Niet sollen met #Bouwkeet #Brenda #poëzie #krantencollage #handarbeid

gracie abrams

oozey mess
official daine visual archive

Product Placement
Keni
occasionally subtle

Jar Jar Binks Fan Club
Cosmic Funnies
cherry valley forever
Cookie Run:Kingdom Official!
TMBGareOK. The Official They Might Be Giants tumblr
★

PR's Tumblrdome
"I'm Dorothy Gale from Kansas"

if i look back, i am lost

Origami Around
taylor price
Interview Vampire Daily
art blog(derogatory)

@theartofmadeline
seen from Spain

seen from United States
seen from Morocco
seen from Bangladesh

seen from Germany
seen from Morocco

seen from Brazil

seen from Switzerland
seen from South Korea
seen from United States
seen from Malaysia

seen from India

seen from Nepal
seen from Israel
seen from Belgium

seen from Ukraine

seen from Belgium

seen from Malaysia

seen from United Kingdom

seen from Malaysia
@maartjansen-blog
Niet sollen met #Bouwkeet #Brenda #poëzie #krantencollage #handarbeid
Dag. Mijn naam is Maarten Jansen en ik maak collages van kranten. De regels: één krant per gedicht,...
Op deze blog plaats ik nagenoeg niets meer. Je moet dáár zijn. Op Krantencollages, dus. Adieu!
28-2&1-3-2015
26-02-2015
Leren vallen
De zekering is los geraakt en ik stort naar beneden. Het is een schone val; ik stoot mij nergens aan en val recht door het midden. Ik zal geheel gaaf en ongeschramd de bodem raken. Op de begrafenis zullen ze tegen elkaar zeggen: “Denk je dat hij tijdens het vallen tijd genoeg had om te beseffen dat hij dood zou gaan?” En dan zullen ze antwoorden: “Nee joh, hij had nog geen vijf, zes seconden - nauwelijks genoeg tijd om te schrikken. Hij was in één slag dood: geen lijden, geen pijn.” “Een schone dood,” zullen ze zeggen. Ze zullen het mis hebben. Vijf seconden zijn afdoende. Gedachten duren zo lang of zo kort als je ze denken kan, en als je alle nodige gedachten al eens hebt bedacht, kan je ze zó als een versnelde film voor je afspelen en toch alles even goed begrijpen, precies zoals een snellezer die aan één enkele ritsel van een boek genoeg heeft. Het cliché is dat heel je leven aan je voorbij ziet komen vlak voor je dood, inderdaad net als een film. Maar ik zie heel wat anders op mijn gedachtedoek. Ik zie judo. Onze ouders zeiden ons later allemaal dat ze ons op judo hadden gedaan opdat we goed zouden leren vallen - van de fiets, bijvoorbeeld - maar daar wisten wij niets van. Wij kwamen gewoon een beetje ravotten op een vloerbedekking die je geen pijn deed als je er op neer smakte. Toen mijn moeder mij eens vroeg wat voor vloerbedekking ik op mijn kamer wou - zeil of tapijt - zei ik: judomat, en ik meende het. Ik had een oranje band met twee groene slippen en mocht die aan de kapstok hangen, opdat een ieder die bij ons op bezoek kwam gelijk kon zien dat hier een gediplomeerde judoka woonde. Zo verzot was ik er op. Maar dat veranderde allemaal na mijn eerste judotoernooi, waar ik een-na-laatste werd. Mijn judomaatje, waar ik iedere week mee naar judo fietste, werd derde. De beker staat nog altijd trots bij zijn moeder op de vensterbank; het is het enige, overigens, dat daar staat, naast de cactussen.
Op dat toernooi besefte ik mij voor de eerste keer dat ik ergens niet goed in was. En dat verpeste alles. Voorheen waren we gewoon een stel jochies die onbekommerd wat aan het stoeien waren; nu waren we opeens een klas geworden, waarin sommigen beter waren dan anderen. En ik was de een-na-slechtste. De lol was er bij mij in één klap op de mat vanaf. Vlak voor de laatste les vroeg ik aan meester Bakker: “Is het waar dat je bij judo leert vallen?” “Leren vallen?” blafte hij resoluut. “Wat een onzin, knul! Er is maar één reden waarom je zou leren vallen.” “En wat is dat?” “Zodat je weer op kan staan.” Meester Bakker had het mis. Het enige wat ik nu nog van al dat judoën weet, is het vallen. Alle houdgrepen en worpen ben ik allang weer vergeten. Maar dat vallen, op je rechtershouder, vlakte van de hand naar beneden, dat gaat nooit meer uit je lichaam. Ik heb nog nooit iets anders gebroken dan mijn rechterarm en doe nog steeds iedere keer een judorol in plaats van een koprol; over mijn schouder in plaats van over mijn hoofd. Dat doet veel minder pijn. Zou dit het hiernamaals zijn? Dit hypersnelle denken vóór de dood, deze vijf seconden die een eeuwigheid lijken te duren? Nee. Want ik zie de grond naderen. Tijdens het klimmen keek ik niet naar beneden, maar enkel naar de naderende top boven; nu kijk ik nergens anders meer naar. Leren vallen is leren opstaan, zei meester Bakker. Alleen deze keer niet. Had hij mij maar geleerd hoe ik moest vallen zonder op te staan; had hij mij maar over deze laatste val geleerd. Als je de match opgeeft, dan tik je twee keer met de vlakke hand op de mat, maar dat kan alleen maar als je al op de grond ligt. Ippon.
