogen. Het klinkt misschien erg hard, maar wanneer een jurist zonder enige moeite de studie Rechtsgeleerdheid is doorgekomen (en ook verder geen levensbepalende tegenslagen in het leven heeft hoeven verduren), heeft deze niet genoeg klappen van het leven ervaren. Denk hierbij aan het opgroeien in huiselijk geweld of het op jonge leeftijd verliezen van een ouder. In een multicultureel- of immigrantengezin opgroeien is hier ook een goed voorbeeld van. Je zou zeggen dat dit juist goed is, vanwege de hoge resultaten die de jurist in kwestie tijdens zijn academische carrière heeft behaald, maar dat is niet helemaal waar. Ervaringen als die hierboven genoemd zijn kleuren hoe zo iemand in het leven staat en tegen andere ‘buitenbeetjes’ of ‘zwarte schapen’ aankijkt. De juristen met minder levenservaring zullen door hun gebrek aan levenservaring minder vertrouwd worden dat ze daadwerkelijk alle aspecten van een kwestie hebben meegewogen dan zij die wel al vroeg in hun leven met veel obstakels hebben moeten dealen. De RIO weg is hoogstwaarschijnlijk wel geschikt voor juristen die vroeg geconfronteerd zijn met hoe hard het leven is, omdat zij hierdoor een dusdanig empathisch vermogen hebben ontwikkeld en daardoor geschikt te zijn voor de positie van een rechter. Mits zij in staat zijn hun eigen levenservaringen niet het uitgangspunt te laten worden van hun uitspraken. Hij die aan (C)PTSS lijdt// geleden heeft kan door patroon denken voor zijn eigen veiligheid een goed analytisch vermogen en de capaciteit kritisch inzicht ontwikkelen.[3] Levenservaring broedt, hoewel nog steeds veel minder dan privileges dat doen, ook vooroordelen.[4] Het is in de motivering van een vonnis dan ook van belang om respectvol te blijven.
“Een conflict gaat nooit over de inhoud van het conflict zelf. De menselijke kant is wat mensen drijft om te gaan procederen. Advocaten leggen de nadruk in hun pleidooi vaak op deze menselijke kant om de rechter te overtuigen, maar rechters houden de focus toch liever op de inhoud.” - Mw. mr. Wanda Everts
Maar niet getreurd! Wanneer je geen problemen hebt ervaren in het leven (of juist wel en om persoonlijke redenen liever met een andere carrière wil beginnen), kun je ook als zij-instromer beëdigd worden. Deze opleiding duurt slechts één jaar en vereist i.p.v. twee jaar minstens zes jaar juridische werkervaring. Dit jaar wordt volgens mw. mr. Everts een selectiejaar genoemd en tijdens dit jaar behandelde zij voornamelijk casussen en keek ze het huiswerk van je klasgenoten na. Tegenwoordig kan het selectiejaar heel anders gaan, maar het resultaat is hetzelfde. Wanneer je dit jaar doorkomt, kom je in een laatste testjaar terecht als plaatsvervangend rechter. Na dit jaar succesvol te hebben afgerond wordt je eindelijk beëdigd en ben je officieel rechter. Mw. mr. Everts heeft zelf voor de laatste optie gekozen met strafrecht als haar afstudeerrichting. Voor deze weg is het inmiddels verplicht om van tevoren een gegarandeerd plekje bij een rechtbank waar plek is te bemachtigen door voorafgaand aan je testjaar al een tijdje werkzaam te zijn geweest bij die rechtbank.
“Rechten is een vrouwen-vak” Toen mw. mr. Everts zelf afstudeerde (zo rond 1979-1980), werd de juridische wereld nog gedomineerd door mannen. Wel werd er al veel gelobbyd om vrouwen de rechtspraak binnen te halen. Gastsprekers die dan op universiteiten kwamen spreken, hadden het dan vooral over hoe een baan als rechter makkelijk te combineren was met een leven thuis. Je kon bijvoorbeeld thuis werken, er was minder competitie en de omgeving was dus vriendelijker voor vrouwen an sich. Een veel groter percentage vrouwen had in die tijd nog een kinderwens. Een carrière als rechter was daarom ideaal voor werkende moeders, waar er in het onderwijs al competitie was tussen aspirant docenten. Zelfs nu zou het nog erg populair zijn voor de nieuwe generatie juristen, die veel meer thuiswerken vanwege het effect dat de Corona pandemie heeft gehad op hoe men tegen bijna volledig thuiswerken aankijkt.
