Woekerdorp
Het beekje stond droog en was volledig overgroeid met distels en opgeschoten struisgras. Hij sjokte over het betonnen brugje zonder leuning en liep verder door een stoffig veldje. De hitte lag als een ingedommeld rund over het land. Alles deed pijn. Zijn hoofd bonkte, zijn benen voelden verwrongen aan. En als hij het stof probeerde weg te slikken, leek het of zijn keel met de hand werd open gescheurd. In het dorp zou hij vast een goede ziel vinden die vocht in huis had om zijn fluimen aan te lengen.
Door het veldje liep een weg die op een gebochelde kasseistrook uitgaf. De eerste huizen die hij tegenkwam, waren allemaal overgroeid met een dikke laag klimop of gras. Omdat hij niet precies kon zien welke begroeiing hier aan het woekeren was geslagen, stapte hij op een huis af. Het was een rustieke laagbouw met een klein voortuintje waar de rode kiezelsteen het onkruid had weten weg te houden. De ramen waren niet te onderscheiden van de muren. Dikke, vingervormige bladeren zoals die van een vijgenboom hingen in verschillende lagen over mekaar.
Toen hij vlakbij de voorgevel was gekomen, ontdekte hij een holte waarachter hij de voordeur vermoedde. Midden op de donkerbruine deur vond hij een smeedijzeren klopper, die hij drie keer hard tegen het onderstuk sloeg. Hij hoorde geen geluid. Hij wachtte. Een minuut schatte hij. En dan klopte hij opnieuw. Hij zette een stap achteruit, zocht vergeefs naar ramen in de hoop daarachter beweging te kunnen waarnemen en besloot om dan maar verder te stappen naar het dichter bebouwde centrum van het dorp.
Alle volgende huizen die hij tegenkwam waren net zoals het eerste bedekt met dikke lagen vijgenbladeren. Ze hingen onbeweeglijk, als op een foto uit een ver verleden. Er was geen mens te zien. Een stille, alles verpletterende hitte vulde de ruimte tussen de groen bepruikte huizen en de roze klinkers die in de plaats van de kasseien waren gekomen. De warmte weerkaatste op de straat en maakte hem misselijk.
Hij moest drinken. Er liep een koortsige rilling over zijn rug. Nog even en hij zou niet meer weten of hij het warm of koud had. Daarna zou hij beginnen ijlen en denken dat het wel overgaat. Maar het gaat niet over. Het gaat achteruit en steeds sneller, zonder dat je het merkt, omdat je krimpende hersenvlies alle zin voor werkelijkheid versmoort, tot je uiteindelijk gelukzalig naar lucht happend doodvalt. Opnieuw liep hij naar een huis, klopte drie keer en wachtte tot hij ervan overtuigd was dat er niemand zou open doen.
Misschien moest het hier eindigen. Sterven van de dorst in een dorp dat hij te laat had herkend. Hoe was het mogelijk? Waar komt al dat groen vandaan als er in dit gat geen water is? Weer liep er een rilling over zijn rug en hij probeerde te spreken, maar meer dan schor keelgeluid hoorde hij niet. Hij nam hij een beslissing, zo plechtig als een voornemen maar zijn kon. Met zijn laatste speeksel wilde hij oreren tegen de stilte die hier woekert en alles versmacht. Op de hoek waar de hoofdstraat en de kerkstraat allebei op een pleintje uitgaven, zette hij zich op een gemetst muurtje dat een voortuintje van de straat scheidde. Langzaam trok hij zich recht. Hij keek uit over het lege dorpsplein en begon, eerst aandoenlijk piepend, maar dan krachtig, alsof een andere stem het werk van zijn stervende geluid had overgenomen:
‘Ik ben kwaad. Niet stilletjes kwaad onder mijn wenkbrauwen, niet een beetje boos in een hoekje zoals in sommige landen de gewoonte is, maar ziedend en woest en furieus en klaar om jullie prachtig verfraaide dorpskern onder de gal te zetten zodat alle klinkers verschrompelen tot jammerend steengruis. Waar the fuck is iedereen naartoe? Wat denken jullie eigenlijk, dat je de boel zo maar kunt overlaten aan een paar vette vingerplanten? Natuurlijk is het makkelijker om te zeggen dat er niets aan te doen valt. En dan gewoon terug naar het erf een beetje rondscharrelen. Ge kunt ook uw mond open doen zonder te kakelen. Maar nee, een beetje samenhokken in de schaduw en hopen dat niemand u gezien heeft. En de rest? Waar is de rest naartoe. Weggevlogen? Ha. Komaan zeg.’ Hij hapte naar adem en keek. Het bleef stil op het plein.