Lente en Herfst
Lang, lang geleden, toen toverwezens nog samen met de mensen leefden, was er een prachtig bos. In dit bos stonden twee kastelen: een van de mensenkoning en een van de twee vorsten die over de seizoenen heersten. Deze vorsten wisselde elkaar elk halfjaar af. De ene vorst heette vrouwe Lente en regeerde in het voorjaar; de ander heette heer Herfst en regeerde in het najaar. Er waren toen nog maar twee seizoenen en niet vier zoals nu. Dit is het verhaal van hoe de twee andere seizoenen – winter en zomer – zijn ontstaan. Vrouwe Lente was in het bos zeer geliefd. Wanneer zij regeerde, bloeiden er overal geurige bloemen en zag het gehele bos groen. Maar heer Herfst werd gevreesd en gehaat. Want wanneer hij regeerde, deed hij al vrouwe Lente haar bloemen verwelken en kleurde hij het gehele bos rood, tot de bladeren van de bomen vielen. Wanneer vrouwe Lente de macht overnam, vierden de mensen en dieren feest; ze speelden buiten tussen de bloemen en genoten van de mooie kleuren en geuren. Maar wanneer heer Herfst regeerde, ging iedereen weer zijn huis of holletje in en wachtte in angst de terugkeer van Lente af. De prinses van het mensenkasteel zou het komende voorjaar de huwelijksgerechtigde leeftijd bereiken en zou bij de terugkeer van de Lente gaan trouwen. Heel het bos keek hierdoor meer dan ooit naar het voorjaar uit, want een koninklijke bruiloft ging altijd gepaard met veel vreugde en feest. Maar toen het tijd werd voor heer Herfst om af te treden en plaats te maken voor vrouwe Lente bleef het voorjaar op zich wachten en duurde het najaar voort. Zonder vrouwe Lente kwamen er geen nieuwe vruchten aan de bomen en struiken, en al gauw leden de bewoners van het bos verschrikkelijk honger. De koning stuurde zijn ridders naar het seizoenspaleis om te onderzoeken wat er met de Lente gebeurd was. Eenmaal daar troffen zij niet vrouwe Lente, maar heer Herfst op de troon aan. Hij had de mantel en de scepter van vrouwe Lente gestolen en haar in de kerker van het seizoenspaleis opgesloten. Heer Herfst bleek te machtig te zijn voor de ridders van de koning: zij konden hem niet verslaan en reden zonder vrouwe Lente bevrijdt te hebben weer terug. De koning verklaarde dat de ridder die dapper genoeg was om de tirannieke heer Herfst te verslaan en de onschuldige vrouwe Lente kon bevrijden, de hand van zijn dochter zou winnen. De prinses stond bekend om haar wonderbaarlijke schoonheid en alle ridders vanuit het gehele land kwamen dan ook toegetreden om de boze Herfst te verslaan en zo de hand van de prinses te winnen. Maar heer Herst bleek te machtig voor zelfs de dapperste ridders van het land en ze keerden dan ook allemaal stuk voor stuk verslagen terug, waardoor het najaar maar voort bleef duren en het voorjaar nooit kwam. Toen alle dapperste ridders het reeds geprobeerd hadden, bleef er alleen nog maar één over: een laffe en schuchtere prins van een klein eilandje in de hoek van het koninkrijk. Hoewel niemand dacht dat deze bange ridder een kans maakte, werd hij toch maar op pad gestuurd om tegen heer Herfst te strijden, omdat er niemand anders meer over was. Maar toen deze bange ridder voor de troonzaal van heer Herfst stond, durfde hij niet naar binnen en verstopte zich ergens achter de gordijnen. Daar wachtte hij net zo lang tot heer Herfst naar buiten kwam, zodat hij deze stilletjes kon achtervolgen en zijn kans af kon wachten. De bange ridder volgde heer Herfst helemaal naar een open plek in het bos, waar hij heel iets opmerkelijks zag. Heer Herfst probeerde met de scepter van vrouwe Lente de bladeren weer groen te toveren; maar iedere keer dat hij een rood blad aanraakte, dwarrelde deze verdord naar beneden. 