Het Wintertuinfestival is begonnen! Komende vrijdag verschijnen tijdens de Avond van de grote beloftes de chapbooks van deze twee schrijvers uit Wintertuins agentschap.
Lisa Weeda schreef het non-fictieverhaal De benen van Petrovski, naar aanleiding van een reis naar Oekraïne, het vaderland van haar oma. Het is een verhaal over kansen zien en kansen nemen, over generatiegenoten en hun onzekere toekomst in een land waarvan Lisa niet zeker weet of ze zich er thuis mag voelen.
Joost Oomen schreef de novelle De zon als hij valt, over de reis die een jongen, een meisje, een oog en een pols afleggen om samen te zijn. Uitgangspunt voor het verhaal waren het glazen oog dat overbleef na een drone-aanval op terrorist Mokhtar Belmokhtar en de pols van de vrachtwagenchauffeur die werd teruggevonden na een verder allesverwoestende explosie op camping Los Alfaques in Spanje.
De afgelopen weken schreven Lisa en Joost elkaar brieven en kregen we een inkijkje in hun schrijverschap. Vandaag de laatste brief.
Ha Lisa,
Je hebt gelijk. Ik moet niet zomaar een lichte toon aanslaan terwijl er zoveel op het spel staat. Voor je het weet verwijt iemand mij struisvogelpolitiek. En er is ons al zoveel te verwijten. Jou een beetje, mij misschien wel een hoop. Ik kom daar later in deze brief op terug.
Eerst het antwoord op je vragen. Ik moest grinniken om de eerste: 'Hé Joost, wat vindt de hoofdpersoon van je boek, die by the way het glazen oog van een dode terrorist annex sigarettensmokkelaar is, eigenlijk van de verschuivingen op het gebeid van etniciteit, ethiek, religie, gender... wel ja, op eigenlijk elk vlak?' Ik vind dat een nogal brede vraag, maar ik ben geneigd het simpele antwoord te geven: dat het glazen oog er helemaal niets van vindt. Glazen ogen twijfelen niet en denken amper na. Ze hebben alleen de magische drang om het doel dat ze zichzelf gesteld hebben te halen. Het heeft geen hersenen, het is een grote glasheldere pupil.
Maar dat antwoord zou te makkelijk zijn. Het is hoogstwaarschijnlijk wel waar (nogal wiedes, ik heb immers dat oog bedacht, dus ik mag zeggen wat hij vindt), maar het gaat voorbij aan iets wat dieper ligt. Het antwoord is namelijk onderhevig aan de vraag of de wereld een progressieve of een conservatieve koers vaart. Rolt de knikker naar de progressieve kant, dan denk ik dat we bij een samenleving uitkomen die heel geschikt is voor het uitgeven van verzinsels over glazen ogen. Rolt de knikker naar de conservatieve of zelfs reactionaire kant (en dat is, sinds de verkiezing van Trump, heel aanneembaar) dan denk ik niet dat er nog veel plaats in de wereld overblijft voor mijn glazen oog. Een boekje over een denkend glazen oog vraagt flexibiliteit en inlevingsvermogen van de lezer. Aan die flexibiliteit en dat inlevingsvermogen ontbreekt het in een conservatieve, verkrampte, rechtse maatschappij. In zo'n maatschappij gooien mensen hun deur dicht voor verzinsels, want nieuwe, experimentele gedachtes brengen de status quo in gevaar. Fictie is gevaarlijk. Of moet ik leugens zeggen?
Je vroeg ook waarom ik van poëzie naar proza overgestapt ben. Let wel: ik schrijf nog steeds heel veel gedichten! De afgelopen weken luister ik veel naar muziek van La Lupe, een Cubaanse zangeres uit Havana met een tumultueuze levensloop. Eerst zong La Lupe alleen maar Cubaanse son, snelle opzwepende muziek die voor haar nooit snel genoeg was. Ze sloeg haar pianist, beukte met de microfoon op de bekkens en riep 'yiyiyi'. Alles om de muziek sneller te laten gaan. Op het toppunt van haar roem als sonzangeres, verhuisde ze naar New York en begon ze bolero's te zingen. Bolero's zijn lange, trage klaagzangen met heel, heel veel gevoel. De energie en kracht die uit haar stem spraken waren echter dezelfde als bij de son. Haar positieve, snelle kant kon ze in de ene muziekstijl kwijt, haar tragische, vergankelijke kant in de andere. Maar in beide gevallen bleef het heel duidelijk muziek van La Lupe. Ik hoop dat dat ook voor mijn proza en poëzie geldt. Soms als ik aan mijn chapbook schreef had ik dezelfde elektrische vaart in mijn lijf die er is als ik gedichten schrijf.