‘Ik heb u wel gezien daar, gij, met u hoedje. Ge staat klaar om uw arm om mijn schouder te leggen en te zeggen dat ik me niet zo druk moet maken, dat het niet goed is voor mijn spijsvertering, dat het allemaal verloren moeite en energie is. Wel, daar krijg ík nu het schijt van. Mensen die mij zeggen dat het allemaal niet de moeite is. En dan achter hun gat de deur toe doen en zitten mokken achter hun tas kouwe koffie. Of weggaan en zeggen dat het ergens anders beter is. En wij dan? De verloren zielen die nergens meer thuis zijn. Waar moeten wij naartoe?’ Hij stond te hijgen. Overal waar hij keek, zag hij grote witte vlekken. Straks viel hij van het muurtje. Hij moest aan zijn opdracht denken. Hij sloot zijn ogen, deed ze weer open en raasde verder:
‘Het groot monster dat u gaat straffen, bestaat niet. De octopus die ’s nachts langs uw open venster binnenglijdt en uw vrouw uw kinderen en uzelf stilletjes wurgt, is een fantasie van uw uitgedroogd brein dat te lang heeft moeten overleven op krokant en drie keer herwerkt voedsel. Het zijn charlatans die uw wijsmaken dat ge bang moet zijn. Ze willen alleen nog meer verkopen, verhalen die u schrik aanjagen en pillekes om van de schrik af te geraken. Zet ze op straat, bij de rest van het groot vuil. Kijk naar uzelf. Kijk naar wat ge zijt en naar wat ge waart. En denk diep na. Twee minuten. Het mag ook meer zijn. Denkt aan wat ge wilt, en zeg het, roep het, fluister het, maar zeg het.’
Het bleef stil op het plein. Hij wankelde, maar viel niet. Met zijn handen zocht hij steun. Een knie rustte op het muurtje. Hij liet zich zakken, knipperde met de ogen, zocht de grond onder zijn voeten. Het huis waar voor hij zijn rede had afgestoken, was minder begroeid dan de anderen. De voordeur was helemaal vrij en zelfs het huisnummer was goed zichtbaar. Een waterkansje dat er iemand thuis was. Hij sleepte zich door de kiezel naar de deur en met wat hem aan krachten overbleef, bonkte hij drie keer op het zwart geverfde eikenhout.
Bij de derde vuistslag viel de deur open. Het felle zonlicht sneed als een zoeklicht in de duisternis van de lange gang. Schoorvoetend betrad hij het huis. De deur aan het eind van de gang stond op een kier. Hij trok ze langzaam open en kwam in een zwak verlichte kamer. In de hoek scheen het licht van een nachtlampje dat het elk moment kon begeven. Daarnaast stond een elektrisch verstelbaar bed, waarin een oude man lag, mager en verkrampt als een christus net van het kruis gehaald.
Langzaam liep hij er naar toe. De man prevelde voor zich uit en hij verstond, ‘Water alstublieft.’ Hij gaf hem een kus op zijn voorhoofd, trok hem bij de schouder tot hij rechtop zat en duwde het flesje water, dat op een stoel naast zijn bed stond tegen zijn mond. In een lange teug dronk de man het flesje leeg. Hij sloot de ogen en zei: ‘Nu mag je gaan.’ Weer boog hij zich om de man een kus te geven, voelde zijn natte lippen, stond op zonder te spreken, liep naar de deur en trok ze achter zich toe.
