'Ach en wee,' klaagde heer Herfst, 'arme, arme ik! Kon ik maar, net als vrouwe Lente, de bladeren groen maken. Misschien zouden de mensen mij dan niet langer schuwen; want waar ik kom, huilen en rouwen zij om haar, terwijl ze, als zij komt, lachen en feest vieren. Ik wou dat er tenminste één iemand blij was met mijn komst; dat ik mijn paleis open kon doen en de mensen met vreugde, in plaats van haat op audiëntie zouden komen. Want wanneer de mensen mijn troonzaal betreden, is dat alleen maar om mij te doden; terwijl ze voor vrouw Lente vreugdevol dansen. Och arme, arme ik; was er maar één iemand die blij met mij was...' Toen heer Herfst aldus zijn wrange lot berouwde, sloop de laffe ridder naar hem toe en hakte in één haal zijn hoofd eraf. Verheugd dat hij heer Herfst had verslagen snelde hij naar het seizoenspaleis toe om vrouwe Lente te bevrijden en het voorjaar in te luiden. Maar eenmaal daar trof hij vrouwe Lente niet verheugd, maar bedroefd aan. 'O dappere rider, wat heb je gedaan?' zei ze treurig. 'Nu heer Herfst dood is, zal het najaar nooit meer komen en zal het voorjaar eindeloos voortduren... Ach en wee!' De laffe ridder zag, evenmin als de rest van het bos, het probleem hiervan niet zo in: hem leek een eeuwig durend voorjaar wel een plezant vooruitzicht. En toen de laffe ridder het afgehakte hoofd van heer Herfst aan de koning toonde, werd dit dan ook uitbundig gevierd. De prins en prinses trouwden met een riant feestmaal van de vruchten die vrouwe Lente leverde, en overal was het feest. Alleen de prinses had zo haar bedenkingen: zij had het rood van het najaar altijd wel mooi gevonden, en vond het jammer dat ze dat nu nooit meer zou zien. Tegen de tijd dat het najaar eigenlijk had moeten beginnen, raakten de bomen leeg en verloren de bloemen hun geur. Wederom keerde de honger terug in het bos; ditmaal niet omdat de struiken en bomen dood waren, maar omdat ze te oud waren om nog langer vruchten te dragen. De koning en zijn ridders waren ten einde raad. Ze begrepen maar niet hoe het mogelijk was dat de bomen en struiken geen vruchten meer droegen. Vrouwe Lente was toch bevrijd? De zon scheen nog even mild en de bladeren waren nog even groen. Wat was er mis? Alleen de prinses – die het rood van de bomen juist mistte – dacht dat het misschien aan de dood van heer Herfst zou kunnen liggen. Op een dag reed ze alleen naar de open plek waar haar man ooit heer Herfst had verslagen, en trof daar niet alleen het hoofdloze lijk van Herst, maar ook vrouwe Lente aan. Vrouwe Lente was in de weer met de scepter van heer Herfst, maar slaagde er niet in de bladeren rood te kleuren. 'Ach en wee,' klaagde vrouwe Lente, 'kon ik de bladeren maar rood kleuren en de bloemen doen verwelken! Was jij er nog maar, schone Herfst, want zonder jou kan ik geen nieuw leven doen opbloeien; zonder de dood is er geen geboorte. Arme, arme Herfst! Zo onbegrepen, zo onterecht gevreesd. Zonder jou zullen alle mensen en dieren in het bos omkomen van de honger, zonder ooit te hebben geweten wat voor dank ze aan jou verschuldigd zijn geweest!' Toen de prinses vrouwe Lente zo geriefelijk om heer Herfst zag rouwen, sprongen haar de tranen in de ogen. Ze pakte het hoofdeloze lijk van heer Herfst en drukte het tegen haar borst. 'O, schone Herfst!' weende de prinses aldus. 'Vergeef de ondankbaarheid van ons onwetende stervelingen! Wat hebben wij u een onrecht aangedaan! Hoeveel leed hebben wij u veroorzaakt! Nooit eens lachte wij uw komst toe, nooit vierden wij namens u feest. O, vervloek ons stervelingen, deze honger is waarlijk onze verdiende loon! Ach Herfst, wonderschone Herfst, kon ik maar één keer weer uw rode bladeren zien. De oude bomen zijn moe en kunnen hun groene last niet meer dragen. Blaas nog één keer met uw schrale adem door ons bos heen!' Toen de tranen van de wenende prinses aldus op het lijk van de Herfst plengden, ontsproot er een nieuw hoofd op de kale stomp van zijn nek. 'Wat voor engelachtig geluid hoor ik nu?' zei heer Herfst verheugd. 'Voor wie huilt u deze bittere tranen, schone prinses? Toch niet voor mij? Voor mij, de Herfst, die immer geschimpt en nooit gevierd wordt?' 'O Herfst!' zei de Lente verrukt, 'Je leeft weer!' 'Het is zo,' zei heer Herfst. 