Bijna nog mooier dan het vakantiepark zelf vond ik de route er naar toe. Vanaf station Amsterdam Sloterdijk voerde een bus me door een landschap dat me deed denken aan een wereld uit het spel Super Mario 3. Alles was vele malen groter gemaakt in deze omgeving. We reden langs extra large bedrijfsdozen, windmolens die tot in de atmosfeer reikten en omvangrijke verzamelingen olietanks. Tussen deze reuzen ingeklemd lag het dorpje Ruigoord. Het zag er op zich vrij pittoresk uit, maar als ik er zou wonen, droomde ik vast iedere nacht van buitenaardse invasies.
Het meeste plezier beleefde ik aan de namen van de verschillende bushaltes. Of ze nu Kapoeasweg, Dortmuiden of Oceaangroep heetten, alle spraken ze tot mijn verbeelding. Bij een kapoeas stelde ik me een buideldier voor dat vanuit Australië is overgezwommen naar een Indonesisch eiland en daar wordt vereerd als heilig. Dortmuiden leek me een ongelukkige Nederlandse vertaling voor Dortmund (het lag in de buurt van het eveneens wringende Abberdaan).
Oceaangroep vond ik helemaal fantastisch, al was het maar omdat het bedrijf waar de halte naar is vernoemd inmiddels FETIM Group heet. Ook geen verkeerde naam, overigens.
Straatnamen in haven- en industriegebieden hebben mij sowieso altijd gefascineerd. Seendweg, Neonstraat, Trawlerkade, het is alsof de straatnamencommissie het unheimische karakter van dit soort plekken nog eens wilde versterken. Hoe kom je eigenlijk in zo’n commissie?
De halte waar ik uitstapte, Droompark Buitenhuizen, was geen populaire bestemming. De chauffeur reed er zelfs een keer aan voorbij, hoewel ik ruim van tevoren op de knop had gedrukt. De andere reizigers keken me vaak aan van: wat heb je hier in hemelsnaam te zoeken?
Tja, ik kon me laten platrijden op de snelweg die ik moest oversteken, een balletje slaan op de grote golfbaan die er naast lag of mijn tijdelijke huis opzoeken in het vakantiepark. Ik koos steeds voor het laatste. Even het olifantenpaadje naar het park doorsteken en ik was ‘thuis’.
Eenmaal heb ik de gehele rit uitgezeten. Door een flinke mist kon ik buiten niets zien, maar ik raakte aan de praat met een jonge vrouw die haar hond ging uitlaten op het strand van IJmuiden. Ik vroeg haar van welk merk het dier was. Ondanks zijn gevaarlijk ogende kop, die deed denken aan een bullterriër, gedroeg hij zich als de vleesgeworden goedheid. Zo’n hond kende ik nog niet.
“Het is een kruising tussen een stafford en een bordercollie”, antwoordde de bazin, “Benta heet ze. Echt zo lief, ik wil nooit meer een ander type.”
Benta keek verrast op toen ik haar naam noemde. Een aai liet ze zich welgevallen.
“Je moet haar eens meemaken als ze langs het water rent. Ze gaat compleet uit haar dak.”
“Zal ik met jullie meelopen anders? Je ziet verder toch geen hand voor ogen.”
“Als je in bent voor een wandeling van drie uur, vind ik dat goed.”
Ik heb ze de volgende dag weer uitgezwaaid bij de halte van het vakantiepark.