Hoewel rechten inmiddels een echt vrouwen-vak is en ook de werkgroepen op universiteiten overwegend vrouwelijk zijn, meent mw. mr. Everts wel dat jonge vrouwelijke juristen zich er van bewust moeten zijn dat ze waarschijnlijk nog steeds harder moeten werken en beter moeten zijn dan hun mannelijke collega’s voor dezelfde erkenning. Hoewel de Rechtspraak inmiddels behoorlijk is gefeminiseerd, bestaat er daarnaast ook nog een verschil tussen parttimers en fulltimers. Fulltimers hebben namelijk meer de neiging om hun werk te prioriteren, waar parttimers ook balans proberen te houden met hun verantwoordelijkheden binnen het gezin. Dit is niet per se statistisch onderbouwd, maar wel iets dat mw. mr. Everts over het algemeen heeft opgemerkt tijdens haar carrière. Bovendien is het bovenstaande fenomeen nu nog steeds relevant met de hoeveelheid vrouwen die tegenwoordig de “tradwife” levensstijl romantiseren.[5] Haar voornaamste tip is om te zorgen dat je werk hebt. Je voorbereiden op een scheiding klinkt misschien cynisch, maar je kunt er gewoon niet op vertrouwen dat alles goed komt met een groot gat op je CV als je uiteindelijk wel zou scheiden. Ook al heb je dan goede huwelijkse voorwaarden.
Wat maakt een goede gerechtsjurist? Met het voorgaande in je achterhoofd, is de volgende anekdote erg interessant. Mw. mr. Everts vertelde tijdens het interview over hoe zij in haar eerste jaar als gerechtsauditeur een stapel conceptvonnissen moest nakijken op typefouten en of het inhoudelijk correct was. Toen ze klaar was legde ze de stapel voor aan de politierechter om de vonnissen te laten ondertekenen. De volgende dag lag de stapel op haar bureau, met een geel notitieblaadje, waarop met rood was geschreven: “Het mag wel iets preciezer, Wanda!” Wat bleek; ze had een steeds in elk vonnis terugkerende fout over het hoofd gezien. De politierechter had deze foute tekst steeds met zijn rode pennetje aangestreept. Ze voelde zich enorm beschaamd over haar gebrek aan zorgvuldigheid en besloot vanaf dat moment áltijd dubbel te controleren of ze echt wel goed had gekeken en gelezen. Dat gele briefje hing ze als een reminder aan haar bureaulamp. Elke keer als ze dacht ‘zo is het wel goed’ zag ze het briefje en keek ze het werk toch nóg een keer na, en áltijd vond ze nog een verbeterpuntje. Na drie weken viel het briefje van de lamp af. Toen had ze haar niveau van precisie op het goede niveau, zodat ze het briefje niet meer nodig had.
Naast enorm precies moet een jurist ook een goed analytisch vermogen hebben. Je moet dus niet alleen taal- en typefouten vermijden, maar ook de kern uit een zaak kunnen halen en het kunnen onderscheiden van feitelijkheden en juridische vragen. Dit is relatief gemakkelijk binnen het strafrecht, maar in civiel recht ligt dat veel ingewikkelder. Degene die dat als jonge jurist kan of het zichzelf in elk geval kan aanleren, redt het wel in dit vak.
Aanvullende literatuurlijst Volgens de Leidraad voor juridische auteurs
Werken bij de rechtspraak 2024 (Red.), ‘Werving en selectie: Waar moet je aan voldoen als je rechter of raadsheer wilt worden?’, werkenbijderechtspraak.nl 2024.