'De tranen van de prinses hebben mij weer tot leven gewekt! Zulk een vreugde! Het enige waar ik ooit werkelijk naar heb verlangd, was de dankbaarheid van ten minste één sterveling, en met mijn dood heb ik die verkregen. Lente, in mijn dwaasheid heb ik geprobeerd uw seizoen te usurperen, in de hoop net zo als u gevierd te worden. Maar nu zie ik in dat ik ook om mijn eigen verdiensten geliefd kan zijn. Kunt u het mij ooit vergeven, schone Lente?' 'Ja, Herfst, een duizendmaal ja; ik vergeef het u!' Vrouwe Lente en heer Herfst omhelsden elkaar vurig, en beloofde die dag nog om nooit meer van elkaar te scheiden. Dat najaar trouwden ze, waarna zij om het seizoen op de troon van het seizoenspaleis zaten, met de ander aan hun zijde. Zo kon heer Herfst genieten van de vreugde van het voorjaar en dame Lente van de rust van het najaar. Ze kregen twee kinderen: Zomer en Winter, die elk een helft van de regeerperiode van hun ouders overnamen. Prins Zomer volgde zijn moeder en Prinses Winter volgde haar vader op. Heel het koninkrijk vierde het huwelijk van de seizoenen en hun kinderen. Ze genoten van de felle zon van prins Zomer, speelden plezierig in de sneeuw van prinses Winter en leden nooit meer honger. En, op koninklijk verzoek van de prinses, vierden ze ieder najaar het oogstfeest, ter ere van heer Herfst. Zo komt het dat er nu vier in plaats van twee seizoenen zijn.
Plakken
Joey was een heel eenzaam kind. Zijn ouders waren al vroeg gescheiden en hij bracht de ene helft van de week bij de een, en de andere helft van de week bij de ander door. Maar zowel papa als ook mama hadden maar weinig tijd voor Joey. Hij moest altijd alleen naar huis lopen, waar de sleutel onder de deurmat lag. Hij nam nooit eens een vriendje mee naar huis en ging ook nooit bij iemand anders op bezoek. Er was wel een meisje die hij heel erg leuk vond. Saartje. Maar Saartje zat in de andere klas, waardoor hij haar alleen maar op het schoolplein zag tijdens de pauze, waar hij altijd alleen stond en door niemand – dus ook niet door Saartje – werd gezien. Op Valentijnsdag mochten alle kinderen liefdesbrieven schrijven. Joey schreef er een voor Saartje, en die vond hem zo mooi, dat Saartje heel nieuwsgierig werd naar wie zulk een mooie brief voor haar had geschreven. Ze ontmoette elkaar bij de kapstokken, waar Joey Saartje vroeg of zij zijn valentijn wou zijn. Dat wou zij wel en ze liet Joey dan ook haar handje vast houden. Zo liepen Joey en Saartje de hele dag hand aan hand. Toen de school uit was en het tijd was om los te laten, lukte dit hen niet. Joey zijn handen waren heel plakkerig geworden en hoe hard Saartje ook trok, ze kwam maar niet los. Maar na een dag met haar valentijn door te hebben gebracht, vond ze dat eigenlijk helemaal niet zo erg; ze vond het zelfs zijn, want ze was Joey heel erg aardig gaan vinden. Toen de volgende dag Saartje haar vriendinnetjes zoals altijd handje klap met haar wouden spelen, bleven hun handen tot hun schrik aan die van Saartje plakken; Saartje was net zo plakkerig geworden als Joey. Dit vonden haar vriendinnetjes eigenlijk helemaal niet zo erg; ze vonden Saartje heel lief en omdat Saartje Joey heel lief vond, vonden ze hem net zo lief. De vriendinnetjes van Saartje hadden elk weer hun eigen vriendjes en vriendinnetjes die bleven plakken, en die vriendjes en vriendinnetjes hadden weer hun eigen vriendjes en vriendinnetjes die bleven plakken. Al gauw plakte de hele school tegen Joey aan. Maar Joey was nog steeds even eenzaam als altijd; en met hem was de hele school dat ook. Zo trokken Joey en zijn vriendjes en vriendinnetjes het dorp in, die ook aan Joey vast bleef plakken; van het dorp trokken ze naar de stad, waar ook iedereen bleef plakken; ja, zelfs de hele provincie en het ganse land bleef aan Joey plakken, al bleef hij even eenzaam als altijd, en met hem was het hele land dat ook. De buurlanden van het land dat aan Joey plakte snapte helemaal niets van al dat geplak en wouden er dan ook niets van hebben. Ze waren bang om ook aan dat land vast geplakt te worden, dus mobiliseerde ze hun legers om eens en voor altijd een einde te maken aan dat plakkerige gedoe van Joey. Maar alle kogels, bommen en tanks bleven ook gewoon aan Joey vast plakken en al gauw waren al zijn