Een voorstel voor het nieuwe Spuiforum/Spuikwartier
Brief aan J. Wijsmuller, wethouder van Stadsontwikkeling, Wonen, Duurzaamheid en Cultuur Gemeente Den Haag
Beste heer Wijsmuller, wethouder van Stadsontwikkeling, Wonen, Duurzaamheid en Cultuur,
College van Bestuur gemeente Den Haag,
Medewerkers Dienst Stedelijke Ontwikkeling,
Als jonge Haags architect en historicus, geïnteresseerd geraakt in de casus van het Spuikwartier door het schrijven van mijn afstudeerscriptie aan de VU Amsterdam over dit gebied, wil ik bij deze mijn engagement en bezorgdheid uiten over de ambities van het geplande aanbestedingsproces voor de herinrichting van het Spuikwartier, door het versturen van een kort maar bondig adviesdocument.
In de hierop volgende uiteenzetting, probeer ik, vertrekkende vanuit een analyse van de historische ontwikkeling van het gebied, een oplossing aan te dragen, die als leidraad dienen kan voor het opstellen van een ruimtelijk kader ten behoeve van het DBMFO-aanbestedingstraject.
Vanuit een stedenbouwkundig en historisch perspectief kan het Spuikwartier worden getypeerd op twee verschillende manieren.
De eerste typering is redelijk voor de hand liggend en algemeen bekend. Door zijn uitzonderlijke positie in de stad, zijn afgetekende schaalvergroting en harde infrastructurele begrenzingen, kan het gebied getypeerd worden als een 'eiland', fysiek en gevoelsmatig gedetacheerd van zijn directe stedelijke omgeving.
De tweede typering komt pas naar voren als men een analyse maakt van de transformatie van het gebied in de afgelopen 40 jaar. Het veelvoud van transformaties dat het gebied heeft ondergaan, zorgt ervoor dat we het kunnen typeren als een soort lappendeken of lapjesjas, een gebruiksvoorwerp dat is samengesteld uit verschillende lapjes in de meeste uiteenlopende kleuren en afmetingen.
Het Spuikwartier is een vergelijkbaar 'aaneengroeisel' van gebouwen die los van elkaar zijn ontwikkeld. Het zijn gebouwen die een representatie zijn van de opvattingen over architectuur en stedenbouw in hun eigen tijd, een karakterisering van toen geldende overtuigingen.
Dit hoeft niet meteen een probleem te zijn, deze diversiteit kan zelfs gezien worden als een kwaliteit. Elke periode heeft pareltjes van moderne architectuur voortgebracht en daar staat het Spuikwartier zonder twijfel vol van. Het probleem is echter dat deze gebouwen maar nauwelijks op elkaar zijn afgestemd, of dat de toegeëigende publieke ruimtes niet met elkaar zijn verweven.
Voorbeelden hiervan zijn JuBi-torens, waarnaast de theatergebouwen erg klein uitvallen, en waar beide expeditie-(achter)zijdes een erg onaangename open ruimte creëren. Ook is een hoogwaardig en hoogstedelijk bouwblok als de Resident van R. Krier, nauwelijks afgestemd op het stedelijk weefsel van omliggende straten, waardoor een afgelegen en bijna semi-collectief gebied is ontstaan.
De initiële blauwdruk van het gebied, het plan Weeber uit 1977, tekent zich nog steeds duidelijk af. Echter bepaalde deze 'tekening' enkel de footprint, en nauwelijks of niet de hoogte van de bouwwerken, de programmering op maaiveldniveau en hoger of de bestemming van de publieke ruimte.
Als het Spuikwartierde jas is, waarmee Den Haag wil pronken, zich aan haar inwoners en de buitenwereld wil tonen, is deze misschien wel toe aan een grondige onderhoudsbeurt. Dit klinkt heel serieus en ingrijpend, maar niets is minder waar. Den Haag heeft met het Spuikwartier geen geheel nieuwe jas nodig, maar eerder een nieuwe voering, een nieuwe bekleding of stoffering.
Een nieuwe laag moet toegevoegd worden, die deel uitmaakt van een integrale visie-vorming op het gebied, die zich focust op de waarde van de publieke ruimte en het Spuikwartier probeert te verbinden met de omliggende gebieden.