Nu ik je vragen uit de vorige brief heb beantwoord, kan ik vertellen waarom ons misschien iets te verwijten valt. Jij vertelt het non-fictieverhaal van de post-Sovjetgeneratie in Oekraïne in jouw chapbook, ik vertel een fictief verhaal over een Spaans meisje en een Libische bootvluchteling. In de afgelopen maanden is er wereldwijd onder schrijvers een discussie losgebarsten rondom cultural appropriation, het toe-eigenen van cultuurkenmerken van minderheden door de dominante meerderheid. Zijn we dan, in het licht van deze discussie, niet ontzettend fout bezig? Jij hebt nog enig recht van spreken, er stroomt Oekraïens bloed door jouw aderen en je bent op die manier onderdeel van de groep waarover je schrijft, maar ik ben een halve Fries, een halve Groninger en zeker geen Noord-Afrikaan. Mag ik zo'n verhaal dan wel vertellen? Eigenen wij ons verhalen toe die helemaal niet van ons zijn? Stelen wij iemands verhaal voor ons eigen literaire succes?
Ik wil deze discussie graag met je voeren. Bij mij staat voorop dat je zo invoelend mogelijk te werk moet gaan. Je kunt anno 2016 mensen of groepen uit andere culturen niet wegzetten als nobele wilden. Omdat het niet de waarheid is, maar vooral omdat je andere mensen ermee kwetst. Bezint eer je begint!
Wanneer het verhaal in een boek verbonden moet zijn met het verhaal van de auteur zelf, dan zou ik nooit voor een blonde, Hollandse hoofdrolspeler kiezen. Ik voel me slechts voor een klein gedeelte thuis in de cultuur die ik de mijne mag noemen. Ik voel me veel meer verbonden met de dadendrang van jonge, Arabische mannen, dan met de reactionaire, oubollige tendensen van de Nederlandse cultuur. Ik voel me meer Electro Chabi dan Jan Smit, meer reggaeton dan Boerenbont. Je bent als schrijver, of als mens, niet veroordeeld tot de cultuur waarin je geboren bent. Natuurlijk moet je niet met een sombrero op je hoofd onder een cactus gaan liggen als je een luie Mexicaan wilt nádoen. Maar als je een blonde jongen bent, die zich vanbinnen een Mexicaan voelt, dan mag je van mij een sombrero op. Als een mannelijke, blanke, Nederlandse schrijver een boek wil schrijven over de vlucht van een tienermeisje uit Congo, omdat hij zich meer met zo'n meisje verbonden voelt dan met de blanke, Nederlandse mannen om hem heen, dan moet deze schrijver dat kunnen doen.
Arjan Ederveen heeft hier een sketch over gemaakt. In de sketch wordt een Nederlandse boer gevolgd die aangeeft dat hij in het verkeerde lichaam is geboren. Hij is misschien vanbuiten een Nederlander, vanbinnen voelt hij zich een Bosjesman. We zien de boer in een periode van weken een transitie doormaken van gewone boer in overall, naar Bosjesman met speer en rieten rokje. Er wordt nadrukkelijk gehint naar de discussie rondom transgenders. Er wordt hier een grap gemaakt, maar er wordt ook iets belangrijks gezegd. Iemand die zich vanbinnen anders voelt dan dat hij of zij er vanbuiten uitziet, moet het recht hebben om ook die binnenkant te uiten.
Daarom vind ik dat ik in mijn boekje mag schrijven over de avonturen van een Libische jongen, maar ik ben benieuwd hoe jij hierover denkt. Vind jij dat jij het verhaal van de post-Sovjetgeneratie mag gebruiken voor jouw boek? Is het verhaal van die generatie eigenlijk jouw verhaal?
Hele tobberige groeten uit een treinstel ergens in Nederland,
Joost
Lieve Joost,
Ik heb lang nagedacht over een antwoord op deze brief, omdat deze laatste wisseling tussen jou en mij – tevens het einde van onze cyclus – best wel eens een serieuzere snaar zou kunnen raken dan we wilden. Ik denk dat dat niet erg is, al hadden we ons dat niet helemaal voorgenomen, maar goed. Misschien heb ik je per ongeluk die kant op geduwd met mijn vragen, excuus, dat was niet mijn bedoeling. Ik luisterde de muziek van La Lupe – dit is mijn favoriete video – en zie je al helemaal aan je schrijftafel zitten, reggaeton brother. Ik voerde vandaag een inleidend voorgesprek met Heleen Debeuckelaere met wie ik aanstaande vrijdag in gesprek ga tijdens onze Avond van de Grote Beloftes. We hadden het kort over wie wat wel en wat niet schrijft en wanneer een vertelling van iemand bevraagd wordt – de fictie of de werkelijkheid van dat verhaal. We hadden het over Gloria Wekker, over Svetlana Alexievitsj en over Teju Cole. De laatste is een in Nigeria opgegroeide schrijver die in 1992 naar Amerika verhuisde en onder andere het prachtige debuut Open City schreef – een van mijn lievelingsboeken. Hij krijgt bijvoorbeeld altijd de vraag of wat hij schrijft werkelijkheid is, of zijn werk autobiografisch is of niet. Laten we dat autobiografische even buiten beschouwing laten, maar laten we het over waarheid hebben. Want waarheid is dus iets wat mensen als een hokje zien om jou of je werk of een verhaal in te stoppen.