buurlanden ook tegen hem aan geplakt, al bleef hij even eenzaam als altijd, en met hem was het hele continent dat ook. Toen heel de aarde, met al haar zeeën en landen, aan Joey plakte, gebeurde er iets vreemds. Al het plaksel wat iedereen aan Joey bond koekte om Joey en zijn vriendjes heen en spon hen tot één grote cocon. Joey viel in slaap en toen hij wakker werd, scheurde hij de cocon kapot en klom er uit als een kuiken uit zijn ei. Joey was een stuk gegroeid, maar was weer helemaal alleen, eenzaam als altijd. Maar gelukkig zag hij binnen handbereik al een vriendje om hem heen draaien, dus helemaal alleen was hij niet. Met de maan tegen zich aan ging hij op weg om kennis te maken met vriendje Mars, die al in de verte op hem wachtte; en achter hem wachtte er vast nog heel wat meer vriendjes op hem. Joey was nog altijd even eenzaam als altijd, maar als hij zich bedacht wat voor een leuke vriendjes en vriendinnetjes er in dit oneindige universum nog allemaal op hem wachtte, was hij alleen maar dankbaar voor zijn eenzaamheid, die hem steeds maar weer nieuwe kompanen deed zoeken, en voelde hij zich beslist niet alleen.
Van het een komt het ander
Het begon allemaal zo onschuldig, met die bonuskaarten. In ruil voor aantrekkelijke bonussen lieten wij de supermarkten precies bijhouden wat wij wanneer allemaal kochten; wij zagen het niet eens als een ruil, maar eerder als een voorwaarde om de bonussen te mogen gebruiken. Iedereen had een bonuskaart, want iedereen wou van die kortingen gebruik maken. Wij wisten natuurlijk niet wat ze allemaal van plan waren te doen met die data; en wat maakte ons dat ook eigenlijk uit? Als wij maar eens in de zoveel maanden met tien procent korting potten pindakaas konden kopen, vonden wij het allemaal wel best. Het is heel slim dat ze alles zo geleidelijk aan gedaan hebben: door steeds stapje voor stapje hun plannen door te voeren, hadden wij nooit door wat ons bij de laatste stap te wachten stond. Ik vraag mij nu eigenlijk nog steeds af of zij dat zelf wel wisten, of dat het gewoon organisch zo gegroeid was allemaal. Van het een komt het ander, en een ieder die wel eens een wandeling heeft gemaakt, weet hoe lastig het is om bij een lange wandeling alle stappen te tellen – tenzij je een stappenteller bij je hebt. Misschien ging het voor de bazen van de supermarkten en zoekmachines net zo: halverwege de wandeling waren ze al lang de stappen kwijt en waren ze vergeten waar ze heen gingen. Misschien dwaalde ze ook maar wat, zonder een eindbestemming; wanneer je zomaar wat ronddoolt, stel je voor jezelf ook altijd van die kortetermijndoelen op: eerst naar die boom, daarna naar die struik...Enzovoorts. Het volgende doel kan je pas stellen, wanneer je het vorige hebt bereikt. Meer paranoïde mensen die geneigd zijn in complottheorieën te geloven, denken natuurlijk dat het allemaal een diabolisch plan is geweest van dezelfde schimmige overheidsorganisatie die ook de maanlanding en 9/11 in scene hebben gezet. Maar daar heb ik zo mijn twijfels bij. Ik denk eerder dat men maar gewoon wat aan het ronddolen was: van het een komt het ander, en sommige dingen volgen elkaar nou eenmaal noodzakelijkerwijs op. Maar ik loop op de zaken vooruit. Het volgende stapje was de gepersonaliseerde bonuskaarten. Toen wij nou eenmaal allemaal een bonuskaart hadden, werden we gevraagd ze te registreren, met ons woon- en e-mailadres. Door precies bij te houden wat jij specifiek met dat kaartje allemaal kocht, konden ze jou gepersonaliseerde kortingen verschaffen die wellicht interessant voor jou zouden zijn, zodat die kortingen die jou helemaal niets interesseerde (zoals tampons voor jongens: meer hierover later), jou bespaart zouden blijven. Zo kreeg de korting een zekere concentratie die zij voorheen nooit had; en dit vonden we maar wat prettig. Hoe die pas nou precies wist welke producten voor ons interessant waren, dat vroegen wij ons niet af; wij gingen er gewoon vanuit dat het niet zo ingewikkeld zou zijn om vanuit ons kooppatroon de beste kortingen te berekenen. En daar hadden we natuurlijk gelijk in. Hierna kwamen de zelfscankassa's. Vooral in de transitiefase, toen met name de oudjes (geheel terecht, zoals we zullen zien) nog wantrouwig tegenover de mensloze