Verhagen, 2023 W. Verhagen, Afdeling strafrecht, Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle in een mondeling gesprek, september 2023.
UCenter, 2024 (Red.), ‘PTSS symptomen: Hoe herken je PTSS?’, ucenter.nl 2024.
Weekes & McIntosh, 2009, p. 9 K. Weekes & P. McIntosh, Privilege and Prejudice: Twenty Years with the Invisible Knapsack, Cambridge: Cambridge Scholars Publishing 2009, p. 9.
Elmhirst, The New Yorker, 29 maart 2024 S. Elmhirst, ‘The rise and fall of the trad wife’ The New Yorker, 29 maart 2024.
Noem het beestje bij de naam: Over opzet en schuld bij verkrachting
(Oorspronkelijk gepost op 3-12-2023) DISCLAIMER: Deze blog is voor educatieve doeleinden gepubliceerd.
De tweede kamer streeft ernaar om in 2024 de Nieuwe Zedenwet in werking te laten treden en dit heeft bij veel juristen voor opluchting gezorgd. Vooral nadat er in 2021 en 2022, op verschillende manieren, veel ophef is geweest rondom de Me-Too beweging in Nederland betreffende zedendelicten op zich en wereldwijd betreffende de reproductieve rechten van vrouwen.[1][2] Niet iedereen is echter zo enthousiast en sommigen zeggen zelfs dat we maar niet al te veel hoop hoeven te hebben op enige verandering binnen ons rechtssysteem. Dit desondanks het feit dat de nieuwe zedenwet het in meer gevallen mogelijk moet maken om aangifte te doen over verkrachting. De gevallen waar de Nieuwe Zedenwet op doelt zijn onder andere schuldverkrachting, waarbij het slachtoffer niet per se uitdrukkelijk nee zegt tegen enige vorm van geslachtsgemeenschap, maar het ook niet echt wil. Daarnaast valt “stealth verkrachting”, waarbij het slachtoffer consensuele seks heeft met de verkrachter onder valse voorwendselen hier ook onder. Dit zou het speelveld tussen verdachte en OM gelijker moeten maken, maar maakt dit het speelveld wel gelijker? Wat gaan rechters allemaal onder deze schuldverkrachting scharen en hadden we dit niet beter op een andere manier aan kunnen pakken?
Geen al te hoge verwachtingen hebben… Zowel de organisatie Slachtofferhulp Nederland, rechter Jacco Janssen en de Politie hebben het in 2022 al met Nieuwsuur besproken; we moeten een “realistischer beeld” hebben van de nieuwe zedenwet, die in 2024 o.a. het concept “schuldverkrachting” zal introduceren. Door onthullingen over The Voice of Holland in het programma BOOS is er een roep om versnelling van intreden van deze wet geweest, maar dat was in de eerste plaats al niet mogelijk vanwege complexiteiten binnen de wetgevingsprocedure volgens zowel Janssen als een woordvoerster van de Politie Nederland. Maar vooral het perspectief van Dhr. Janssen biedt hier context voor waarom we misschien iets te optimistisch hebben gekeken naar de metaforische wortel die het Kabinet ons nu voor houdt. Hij raadt slachtoffers namelijk af hoge verwachtingen te hebben dat het strafproces nu ook heel anders zou gaan wanneer de Nieuwe Zedenwet inwerking treedt. Caroline Monster (Politie) voegt hier nog aan toe dat het niet makkelijker wordt om zedenzaken op te lossen, gezien het feit dat verkrachting vaker dan niet plaatsvindt in een privésfeer.
