Jij zit daar, in je stoel op wieltjes en je kijkt niet naar mij. Je knieën heb je opgetrokken tot je kin en je armen zijn daar weer stevig omheen geslagen, je wilt jezelf niet kwijtraken. Ik doe de deur zachtjes achter mij dicht en loop naar jou toe, naar jou, op je stoel. Voorzichtig leg ik mijn handen op de rugleuning van jouw stoel en zeg 'hoi'. Jij zegt niets terug. Je kijkt niet naar mij. Ik blijf staan. Mijn handen op de rugleuning, mijn gedachten overal. Het is nu al ongemakkelijk, je wilt mij geen pijn doen. Je wilt niet naar mij schreeuwen dat ik weg moet gaan. Ik loop naar jouw bed en ga bovenop je kussen zitten. Jij zegt niets. Je kijkt niet naar mij. Ik probeer nog eens wat te zeggen, maar niets is goed genoeg. Ik vertel je het grappige van alledag. 'Die ene jonge zei.. En hoorde je al dat..' Jij zegt niets. Je kijkt niet naar mij. Ik blijf zitten. Vijf minuten, tien minuten, een half uur. Je zegt nog steeds niets, en kijkt niet naar mij. Ik sta op. Ik wilde je alleen laten zien dat je niet alleen was. Ik loop naar de deur. Jij zegt niets. Je kijkt naar mij. Onder je arm door. Een oog. Je kijkt naar mij. Ik sta stil. Mijn hooft tolt. Ik zet twee grote stappen en ik sta weer naast je. Jij zegt niets. Je kijkt niet naar mij. Ik sta naast je stoel, je stoel op wieltjes. Jij zit nogsteeds met je knieën opgetrokken tot je kin, je armen daar weer stevig omheen geslagen. Misschien wil je jezelf niet kwijtraken, misschien wil je mij niet vinden. Dan rollen er tranen over mijn wangen en fluister ik in een laatste poging zachtjes jouw naam. Jij zegt niets en je kijkt niet naar mij.