2/5/2013: Geen dagboekaantekening.
Het is nu voorbij. Het is 3 februari 2014 en het is geloof ik werkelijk voorbij.
Het eerste wat ik schreef na m'n dagboek van deze reis, was in Australië, toen ik al werk had gevonden. Dat was weken later. De laatste 72 kilometer had ik door de nacht gelopen, van Riverton naar Invercargill. Ik kon niet stoppen, ik moest door. Over het asfalt kwam ik om één uur aan in Invercargill waar Martin in een hostel sliep. De nacht bracht ik door op een bankje in een park. M'n voeten deden zelden meer pijn dan toen.
In de ochtend ontmoette ik Martin weer. We waren beiden blij elkaar te zien. We hebben ontbeten en we vertrokken naar Bluff. Het zijn de lelijkste en de mooiste kilometers. Het gaat allemaal over een provinciale weg. Er is niets aan. Je ziet Bluff al heel lang liggen en je ziet hoe de weg er eerst nog van wegdraait. M'n voeten heb ik zelden zo kapot gelopen. Ik weet niet of ik alles had gelopen als ik alleen was geweest die dag. Ik weet wel dat de voldoening van iets afmaken nog nooit zo groot had gevoeld.
Dit was waar we twee en halve maand naar onderweg zijn geweest, zeiden we soms. Maar dat is niet waar. We waren nergens naar onderweg. De drang om van noord naar zuid te lopen was niets anders dan iets om je aan vast te houden. Iets dat me een richtlijn gaf, een doel. De werkelijk reis zit hem uiteraard in het verplaatsen, in het zelden langer dan één dag op een plek zijn, in de mensen die je onderweg ontmoet, maar veelal gaat het om de reis die je in jezelf maakt, hoe cliché dit ook klinkt. Cliché's zijn nare dingen omdat ze waar zijn.
Als mensen me vragen waarom en hoe, dan vind ik het lastig het ze uit te leggen. Ik weet eigenlijk niet zo goed wat mensen willen horen als ze er naar vragen. Ik weet niet wat ik wil vertellen want het is nog altijd te groot om te vertellen. Ik weet niet wat ik heb proberen te zeggen met dit alles wat ik op heb geschreven. Met alle woorden die ik (bijna) letterlijk uit m'n dagboek overnam.
Zie, het aankomen op een plek heeft me nooit gelukkig gemaakt. Aankomen in Istanbul was niet fijn, aankomen in Nieuw-Zeeland was niet fijn. Ik ben het gelukkigst in een permanente staat van onderweg zijn. Geen einde willen bereiken maar dit einde wel in je hoofd houden zodat je weet welke richting je op moet gaan. Maar er nooit komen. Altijd vlak voor je iets bereikt zeggen: stop, dit is niet het einde, kijk maar, daar, daar verder, daar ligt nog een einde, dus dit einde bestaat niet.
Ik heb mezelf vaak afgevraagd of ik hierna nog gelukkiger was dan toen. Als ik teruglees wat ik geschreven heb, dan denk ik niet dat ik gelukkig was toen ik hier aan het lopen was. Als ik terugdenk, zie ik mezelf vaak gelukkig voor me. Het is waar, het heeft bepaald waar m'n volgende reis heengaat. Over minder dan twee maanden vertrek ik naar Israël om 1000 kilometer te lopen.
Alleen zijn. We zijn te weinig alleen. Ik zou meer alleen moeten zijn.














