Melden bij de receptie, alstublieft
Vandaag schrijf ik dikgedrukt omdat ik gehoord wil worden.
Ik kom binnen in het gebouw waar de re-integratie medewerkers zitten. Dat het een paar honderd meter van mijn oude werkplek is, daar hoor je mij niet over. De deuren gaan open. Er staat een groot bord voor mijn deur: “Melden bij de receptie.” Maar daar is niemand. Dus roep ik hard: “Hallo”. Er wordt niet gereageerd dus ik ga zitten in het zitje.
In de kamer ernaast hoor ik mijn re- integratie specialist praten met haar collega. Ze praten over een cliënt met naam en toenaam. En ja, ik moet me nu tegenhouden haar naar naam uit protest te gaan publiceren. Ze vertellen hoe chaotisch deze cliënt is en dat ze meerdere keren op een dag belt. Dat ze niet zomaar hun telefoonnummer aan haar moeten geven. Dat ze ’s-avonds en in het weekend maar een ander nummer moet bellen. Dan gaat de telefoon op de receptie. Hij belt lang en hard en langzaam komt een medewerker uit het kantoor, kijkt mij aan en zegt tegen haar collega: “O, ik denk dat er hier een cliënt voor je is.”
Ik loop het kantoor binnen en het eerste wat ik zeg is dat ik alles kon horen. “Ja, ik had niet door dat je er was”, zegt ze. Geen sorry, geen excuus. Geen vraag of ik haar gegevens wil wissen in mijn hoofd. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat je gegevens open en bloot door de ruimte zweven. “Lekker begin”, denk ik.
Ze vertelt dat ze vanochtend een keukentafel gesprek heeft gehad met een gemeente. Ze vertelt me dat ik binnenkort ook een keukentafel gesprek ga krijgen. Met zulke dingen kun je mij dus op de kast jagen. Gesprekken over uitkeringen, indicaties en subsidies.
“Hoezo krijg ik een keukentafel gesprek dan?”, vraag ik. Ja, dat is voor de WMO zegt ze. Ik zucht diep. Ik vertel haar dat ik niet in de WMO zit. Dat mijn moeder recent nog is geweest bij de uitkeringsinstantie en dat ik op basis van mijn diagnoses alle ruimte krijg om te herstellen.
Mijn re-integratie specialist zit zo in de angst. Ze weet niet waar ze over praat en zaait steeds onrust bij mij. Voor de miljoenste keer vraagt ze hoe mijn weekprogramma eruit ziet. Ze biedt aan om met me mee boodschappen te doen, maar, ja hoor hier komt er weer een: ze weet niet hoe het met de indicaties zit.
Ik leg haar uit dat ik iemand nodig heb met een groot hart, die mij kan weerspiegelen dat ik niet bang hoef te zijn. Never no way dat ik met haar boodschappen ga doen. Ik speel verder het spelletje mee, ze maakt een lijstje van zaken waar ik dit jaar aan wil werken. We zetten het op volgorde en de tijd is weer om. Over een maand ga ik er weer naartoe.
Ik ga dit melden bij mijn behandelaar. Ik ben het zat om als speelbal gebruikt te worden en begeleid te worden door mensen die mij niet kunnen inschatten. Ik heb werkelijk niks aan onze gesprekken behalve dan dat ik leer steeds beter voor mezelf op te komen en mijn grenzen aan te geven.
Maar als full time gekkie moet je wel heel stevig in je schoenen staan wil je je staande kunnen houden in het zorglandschap. Voordat je het weet zit je in een separeer cel.