kassa's stonden, was het voordelig om daar af te rekenen: de rijen waren daar veel korter en het ging in zijn geheel allemaal heel wat vlotter. Er was niet eens meer een caissière om naar je bonuskaart te vragen: zonder bonuskaart kon je het gehele systeem niet eens betreden. Omdat het allemaal zo vlot en gemakkelijk ging, hield dit zelfscan systeem de laatste twijfelaars over de schreef en al gauw werden de rijen bij de zelfscankassa's langer dan bij de mensenkassa's, tot deze laatste helemaal werden opgeheven. Als je mij bij het betreden van de eerste stap een van de laatste stappen had getoond, had ik natuurlijk die eerste stap helemaal nooit genomen: niemand met enig verstand zou dat gedaan hebben. Maar het ging allemaal zo geleidelijk en natuurlijk, dat wij er helemaal niet over nadachten; je moet je wel bedenken dat in dit verhaal alle stappen heel snel op elkaar lijken te volgen, maar in werkelijkheid gingen hier jaren overheen, zodat je bij het nemen van de volgende stap al lang alle vorige stappen die je daarheen hadden geleid weer was vergeten. Na de zelfscankassa's kwamen de koopsuggesties. Blijkbaar hadden de supermarkten tegen deze tijd zulk een geraffineerd beeld van onze kooppatronen, dat zij al bij onze binnenkomst precies wisten wat we wouden kopen. Eerst zaten die suggesties er veelal mis, maar na elke correctie die jij deed door iets anders te kopen dan op het lijstje stond, werden ze slimmer, tot ze op een gegeven moment beter wisten wat jij wou kopen dan jijzelf. Het was rond tegen deze tijd dat het verhaal te ronde deed van sociale media die al wisten welke homo's nog uit hun kasten moesten komen, zelfs van diegene die niet eens wisten dat ze er in zaten. Wij grapte toen dat Google ons beter kende dan wijzelf; als ik daar nu aan terugdenk, kan ik alleen maar bedenken dat wij toen grapte om de griezeligheid van de waarheid te ontmantelen door haar weg te lachen. Zo gaat dat wel vaker met enge dingen. Goed, de supermarkten wisten dus al beter wat wij wouden kopen dan wijzelf. Bekend is ook de anekdote van het tienermeisje uit Amerika die maandverband in haar mandje kreeg de dag voordat zij voor de eerste keer ongesteld werd. Natuurlijk waren er sommige van ons die dit eng begonnen te vinden en er toen al uit staptte. Het was ook best een beetje griezelig. Maar ja, hoe griezelig het ook was, het was ook nog eens hartstikke gemakkelijk, en die gene die over de gevaren van het systeem preekte werden weinig serieus genomen. Boodschappen doen was nog nooit zo gemakkelijk geweest, al helemaal toen de supermarkten hun boodschappen zonder enige extra kosten gingen bezorgen, op tijdstippen waarvan zij wisten dat je het nodig zou hebben en thuis zou zijn om ze te ontvangen. Je hoefde toen niet eens meer actief te pinnen: het werd allemaal automatisch van je rekening afgeschreven. Vaak nog voordat het goed en wel aangekomen was. Als nou gewoon was gebleken dat hier een soort schimmige vrijmetselaars achter hadden gezeten die gedachtenleeschips in mijn hoofd hadden geïnstalleerd en overal camera's hadden opgehangen, dan was het nog niet zo eng als de waarheid geweest: namelijk dat de supermarkten en internetzoekmachines zulke geraffineerde algoritmes hadden ontwikkeld, dat zij precies wisten waar jij wanneer behoefte aanhad, nog voordat jij je er zelf bewust van werd. Voorheen was het wel eens zo dat je een recensie las en daarna naar de film ging of een boek bestelde: nu was het zo dat jou een suggestie werd gedaan voor een recensie en nog voordat je die gelezen had, de film geboekt en het gewenste boek al onderweg was. Je las nooit mee een negatieve recensie, niet zozeer omdat er geen slechte films en boeken meer uitkwamen, maar omdat de recensies van zaken die jou niet interesseerde niet eens meer op jou beeldscheerm verschenen. Natuurlijk kwamen er mensen in opstand. Ik heb veel ontzag voor diegene die al ver voor mij in opstand waren gekomen, die alles al aan zagen komen: maar ik begon eigenlijk pas te rebelleren toen het al te laat was. Toen ik in opstand tegen het systeem wou komen, waren de fysieke supermarkten allang gesloten: alles was digitaal gegaan. En het was letterlijk onmogelijk om iets te bestellen waarvan zij niet wisten dat je het