Het feit dat een verkrachter nu ook echt onder meerdere omstandigheden gevallen voor verkrachting veroordeeld kan worden is natuurlijk long overdue, maar de manier waarop laat nog veel te wensen over. Naast verkrachting met geweld, komt er nu ook “gekwalificeerde verkrachting”. Dit is simpel uitgelegd verkrachting onder dwang en hier zouden volgens de nieuwe zedenwet twee vormen van bestaan; weten dat iemand niet wil en toch doorgaan (opzetverkrachting) en niet doorhebben dat de ander niet wil en toch doorgaan (schuldverkrachting).[3] Dat laatste zal voor iedereen die een beetje bekend is met het concept voorwaardelijke opzet vreemd klinken. Juristen kunnen namelijk inzien dat de beschrijving van schuldverkrachting, meer overeenstemt met de vereisten van voorwaardelijke opzet dan met die van culpa. Hierdoor kan schuldverkrachting minder snel veroordeeld worden als het ook echt via de weg van culpa getoetst wordt. Dit is een erg kwalijke zaak en hierdoor rijst dan ook de vraag, “Had de wetgevende macht niet kritischer naar de opties voor een nieuwe zedenwet moeten kijken?”
Opzet- en “schuldverkrachting” In het eerste jaar van de Bachelor opleiding Rechtsgeleerdheid krijgen studenten tijdens het strafrecht vak te maken met de concepten voorwaardelijke opzet en culpa. De definities van deze concepten lopen niet alleen sterk uiteen, maar de vereisten hiervoor ook. Culpa is te definiëren als verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of -onoplettendheid. De verschijningsvormen van culpa zijn bewuste schuld, wanneer de verdachte de gevolgen had voorzien, maar op de koop toe nam dat deze niet in zouden treden. Daarnaast bestaat er onbewuste schuld, waar bij de verdachte de gevolgen niet had voorzien en roekeloosheid, wat een wettelijke strafverzwaringsgrond is.[4] In het arrest Black-out is geoordeeld dat bij de vraag of er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid gelet moet worden op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst hiervan, de eventuele normschending en de overige omstandigheden van het geval.[5] Een ander belangrijk arrest is Verpleegster, waarin geoordeeld is dat bepaalde beroepen, zoals dat van een verpleegster een extra zorgplicht dragen om het gevolg niet te laten intreden. Dit leerstuk heet de garantenstellung.[6] Verwijtbaarheid gaat om of de verdachte anders kon handelen. Het laatste vereiste voor culpa is of er sprake is van een causaal verband tussen de gedraging van de verdachte en het gevolg.[7]
In Nederland kennen wij meerdere gradaties van opzet, waaronder voorwaardelijke opzet. Deze gradatie is kleurloos en komt in twee vormen voor, namelijk met waarschijnlijkheidsbewustzijn en met mogelijkheidsbewustzijn. Voorwaardelijke opzet bestaat uit drie componenten. Dit zijn het risico component, ofwel de aanmerkelijke kans op intreding van het gevolg, het kenniscomponent en dus wetenschap dat het gevolg kan intreden en het wilscomponent, wat de aanvaarding van de verdachte dat het gevolg kan intreden inhoudt. Bij aanvaarding spelen de uiterlijke verschijningsvorm behoudens contra-indicaties een grote rol.[8] In het Porsche arrest is geoordeeld dat het verschil tussen voorwaardelijke opzet en bewuste schuld hem zit in of er sprake is van contra-indicaties. Dit zijn gedragingen waaraan men kan zien dat de verdachte het intreden van het gevolg niet zou aanvaarden. Bij sprake van contra-indicaties is er daarom geen sprake van aanvaarding.[9] In het arrest Spookrijder bleek er uit een verklaring van de verdachte dat hij het juist “wel kicken” vond zichzelf en anderen in gevaar te brengen doormiddel van spookrijden. Dit duidt er op dat er sprake is van aanvaarding en juist geen sprake is van een contra-indicatie.[10] Hierin wordt opnieuw de definitie van voorwaardelijke opzet uitgelegd. Voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans van het intreden van het gevolg.[11] Volgens het arrest Aanmerkelijke kans is de definitie van een aanmerkelijke kans een reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.[12] Het feitelijk intreden van het gevolg mag hierin niet worden meegewogen.[13]
