Ik weet niet wat ze zeggen als ik in hun ogen kijk
Ze zegt dat ze mij kan doorverwijzen naar een specialistisch centrum voor traumabehandeling en dissociatie in een andere stad, maar het enige wat ik wil is rustig leven en mijn tuin water geven.
Ik wil niet opgeslokt worden door zieke mensen en hulpverleners die heel erg hulpverlenend zijn.
Ik wil iets geven en iets brengen. Iets maken uit de klei. Ik wil wandelen en ik vind mijn hoofd ook niet leuk dat ik vergeet waar ik ben en hoe ik er gekomen ben. Dat ik zeker weet dat ik niets te eten heb en als ik mijn koelkast opendoe hij bomvol verse dingen ligt en ik niet meer weet of ik gegeten heb en waar ik geweest ben.
Ze sprak over trauma en opgroeien in een onveilige omgeving en ze zei: Want dat heb je. En ik dacht waarom zegt ze dit nu zo, dat doet ze anders nooit en wat weet zij daar nou van. Tot je tweede, derde heb je vaak geen herinneringen in je hoofd, misschien wel in je ziel, maar wat weet zij daar nou van?
Ik praat nooit over zulke dingen en ze moet niet nu ze met mijn psycholoog heeft gebeld ineens zo trauma en dissociatie achtig doen.
Zal wel een acceptatiebevorderende zet van d’r zijn.
Ik analyseerde de kamer waarin we zaten. Ik was er zelf naar toe gefietst en het was superfijn met de wind tegen en ik fiets harder dan pubers met een volle tas.
‘Deze kamer is van een man op middelbare leeftijd, hij begeleid cliënten naar dagbesteding en werk en heeft een warm hart voor herstel en de herstelvisie. En trouwens die plant op het buro krijgt wel genoeg water maar waarschijnlijk ligt er vaak iets voor waardoor hij de plant aanraakt. Daar kan de plant niet tegen en daarom is zijn voorste blad verdord.’
Ik zei wat ik dacht door gewoon te kijken. Ik legde haar uit dat ik het leuk vind om in één seconde mensen en ruimtes te analyseren en vertelde waar ik de informatie dan vandaan haal.
Een folder op tafel, de boekenkast. Hoe ze zijn naam uitspreekt.
Ik was eindelijk eens een keer soort van rustig, omdat ze nu niet bij mij thuis kwam. Ik hoefde niet te wachten, wat op zich niet erg zou zijn vandaag. Je moet in de achterste wachtruimte gaan zitten bij de koffie automaat. Daar zit je beschermd en is het vaak rustig.
Na een paar minuten komt er dan een beveiligingsmannetje kijken en die moet je dan met een knikje aankijken met je vuurrode gezicht en dan gaat ‘ie weer verder en heb jij rust.
De rest zit aan een tafel in een open ruimte met gebogen schouders schuchter om zich heen te kijken. Veel mannen. Maakt niet uit of ze een gestreken blouse of oud shirt aan hebben, ze hebben dezelfde houding van: Ik wil hier ook niet zijn, maar ik wil wel geholpen worden, maar jezus ik zit in de kijk, waar kan ik me verbergen?
In de achterste ruimte dus. Naast mij.