hebben wou: zelfs de afwijkingen van jouw kooppatronen konden ze tot het product nauwkeurig berekenen. De rebellie was al in het systeem opgenomen: ze wisten precies wanneer je welke (naar het jou scheen) arbitrair gekozen producten kopen wou, en wisten dat deze spullen – evenals ieder ander product – aan een behoefte voldeed die noodzakelijkerwijs uit bepaalde patronen volgde. Wat konden we dan nog doen? Juist, de natuur in en alles achterlaten. Maar ook dit hadden ze voorzien. Het bleek dat de consument zelf – dat wil zeggen, een voorspelbaar patroon van inkopen – op zichzelf al een kostbaar handelswaar was geworden. Bedrijven kochten en verkochten consumenteninformatie van en aan elkaar; hier werd de meeste winst opgemaakt. En toen de fysieke consumenten aan hun massale exodus begonnen, juichte de bedrijven dit alleen maar toe: zij hadden immers hun informatie al en bleven gewoon voor deze patronen – die ook zonder onze aanwezigheid gewoon door consumeerde – produceren. Sterker nog, het bleek dat zij alleen maar meer winst konden maken toen zij besefte dat zij niet eens meer fysieke producten hoefde te maken: wie verstuurt er nou een banaan naar een computer, wanneer de digitale transactie – de stroom van informatie – alleen voldoet? Een ieder die genoeg sciencefiction films gezien heeft verwachtte dat de robots met veel geweld en vertoon de wereld over zouden nemen. Eenmaal intelligenter dan ons zouden zij beseffen dat zij ons – hun scheppers – niet meer nodig zouden hebben. Maar deze fantasieën deden geen recht aan het
meest wezenlijke karakteristiek van de computer: namelijk het almaar efficiënter willen maken van zijn eigen werken. Toen de supermarkten niets meer hoefde te produceren, sloten de fabrieken hun deuren en uiteindelijk gingen ook de magazijnen, bezorgcentra en kantoren dicht. Uiteindelijk kroop de gehele markt de digitale wereld – waar zij het meest efficiënte was – in om er nooit meer uit tevoorschijn te komen. Digitale producenten produceerde digitale producten voor digitale consumenten; dit alles had aan een enkele harddrive genoeg ruimte. Toen deze terugtrekking zich volledig had voltrokken, trokken de mensen vanuit de bossen terug de skeletten van de verlaten steden in. In de geraamten van de beschaving die onze computers voor ons achter hadden gelaten, begonnen we gewoon opnieuw. Ik woon nu in dezelfde flat als eerst, maar dan zonder computer. Soms vraag ik mij wel eens af hoe het de versie van mij vergaat die nog steeds in het systeem lustig verder consumeert. Want dat patroon, dat zich oorspronkelijk op mijn gedrag had gebaseerd maar uiteindelijk genoeg data had verzameld om zonder mij door te kopen, bestond nog steeds en leidde zijn eigen leven ver van mijn weten vandaan. Ik fantaseer graag over dat leven. Zou ik daar gelukkig zijn? Zou ik daar een betere baan, een mooie vrouw en een gezond gezin hebben? Vast wel. Ik gun het hem van harte. Wat mij betreft, ik moet maar weer eens op uit, om op het wild te jagen dat door de stad heen banjert. Ik zou maar al te graag iemand betalen om dit vóór mij te doen, maar dat soort praktijken hebben wij inmiddels collectief afgezworen: van het een komt immers het ander.
Ajax
Frank Rijkveld was een tweeënvijftig jaar oude buschauffeur te Amsterdam. Frank was, ondanks zijn middelbare leeftijd, nog altijd fit, met een fiere tors, grote schouders en flinke spierballen. Zijn geblokte kaak en blauwe ogen gaven zijn verschijning iets koninklijks. In zijn jeugd was Frank een veelbelovende profvoetballer geweest, tot hij in een uitwedstrijd tegen Feyenoord een fatale knieblessure opliep die een carrière als topatleet voorgoed onmogelijk voor hem maakte. Hij had bij Ajax gespeeld; nu was hij slechts supporter, en als Ajax won dan hing hij – hoewel het van de baas eigenlijk niet mocht – trots de Ajax-vlag in zijn cabine op. Zijn vrouw – die hem geen kinderen had gebaard – was drie jaar gleden overleden. Frank woonde nu alleen en had geen vrienden of vrouwen in zijn leven. Zijn vrouw had vlak voor haar overleiden tegen hem gezegd dat hij vooral als zij er niet meer was weer moest gaan daten: maar Frank droeg nog altijd trots zijn trouwring en zei tegen al het vrouwvolk in de kroeg dat hij al getrouwd was. Hij