Schuldverkrachting valt niet onder bewuste schuld, omdat de overheid schuldverkrachting duidelijk beschrijft als niet doorhebben dat je partner geen seks wil. Daarnaast valt het, desondanks de beschrijving uit de Nieuwe Zedenwet, ook niet onder onbewuste schuld, want het is niet mogelijk om verkeerd te interpreteren wat iemand wil het moment dat je fysiek zo dicht bij diegene in de buurt bent. Aan de andere kant voldoet het idee van schuldverkrachting wel aan alle vereisten van voorwaardelijke opzet wanneer je er kritisch over nadenkt. Denk daarmee alleen nog maar aan de basisvereisten, ofwel het risicocomponent, het kenniscomponent en het wilscomponent. De aanmerkelijke kans dat je iemand verkracht wanneer deze niet nuchter is, verstijfd bij je in bed ligt, al meerdere malen “nee,” heeft gezegd en uiteindelijk “ja,” zegt om maar van jouw gezeur af te zijn of wetende hoe je reageert als je weigert maar instemt om de lieve vrede te bewaren is aanzienlijk groot. De wetenschap dat het gevolg kan intreden gaat vervolgens niet om de wetenschap van de verdachte, maar van de gemiddelde mens. En de gemiddelde mens weet heel goed dat de aanmerkelijke kans op verkrachting in de hierboven genoemde gevallen erg groot is. Als laatste aanvaarden de zogenaamde “schuldverkrachters” het intreden van het gevolg dat zij hun partner verkrachten altijd wanneer zij de intieme handelingen voortzetten. En kijk nu eens naar contra-indicaties en alle vereisten die daaraan in de jurisprudentie gesteld worden. De enige geloofwaardige contra-indicatie is in de bovenstaande situaties om op te merken dat je partner niet enthousiast is over wat je met hen doet en ermee te stoppen. Alleen om deze reden al, kan schuldverkrachting in de praktijk niet voorkomen. Verkrachting (daarbij niet meegerekend onder dwang van een geestelijke stoornis en waarvoor de verdachte dus in aanmerking zou komen voor TBS) is zonder enige uitzondering een doleus delict.
Bovendien kan er bij verkrachting geen sprake zijn van culpa in causa, omdat ieder excuus dat de schuld op het slachtoffer afschuift simpelweg niet onder een dergelijke vorm van uitlokking valt. Aannemen dat je een avondje met vrienden kunt stappen en kunt drinken zonder dat iemand je drogeert of misbruik maakt van jouw dronken gemoedstoestand is tegenwoordig ondenkbaar, maar nog geen uitlokking tot een misdrijf als verkrachting. Met je vriend in hetzelfde bed slapen en eventueel minder bedekkende slaapkleding dragen is geen uitlokking tot “consensuele” seks, tenzij je dit expliciet duidelijk maakt. Daarnaast heeft bijna iedere vrouw wel eens ja gezegd tegen seks, om geen ruzie te hoeven maken om het feit dat ze eigenlijk geen zin had, wat voor vrouwen een algemeen bekend feit is, maar mannen helaas moeilijker lijken te geloven. Het voorgaande is een verdedigingsmechanisme, waarmee vrouwen voorkomen dat hun partner in deze situatie gaat zeuren, ze een schuldgevoel gaat geven of zelfs agressief kan worden, omdat de partner afgewezen wordt. Het kan daarom ook niet als uitlokking gezien worden. Bovendien is in de eerste plaats een relatie met iemand hebben is sowieso geen manier van toestemming geven voor seks. Dit is een notie die veel mannen hebben; zij nemen consent aan, tenzij er expliciet nee gezegd wordt. Niet omdat zij niet beter weten, maar omdat zij hun eigen belang boven dat van hun partner (ongeacht of deze man of vrouw is) stellen.[14]
HIV-jurisprudentie Er zijn naast gevallen van dubieus consent nog een aantal vormen van verkrachting, waarvan de behandeling van het misdrijf, zoals deze in de nieuwe Zedenwet zijn geformuleerd, in tekort schiet. Dit zijn de zogenoemde “stealth verkrachting” en “babytrapping”. Beide vormen heeft de HIV-jurisprudentie enigszins betrekking op. In het arrest Groninger HIV-zaak is namelijk geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk moet zijn dat de verdachte de oorzaak kan zijn geweest om niet voor redelijke toerekening binnen het conditio sine qua non vereiste van het feit te zorgen.[15] In casu ging het om het overdragen van HIV via ongesteriliseerde naalden, maar het conditio sine qua non vereiste heeft net zo goed betrekking tot het overdragen van een seksueel overdraagbare aandoening of het verwekken van een kind doormiddel van de condoom stiekem afdoen of er een paar gaten in prikken. De vraag is of rechters dit mee gaan nemen in hun beoordeling van gekwalificeerde verkrachtingszaken. Zij hebben hier in principe wel een verplichting toe, maar op het moment dat deze verplichting niet in de nieuwe Zedenwet voorkomt, kan dit een grond voor heel veel hoger beroepszaken worden.
