Daklozen, zwerfkinderen, (gehandicapte) bedelaars: van jongs af aan is het hun kwetsbaarheid die me raakt als ze mijn pad kruisen. En van jongs af aan werd me afgeraden (ouders, vrienden, geliefden) ze iets te geven om verschillende redenen.
Omdat je hen daarmee structureel in levensonderhoud voorziet en daardoor bedelen in de hand werkt.
Omdat kinderen, zoals onlangs nog in India waar mijn geliefde correspondent is, recht hebben op gratis onderwijs en je het systeem door geld te geven in stand houdt: ouders die hun kinderen laten bedelen in plaats van ze naar school te sturen (voor dit argument valt veel te zeggen. Maar wat als de overheid van een land niet voorziet in een sociaal zekerheidsstelsel, ouders om gezondheidsredenen niet in staat zijn om te werken en niet kunnen terugvallen op familie?).
Omdat ze echt geen eten kopen van het geld dat ze vragen, maar drank of drugs.
Omdat het makkelijk geld binnenhalen is.
Omdat ze maar moeten werken voor hun geld.
Het laatste argument hield ik aan als principe sinds ik zelf werk. Al speel je blokfluit zo vals als MainStreet zong bij Giel Beelen, al verkoop je me pakjes kauwgom die drie maal goedkoper zijn bij de Albert Heijn, al maak je mijn autoruit eerder smeriger dan schoner met je zeem bij het stoplicht: het principe dat iemand bereid is iets te doen voor geld, vind ik een principe dat ik voor mezelf kan rechtvaardigen.
Onlangs ben ik van dat principe afgestapt.
Samen met twee vrienden was ik onderweg van station Amsterdam Bijlmer Arena naar de bioscoop. Er liep een man in onze richting. Hij zag er wat sjofel uit, maar niet als een doorsnee dakloze, voor zover die al bestaat. Hij vroeg ons beleefd: ‘Kan één van u misschien een muntje missen zodat ik een broodje …’ ‘Nee, nee’ antwoordde één van mijn vrienden en we liepen door.
Ik stond even stil.
Het wrong.
‘Wacht even jongens.’
Ik haalde mijn portemonnee tevoorschijn en liep terug, waarop mijn vrienden riepen: ‘Nee, Annette. Niet doen! Hij koopt daar écht geen brood van!’
Ik gaf de man twee euro. Hij keek me enigszins verbaasd aan, waarna hij me uitvoerig bedankte.
Eenmaal thuis, dacht ik na over mijn daad. Waarom was ik van mijn principe afgestapt? Zou ik me vervelend voelen als hij me niet uitvoerig had bedankt? Zou ik hetzelfde hebben gedaan als hij er minder sympathiek of ronduit smoezelig uit had gezien? Zou ik niets hebben gegeven als hij had gezegd er alcohol of drugs van te willen kopen? Of als ik zou zien dat hij er iets anders van zou kopen dan een broodje? Was het om mijn eigen geweten te sussen? Over de laatste vijf vragen kan ik kort zijn: nee.
Was zijn honger naar alcohol of wat voor genotsmiddel dan ook, groter dan naar een broodje? Prima. Ik gaf hem geld. En vanaf dat moment is het zijn eigendom en mag hij ermee doen wat hij wil. Bovendien snap ik best dat drank of drugs een uitvlucht zijn om een miserabel leven te doen vergeten. Dat ik hem faciliteer met mijn bijdrage betekent niet dat ik verantwoordelijk ben voor zijn gezondheid. Dat is hij zelf. Maar ik had geen enkele reden om niet te geloven dat hij er een broodje van wilde kopen.
Natuurlijk, er zijn uitzonderingen. Hufters, die honden misbruiken voor eigen gewin door ze kalmeringsmiddelen toe te dienen. Zodat het lijkt alsof het dier ogenschijnlijk liefdevol in hun armen ligt te slapen om medelijden of sympathie op te wekken. Of notoire bedriegers die treinreizigers geld aftroggelen voor de ‘terugreis naar Amsterdam’, terwijl ik ze als forens dag in dag uit dezelfde truc zie uithalen.
Ik dacht terug aan het winternummer van De Groene Amsterdammer, dat als thema Naastenliefde heeft. Daarin las ik iets schokkends: een onderzoek van de Leidse neurowetenschapper Lasana Harris wees uit dat daklozen als een extreme outgroup worden gezien door de proefpersonen:
“Mensen die je absoluut niet als gelijken ziet. Ons brein is prima in staat om lief te zijn voor mensen uit de eigen ingroup, want wat zij meemaken wordt in ons hoofd automatisch gespiegeld. Maar mensen uit een andere klasse worden gedehumaniseerd – we zien ze niet langer als mens, laat staan als mens met gedachten en emoties.”
Ik was uit het lood geslagen. Goddank zijn er uitzonderingen waarbij de medial prefrontal cortex anders werkt. Maar het verklaarde ook waarom er zoiets bestaat als het kastenstelsel in India.
Maar waarom gaf ik de man geld terwijl ik op dat moment met mijn principe brak? Het themanummer over Naastenliefde had zijn werk gedaan. Daarnaast: hij vroeg het beleefd. Hij koppelde geen waarde aan wat hij hoopte te ontvangen. Hij vroeg om een muntje. Dus een stuiver had ook volstaan.
Ik ging voor zijn fatsoen. En hoe erg is het eigenlijk om iemand die beleefd een vraag stelt, iets te geven waarvan ik denk dat hij of zij het nodig heeft om in zijn levensonderhoud of -geluk te voorzien? Bovendien: ik kan het missen en eet er geen broodje minder om. Niet alle principes zijn een leven lang houdbaar. Sommige principes zijn er om ze van tijd tot tijd te wegen. En te herzien.