Van het weekend, toen ik een dag geen zin had om iets te doen keek ik The Good Wife, een serie over de veertig jarige junior advocate Alicia Florrick, die getrouwd is met een staten advocaat die al dan niet fraude heeft gepleegd binnen het systeem. Alicia is op een gegeven moment bezig met een zaak waarin een jonge internetmagnaat – een soort Mark Zuckerberg – de scenarist van de film die over hem gaat aanklaagt. De scenarist zou niet alles geheel waarheidsgetrouw hebben opgeschreven. Hoe Alicia en haar mede-advocaten dit oplossen is in deze brief niet belangrijk. Wat ik interessant vond in deze aflevering is dat de scenarist zegt: 'Het gaat mij niet om de echtheid, het gaat mij om de waarheid. De waarheid van het verhaal.' Ik denk wat hij zegt te begrijpen als: dit verhaal is een signifier naar de waarheid, de buitenwereld. En daar heb ik best een aantal dagen over nagedacht, zo tussendoor, op de fiets of in de trein. Want ik denk dat er een verschil is tussen echtheid en waarheid, een belangrijk en interessant verschil. En dat je daarom je handen niet moet aftrekken van een verhaal – zoals jij dat niet doet in De zon als hij valt, zoals ik dat niet doe in De benen van Petrovski. Je hebt het recht om een verhaal te vertellen, omdat je ook een waarheid wilt vertellen en laten zien. En die waarheid verschuilt zich in fictie, in non-fictie – wat dat dan ook weer moge zijn, in die vraagstelling raak ik met de week meer verstrikt – in stripboeken, in gedichten, in muziek, in een schilderij, een moderne dans.
Laatst las ik voor het eerst iets van Hans Fallada. Na de Tweede Wereld oorlog schreef hij al heel snel het boek Een waanzinnig begin. De achterflap vermeldt: 'De laatste autobiografische roman van Hans Fallada is een buitengewoon openhartig boek, waarin de auteur zijn verontwaardiging over zijn landgenoten van de daken schreeuwt. De oorlog is voorbij en plots zijn er nauwelijks Duitsers die hebben meegedaan, het lijkt wel een volk van louter verzetsstrijders!'
Fallada schrijft vanuit een alter ego: dr. Doll. Maar in het voorwoord van zijn roman schrijft Fallada – na het vermelden dat het een donker en pessimistisch boek is geworden, vijftien maanden na het staken van de strijd voor het Dritte Reich – het volgende: 'De roman wordt ondanks deze gebreken openbaar gemaakt, omdat hij wellicht een document humain is, een zo waarheidsgetrouw mogelijk verslag van wat mensen in Duitsland van april 1945 tot in de daaropvolgende zomer voelden. […] Ik sprak daarnet van een “waarheidsgetrouw” verslag, maar niets van wat op de volgende bladzijden wordt verteld, is gebeurd zoals het hier is beschreven. In een boek als dit kan alleen al vanwege de omvang niet over alle gebeurtenissen iets gezegd worden. Ik moest voortdurend kiezen, moest dingen verzinnen, kon beschrijvingen in hun oorspronkelijke vorm niet gebruiken en moest ze aanpassen. Dat betekent niet dat het geheel daardoor minder “waar” is: alles wat hier wordt verteld, had zo kúnnen gebeuren en is toch een roman, aan de fantasie ontsproten.'
Spreekt zijn voorwoord de achterflap tegen? Of zegt Hans Fallada gewoon eerlijk waar het op staat: dit verhaal moet verteld, stop met zeuren en vragen stellen, lees dit.