Verscheidene plannen die een eenheid proberen te creëren in de vormgeving van de publieke ruimte, de materialisering ervan en functionele bestemming, zijn reeds gemaakt, en sommige ervan ook deels uitgevoerd. Maar veel verder dan de fysieke aanpassing van bestrating en verlichting is nooit echt gekomen.
De sleutel ligt dan ook niet enkel in het creëren van eenheid in het stadsbeeld, maar vooral in het verbinden van het gebied met het omliggende stedelijke weefsel.
Door het (auto)verkeersvrij maken van grote delen van de hedendaagse binnenstad, gebruiken we de binnenstad namelijk weer zoals deze rond de vorige eeuwwisseling werd gebruikt, namelijk te voet of met de fiets. De meerwaarde hiervan is dat zo de stad op een authentieke manier kan worden beleefd. Men beweegt doorheen de stad zoals vroeger, de wandelaar krijgt de kans om de verschillende tijdslagen die de stad heeft doorgemaakt gewaar te worden, die men vervolgens kan eigen maken en proberen te begrijpen.
Binnen deze gedachte zijn de historisch gegroeide stadsstructuren erg waardevol. Vanuit een cultuurhistorisch oogpunt, maar ook omdat deze structuren 'werken' aangezien ze al langere tijd bestaan en hun dienst ontegenzeggelijk hebben vervuld.
Daarom zou ik het projectgebied niet laten begrenzen door een eenzijdige lijn, maar durven voorop stellen dat het gaat over de verweving van het gebied in het omliggende stedelijke weefsel. Het klinkt als vanzelfsprekend, maar het stellen als uitgangspunt dat de betrekking van het omliggende publieke domein in het plangebied een fundamentele eis is in de toekomstige aanbesteding, is de enige mogelijkheid om de transitie in schaal op een succesvolle manier te volbrengen.
De nodige aandacht moet dan ook geschonken worden aan de 'derde dimensie', de hoogte van de gebouwen. Door de schaalvergroting die zich voordoet in het Spuikwartier, moet een transitie, een zogenaamde schaalsprong, plaatsvinden tussen de kleinschalige (veelal historische) bebouwing van de omliggende wijken en de hoge bebouwing van het Spuikwartier waar enige vorm van menselijke schaal nauwelijks aanwezig is.
De essentie ligt in het (her)implementeren van de menselijke schaal in het stadsbeeld. Dit is geen esthetische kwestie (zoals een voorkeur voor traditionele bouwstijlen), maar gaat over het afstemmen van de publieke ruimte en de publieke zijdes van de gebouwen op de 'gebruiker' (de stedeling), en het creëren van mooie en werkende stedelijke ruimtes. Hoe doe je dat? Hoe maak je een stedelijke ruimte die vertrekt vanuit het bestaande stedelijke weefsel, en probeert, door de verwerking van de menselijke schaal in het plan, een waardevolle stedelijke ruimte te creëren?
Op een schetsmatige manier is de casus van het Spuiplein uitgewerkt op een vergelijkbare wijze.
De oplossing laat een besloten stedelijke ruimte zien, die een resultaat is van een modificatie van de huidige bebouwde ruimte. De langgerekte Turfmarkt komt uit op een besloten (Spui)plein dat een ruimtelijke dialoog aangaat met (de ommuurde tuin van) de Nieuwe Kerk. Ten opzichte van de open en onbestemde ruimte dat het Spuiplein nu is, is het nieuwe Spuiplein een beschutte en sfeervolle plek, met een duidelijke richting en bestemming. Een doorwaadbare plek, een bestrate onderbreking van een groene trambaan, zorgt voor een veilige oversteek van het plein naar de andere kant van het Spui. De theatergebouwen kunnen behouden blijven, maar worden uitgebreid en nemen hierdoor actief deel aan de nieuw gevormde publieke ruimte in de vorm van een moderne colonnade. Het reeds 20 jaar oude stadhuis, kent een eerste renovatie waarbij de ambigue ruimte tussen de ingangen van de bibliotheek en het stadhuis wordt getransformeerd tot een overdekte passage met meerdere winkels.
Ik hoop vanuit persoonlijk perspectief van harte dat u mijn advies in overweging of beraad neemt. Vanuit professioneel perspectief houd ik mij aanbevolen indien u op zoek bent naar iemand die vanuit een adviserende of inspirerende rol enige inhoud en waarde kan toevoegen aan de discussie en het verdere verloop van het project.
Hoogachtend, Philip Mannaerts, architect en Historicus