Was er een alternatief? Het is inmiddels wel duidelijk waarom er nog steeds allemaal haken en ogen zitten aan deze halfbakken poging van de overheid om verkrachters sneller tralies te krijgen, maar hadden ze andere opties? Zeker wel. Zonder twijfel zelfs. Als eerste had de wetgevende macht het huidige wetsartikel voor verkrachting binnen het Wetboek van Strafrecht volledig kunnen schrappen en hiervoor een allesomvattend artikel over gekwalificeerde verkrachting voor in de plaats kunnen stellen. De nieuwe Zedenwet is net als de artikelen die in het Wetboek van Strafrecht genoemd worden een formele wet, dus de wetgevingsprocedure was niet heel anders verlopen.De strafverzwarende maatregel voor mishandeling tegen levenspartners uit artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht had daarmee meteen uitgebreid kunnen worden naar andere delicten. Al zou het maar via een juncto naar artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht zijn. We vergeten hier dat verkrachting binnen het huwelijk pas in 1991 illegaal werd in Nederland. Dit was namelijk het jaar dat het oude wetsartikel dat alleen buitenechtelijke gemeenschap beoogde veranderd is in ons huidige art. 242 Sr.[16] Veel te laat als je het de gemiddelde persoon met enig gevoel voor rechtvaardigheid zou vragen.
Hiernaast had er wat gedaan kunnen worden aan de behandeling van zedenzaken tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek en binnen de rechtszaal. Denk hierbij aan het feit dat de politie aangiftes van verkrachting nog steeds niet serieus neemt.[17] Dit kan gezien worden als een vorm van structureel verzuim binnen de organisatie en zou sterker onder de loep genomen moeten worden door de overheid, hoewel de bewijslast bij een klacht alsnog bij de klager hoort te liggen.[18] Een andere suggestie is om vaker rape kits in te zetten voor bewijsvergaring en bij gebrek aan getuigen psychologen vaker in te zetten als deskundigen die doormiddel van psycholanalysering (dus anders dan een verhoor) kunnen onderzoeken of een beschuldiging niet vals is. Nou zal een beschuldiging van verkrachting onder de nieuwe Zedenwet zelden vals zijn, omdat dat in de huidige praktijk ook echt het geval is. Statistisch gezien is namelijk maar ongeveer 5% van de beschuldigingen van verkrachting vals.[19] En dat is enkel het percentage dat aangegeven wordt bij de politie. Meer nauwkeurige studies wijzen uit dat op zijn hoogst ongeveer 10% van verkrachtingen wordt aangegeven bij de politie, wat het echte percentage van valse beschuldigingen dichter bij 0,5% brengt.[20]
En hoe zit het met de straftoemeting? Maar zelfs als alle juiste maatregelen met betrekking tot de wet en het strafproces genomen worden, heeft een rechter nog steeds het laatste woord, wanneer een verdachte schuldig bevonden wordt van verkrachting. Deze maatregelen worden nu niet genomen, dus laten we die stelling eens in het huidige perspectief zetten. Het is algemeen bekend dat verkrachters te lage straffen opgelegd krijgen voor de ernst van het delict. De maximumstraf voor verkrachting is namelijk 12 jaar, terwijl de Rechtspraak deze maximumstraf al sinds 2017 niet meer hebben opgelegd. De hoogste straf sinds die veroordeling is 6 jaar geweest. Daarnaast worden verkrachters gemiddeld maar voor 1-2 jaar veroordeeld.[21] Toerekeningsvatbare verdachten van een zedendelict, zijn namelijk de enige soorten verdachten die geen succesvol beroep kunnen doen op strafuitsluitingsgronden voor dit soort delicten. Zelfs AVAS in de vorm van verontschuldigbare feitelijke dwaling kan een rechter niet aannemen bij schuldverkrachting, omdat schuldverkrachting niet bestaat. In deze context zou iedere toerekeningsvatbare dader van een zedendelict een levenslange gevangenisstraf uit moeten zitten. Een concept als schuldverkrachting is in dit opzicht dan ook problematisch, omdat het nog lagere straffen zou kunnen krijgen vanwege het hypothetische gebrek aan opzet.
