Hieronder is het kleine vertelseltje weergegeven over het meneertje dat zoveel smurrie op zijn tere schoudertjes kreeg, dat niet enkel dragen, maar ook verdragen pijnlijk sneed in zijn botten. Niet het soort botten waar mijn noorderburen laarzen plegen tegen te zeggen, levend in de gedachte hier correct mee te zijn, toch wetend slechts een deel van de bevolking te dienen. Die wetenschap indachte, een woord dat niet blijkt te bestaan om wat ik het gebruik, leidt verder het verhaaltje in.
Alle gebeurtenissen en personen, gelijkend op bestaande feiten, berusten op louter toeval.
Menend dat de verteller steeds in de spiegel van de waarheid kijkt, beginnen we bij het eerste deel, beter bekend als het begin, de inleiding of er was eens. Zo ook hier: Er was eens een man en een vrouw. Ze leefden sinds enige tijd samen, zonder enige vorm van contract, dus op vrije basis. Een goede verstandhouding was meer waard dan een vodje papier, ziet u.
Nu gebeurde het op een dag dat de man voor zaken, het werk, paperassen en dergelijke naar het buitenland moest, meer bepaald; naar Duitsland. Zo'n verplicht reisje was natuurlijk geen 24 uur op een dag werken, en dus ook hij trok wel eens een Duits stadje in, en leerde er de taal van de plaatselijke bevolking.
Met 'de taal' wordt niets anders bedoeld dan de taal, hier het Duits. Hij zag hoe zijn collega heren elke avond de bloemetjes buiten zetten, figuurlijk bedoeld. Met een knipoog dus, maar dat had u misschien door. Toch voelde meneer zich niet geroepen zich bij het gevoeg aan te sluiten, en trouwe hond die hij was, bleef hij in zijn kennel en jankte noch blafte daar om.
Toen de man huiswaarts keerde, braaf als hij was geweest, stond de vrouw hem op te wachten. Nog voor hij ook maar één woord zei, keek ze hem eerst achterdochtig aan, waarna ze hem aan een kruisverhoor, jammer genoeg ook figuurlijk, onderwierp. De man werd gedegradeerd tot een meneertje, hij was niets, hoe kon hij dit ontkennen? De vrouw geloofde haar wederhelft niet, maar na gedaan te hebben waarop elke matroos recht op heeft na vier maanden volle zee, keerde de rust terug.
Sporadisch, meer dan het meneertje wenste, zweepte de vrouw met dat thema, te pas en te onpas wijzend en beukend op het schuldgevoel van de man die hij was geweest. Dan kwam ze aandraven met insinuaties of meende ze ten stelligste - niet slettigste - dat meneer wel de meneer moest uitgehangen hebben, daar in het land waar het bier tot bij meneer zelf komt, u gebracht door wezens die hier niet dartelen, gedijen of aarden.
Achttien maanden later, dus twee volle drachten van het vrouwmens, moest de vrouw des huizes op zo'n verplicht reisje, 't is echt waar en heus. De man zelf maakte zich langs geen kanten en hoekjes zorgen omdat zijn idealen en ideologie steeds in zijn portefeuille zaten. Bij de hand dus. Maar laat het net die hand zijn, die geen leiding gaf en niet ingreep als het nodig was.
En het was nodig, of toch nodig geweest: het vrouwtje van haar kant, had zich op haar reisje niet al te keurig gedragen, en de taal van de inboorlingen geleerd. Ze papte aan met de uitheemse meneertjes en maakte hen eigen, of dat dacht ze. Volgens de wetten van de natuur werd zij eigen gemaakt, verknecht.
Het meneertje van weleer merkte dit op en vroeg wat er aan de hand was. Het vrouwtje probeerde nog een reddingsoperatie, maar de spreekwoordelijke haar zat in de spreekwoordelijke boter. De wederhelften verwerden helften en elk groeide zich een nieuwe helft aan. Een mouw spelden.
En ze leefden nog lang en gelukkig.