Na mijn korte telefoongesprek met Heleen bekeek ik een video van Nina Simone. Zij zegt: 'You can't help it. An artist's duty, as far as I'm concerned, is to reflect the times.' En ik denk dat hier alles samen komt, tussen dat oog en mijn in een hoek drijvende vraag die ik jou stel over dat oog en wat dat oog dan vindt van het nu en van wat er allemaal gebeurt. Trump, bootvluchtelingen, Syrië, Wilders die niet komt opdagen in de rechtszaal, Sylvana Simons, Black Lives Matter, White Privilege, Putin, Noord-Korea, Zwarte Piet, Apartheid, compounds, Guantanamo Bay, Afghanistan, dat Bush op Clinton stemde, kinderen met rugzakjes waar geen geld voor is, bejaarden die eenzaam zijn. Ik lees mijn vorige brief terug en denk: 'Lisa het is een glazen oog, doe normaal, fictie moet juist door de werkelijkheid heen beuken op de meest magnifieke wijze!' Ik moet met jouw regels meedoen, met de regels van jouw wereld in dat specifieke verhaal.
Er zijn zoveel manieren om op de tijd te reflecteren. En één manier, een hele belangrijke manier, is Het Verhaal – hier kom ik zo nog op terug. Eerst dit: ik ben gewoon een schijterd, die zich aan feiten en beelden en video's en cijfers en data vastklampt, die gezeur aan het hoofd krijgt: 'Waar is de verteller in jouw verhaal, waar is de 'ik' in deze werkelijkheid? In dit non-fictie verhaal?' Ik schipper de hele tijd heen en weer tussen mijn 'ik' en die data. Ik ben die 'ik' overigens niet altijd. De ik is een camera, een lens. Meer niet, naar mijn mening. Het is een luikje dat je naar binnen laat kijken.
Die 'ik' is een constructie, een middel waar mensen zich als een gek aan klampen uit paniek, uit angst voor verlorenheid die anders in zal treden. Hoe moet je je bewegen door beelden als je niet geleid wordt – maar zijn die beelden niet de wereld, zijn die beelden niet de werkelijkheid of een reflectie daarvan? Die 'ik' zou een oog moeten mogen zijn. Die 'ik' zou een pols van een vrachtwagenchauffeur moeten kunnen zijn. Simpelweg een andere blik die zich beweegt door een werkelijke wereld, door een waarheid die alleen vanwege de beelden al interessant is. Dus nee, dat maakt het niet mijn verhaal over de post-Sovjetgeneratie, maar net zoals jouw oog en jouw pols het verhaal drijvende/stuwen tot wat het is – een fucking achtbaanrit die te gek is en me verbaast en achterover blaast – denk ik dat ik dit mag zijn: 'Iemand die zich vanbinnen anders voelt dan dat hij of zij er vanbuiten uitziet, moet het recht hebben om ook die binnenkant te mogen uiten.' En daarom mag ik hierover schrijven.
Want wat ik vergeet te zeggen, en waar het denk ik tussen jou en mij ook steeds over gaat, is: mensen, lees gewoon het verhaal. Het gaat om het verhaal. Een goed verhaal. Een verhaal waarvan jij en ik denken: ja, ik denk dat ik dit wil vertellen. Nee, ik voel de drang om dit te vertellen. Niet eens vanuit politieke urgentie of reflectieve drang, niet eens vanuit het experiment, niet eens vanuit het 'ik ben schrijver, kijk mij eens schrijven dan'. Nee. Gewoon omdat het verhaal in ons hoofd woont en naar buiten moet.
We hebben elkaar nu die vragen gesteld, de standaard vragen die interviewers ons in de toekomst zullen stellen – als die toekomst voor ons bestemd is, ik hoop het – die lezers zullen hebben, die onze moeders stellen. En wij moeten dan soms ook zeggen: het gaat om het verhaal. Stop met het bevragen van de werkelijkheid van dit verhaal, stel via dit verhaal – via onze verhalen, onze chapbooks – vragen aan de werkelijkheid. Bevraag de waarheid, neem positie in, kijk verder, durf te uiten wie je vanbinnen bent, hoe je je daar voelt, hoe iets überhaupt voelt, hoe de werkelijkheid voelt, hoe je gelooft in magisch realisme, hoe dat zich het best de buitenwereld in kan boksen. Met geweld of met glazen ogen of drones of met een horde bezopen Oekraïners of bloemenjurk-baboesjka's met gouden tanden. We hebben alle recht om deze verhalen zo te schrijven. Het zijn verrekijkers, onze chapbooks. Als je goed oplet, zijn het verrekijkers.
Liefs.
PS Blijf dichten. Want ik houd van je poëzie. Dat weet je, denk ik, maar wist je het niet, dan is dat nu in de wereld. Je beelden ontwrichten mijn denken. En dat is dan weer wat het verhaal doet. Dat zou in alle kunst moeten gebeuren.