Om de bovenstaande reden zou universeel gepleit moeten worden voor een minder genadige en meer vergeldende norm voor straftoemeting van zedendelicten. Verkrachting met vol opzet zou standaard levenslang moeten zijn, terwijl we de huidige gemiddelde straffen voor zwaardere zedenzaken toepassen op gevallen waarbij sprake is van voorwaardelijke opzet. Voor velen zal het voorgaande waarschijnlijk erg hard klinken. Mensen zeggen vaak dat de beschuldiging van verkrachting het leven van een man al verpest, terwijl dit zelden het geval is. De meeste mannen worden namelijk over de gehele wereld beschermd door gerechtelijke instanties wanneer de beschuldiging in de rechtszaal belandt.[22] Hetzelfde kan niet voor de vrouw gezegd worden die de beschuldiging maakt. Vooral niet als zij nooit aangifte heeft gedaan of haar verkrachter wegens gebrek aan bewijs wordt vrijgesproken. Vaak worden zij bestempeld als hoer en leugenaar en in extreme gevallen worden zij gechanteerd met naaktfoto’s of andere incriminerende informatie om maar niets te zeggen.[23][24] Wanneer vrouwen ervan beschuldigd worden dat zij een man zijn reputatie beschadigen, heeft dat vaak meer gevolgen dan wanneer mannen beschuldigd worden van een zwaar misdrijf. En dat terwijl nogmaals maar 5% van de aangegeven beschuldigingen van verkrachting echt vals is.[25] Een verwaarloosbaar percentage als je de huidige verkrachtingscultuur in onze samenleving bekijkt.
Verkrachters verdienen de consequenties van hun eigen acties te ondervinden, want onder welke “nieuwe” kwalificatie de omstandigheden van het delict ook vallen, je kunt er niet omheen: De dader in een verkrachtingszaak is en blijft een verkrachter. Dus waarom moesten we er in het strafrecht luxe termen bij verzinnen, als de definitie ook verruimd kon worden en de behandeling van zedenzaken op zichzelf al een betere aanpak verdient?
Verwijzingen Volgens de Leidraad voor juridische auteurs
BOOS, BNNVARA, 22 januari 2022 BOOS, BNNVARA, 22 januari 2022.
Housman, 2022 P. Housman, ‘Roe v Wade Overturned: What It Means, What’s Next’, American.edu 29 juni 2022.
NOS, 2022 (Red.), ‘Pas op met hoge verwachtingen van nieuwe zedenwet’, nos.nl 18 februari 2022.
Kelk/de Jong 2019, p. 297-298 C. Kelk/F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 297-298.
HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822 (Black-out), r.o. 3.5 HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822 (Black-out).
HR 19 februari 1963, ECLI:NL:HR:1963:2 (Verpleegster), r.o. 2 HR 19 februari 1963, ECLI:NL:HR:1963:2 (Verpleegster).
Kelk/de Jong 2019, p. 302 C. Kelk/F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 302.
Kelk/de Jong 2019, p. 239 & 255 C. Kelk/F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 239 & 255.
HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139 (Porshe), r.o. 3 & 5.3 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139 (Porshe).
HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder), r.o. 3.2.2 & 3.3 HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder).
HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder), r.o. 3.3 HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder).
HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718 (Aanmerkelijke kans), r.o. 5.3.1-5.3.2 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718 (Aanmerkelijke kans).
HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder), r.o. 3.6 HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668 (Spookrijder).
Johnson, Lofgreen, Mattson, Ortiz & Wagner, Sage Journals 2017, p. 1064-1097 M.D. Johnson, A.M. Lofgreen, R.E. Mattson, E.G. Ortiz & S.A. Wagner, ‘Situational and Dispositional Determinants of College Men’s Perception of Women’s Sexual Desire and Consent to Sex: A Factorial Vignette Analysis’, Sage Journals (36) 2017, afl. 1-2 p. 1064-1097.
HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362 (Groningse hiv-zaak). HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362 (Groningse hiv-zaak).
Brants, Moerings & Pelsen, 1999, p. 157-171 C.H. Brants, M. Moerings & C.M. Pelsen, Morele kwesties in het strafrecht, Deventer: Kluwer, 1999, p. 157-171.
NOS, 2020 (Red.), ‘Verkrachting vaak niet vervolgd: 'Politie liet mij twijfelen over aangifte'’, nos.nl 11 februari 2020.
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 (Onbevoegde hulpofficier), r.o. 2.4.5 & 2.4.6 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 (Onbevoegde hulpofficier).
De Zutter, 2018 A. de Zutter, “My Story of the Rape and why I Should be Believed: On how True and False Allegations of Rape Differ”, VU, 2018.
Belknap 2010 J. Belknap, ‘Rape: Too Hard to Report and Too Easy to Discredit Victims’ Sage Journals, (16) 2010.
Van der Mee & van der Wal, AD, 11 februari 2020 Van der mee & van der Wal ‘Zelden rechtszaak na verkrachting’, AD, 11 februari 2020.
Robinson & Yoshida, 2022 J. Robinson & K. Yoshida, ‘Her right to speak versus his reputation: how courts around the world are getting this wrong’ theguardian.com 21 oktober 2022.
Deelen, 2020 M. Deelen, ‘Waarom aangifte doen na een verkrachting zo ongelooflijk moeilijk is’ vice.com 26 juni 2020.
De Leenheer, 2021, p. 18 M. de Leenheer, “Het verband tussen seksueel geweld en gerapporteerde relatieveranderingen: Een cross-sectioneel onderzoek bij UGent studenten” UGent, 2021, p. 18.
De Zutter, 2018 A. de Zutter, “My Story of the Rape and why I Should be Believed: On how True and False Allegations of Rape Differ”, VU, 2018.
Even voorstellen
Voor iedereen die dit leest: Hallo en welkom op mijn officiële blog voor de strafrechtelijke en criminologische artikelen die ik tot nu toe geschreven heb. Dit heb ik hiervoor op twee andere websites proberen te doen, maar ik ben uiteindelijk toch weer teruggekomen bij de site waar ik vroeger een persoonlijk blog op had. Tumblr werkt voor mij veel fijner, wat betreft het uploaden van teksten.
De komende paar weken zal je hier vooral mijn oude blogs nog kunnen lezen. Daarna zal ik periodiek nieuwe stukken gaan uploaden. Eens in de zoveel tijd kun je hier ook genieten van strafrecht-gerelateerde memes en gepaste outfits voor college en stage om het fris te houden.
Dus wie ben ik? Mijn naam is Maureen van der Kris en ik ben momenteel Bachelor student Rechtsgeleerdheid. Ook heb ik inmiddels een Minor Criminologie afgerond en ben ik van plan hierna een Master Criminologie te volgen. Mijn aspiratie was voorheen om Strafrechter te worden, maar dat is na een aantal jaar aan de universiteit gestudeerd te hebben veranderd. Inmiddels ben ik van plan medewerker criminologisch beleid bij de rechtbank te worden. Dit ligt mijn kwaliteiten namelijk beter.
Deze blog is bedoeld voor rechten- en criminologie studenten.
Vriendelijke groeten,
Maureen