Ik wil niet het achterste van mijn tong laten zien, want ik wil je niet afschrikken en ik wil je ook niet in mijn kaarten laten kijken, maar ik ben echt langzaam aan op je aan het vallen.
‘’I fell in love the way you fall asleep: slowly, and then all at once’’
Ik weet niet waarom precies, het is misschien iets chemisch, of gewoon iets dierlijks. Soms denk ik; waarom hij? Met je stomme grapjes en je droge manier van communiceren. Maar soms denk ik dat ik door al je lagen heen kan kijken en je precies kan zien voor wat je bent. Je bent goed van binnen, de belichaming van een man, in al zijn stereotypische kracht maar ook kwetsbaarheid. Ik hou van de manier waarop je droomt en als je praat over je verleden en waar je vandaan komt moet ik mezelf bedwingen om niet of in huilen uit te barsten of in mijn handen te klappen van enthousiasme, of gewoon pure emotie. Ik hou er van hoe je mond krult als je nadenkt als ik je weer een rare vraag stel. En ik hou er van hoe je je tijd neemt voordat je praat. Alsof je je woorden wilt laten chambreren in je mond, ze kritisch beoordeelt voordat je ze waardig acht om naar buiten te komen.
Soms voelt het alsof ik een klap in mijn gezicht krijg als ik naar je kijk wanneer je naakt in mijn bed zit, te wachten tot ik bij je kom, je gezicht ontspannen en je armen uitgestrekt, in je eigen wereld; puurder kan het niet.
Misschien is dat het: dat ik je kan zien in je puurheid, wanneer we ons hebben ontdaan van onze kleding en we samen bewegen alsof we gedichten schrijven, overspoeld van emotie, met onze lichamen in het luchtledige. Het is het op en neer gaan van onze borstkassen door onze gejaagde ademhaling van inspanning en concentratie - alsof onze levens afhangen van deze daad - en hoe we steeds weer samenkomen na het onvermijdelijke uit elkaar gaan. Daarin vind ik jou. In volle overgave; puurder en echter dan ik ooit iemand heb gezien.