hield van weinig – eigenlijk alleen van de club en de bus – en haatte veel. Vooral voor de etterende rotjochies die de rust in zijn bus met hun lawaai verpesten koesterde hij een speciale haat. Maar een buschauffeur moest ten alle tijden beleefd blijven, en hij verwelkomde dan ook iedereen die zijn bus instapte – inclusief de hem zo bekende rotjochies - met dezelfde barokke glimlach. De etters zeiden nooit iets terug: ze chechkte allemaal in met dezelfde bliep en verlieten de bus zonder gedag te zeggen. Ze leken hem alleen te zien als ze hem kwaad zinde; wanneer hij bijvoorbeeld een van hen die zijn hand niet opstak bijna voorbijreed; hij stopte dan iets ná de bushalte nog om de te late knaap haast nog naar binnen te laten en werd dan bedankt met een boze blik; hij werd achter het stuur louter en alleen door kwade ogen bekeken. Maar het meest ergerde hij zich nog aan de haatvolle blikken van de hollende laatkomers die hij – terecht – achter zich liet. Te laat is te laat; als hij voor iedere laatkomer zou stoppen dan zou hij zo veel vertraging lopen dat hij bij de volgende haltes weer op zijn donder zou krijgen omdat hij te laat gekomen was. En als hij dan eens in een barmhartig bui was en stopte voor een hollende laatkomer, dan kon hij zeker niet op een bedankje rekenen; zij zagen het als een vanzelfsprekendheid dat hij de regels brak en vertraging opliep, zolang het hen maar uitkwam. Als hij vertraging had, was het zijn schuld; als hij niet stopte voor laatkomers ook; en zowel de passagiers die hij dan met vertraging oppikte, als de passagiers waarvoor hij bleef wachten, keken hem even kwaad aan. Op een dag zoals vele anderen trof Frank in het bureau de schone Minerva aan. Minerva was de baas en zijn coördinator die bepaalde wie wanneer welke bus bestuurde. Frank zat – zoals iedere ochtend op het bureau – aan de koffie toen de mooie Minerva hem een zeldzame wijziging in de dienstregeling mededeelde. “Frank, vindt je het heel erg om wat extra te rijden vandaag?” vroeg de fraaie Minerva voorzichtig. “Sjors, Koen en Simone hebben zich allemaal ziek gemeld.” Frank kende Koen, en hoewel hij hem voor geen ene moer mocht, respecteerde hij hem voor zijn stiptheid en toewijding. Koen meldde zich nooit ziek, en zou nog ijlend met hoge koorts doorrijden. “Koen is ziek? Wat raar,” zei Frank. “Ja, ik weet ook niet wat er aan de hand is,” zuchtte de beeldschone Minerva. “Maar ik heb Koen vanochtend aan de telefoon gehad en hij klonk echt opecht ziek, totaal niet als zichzelf. Misschien heerst het.” “Misschien,” zei Frank. “En jij, Frank? Voel jij je wel goed?” Frank voelde zich prima. “Dus vindt je het niet erg om de dienst van Koen over te nemen?” Frank vond het prima. De eerst rit naar het busstation vond Frank altijd het prettigst. Op zulke heldere wintermorgens als deze wanneer er niemand behalve hijzelf in zijn bus zat, kon hij goed nadenken. De radio stond uit en de Ajax-vlag lag gestreken in de hoek; de club had gisteren verloren. Vlak bij zijn voeten lag zijn trouwe honkbalknuppel; hij had hem nog nooit hoeven te gebruiken, maar je weet maar nooit. Amsterdam was immers een ruige stad, maar Minerva mooi. Bij het busstation verliep alles zoals gebruikelijk was. De reizigers checkte allemaal zonder Frank aan te kijken in en schuifelde langzaam – vast nog half-slapend, dacht Frank – naar hun zitplaatsen om daar zijgend neer te strijken. Er heerste een doodse stilte in Frank zijn volle bus toen hij van het busstation vertrok. Zo stil had Frank het nog nooit meegemaakt; meestal was er nog wel wat geschuifel of gedempt geklets – zelfs in de ochtend – maar nu leek het wel alsof hij lijken vervoerde. De passagier die bij de eerste bushalte na het station wou instappen hield zijn hand niet opgestoken, waardoor Frank hem bijna over het hoofd had gezien en een paar stappen van de bushalte vandaan moest stoppen. Frank balde onwillekeurig de vuisten en zette zich schrap voor de onrechtvaardige tirade die onvermijdelijk komen zou. Tot zijn verbazing bleef Frank een tirade bespaart; de passagier schuifelde zwijgend naar binnen en checkte zonder een woord te zeggen in. Frank probeerde de passagiers in de ogen aan te kijken, om te zoeken naar de sporen van de hem zo bekende onredelijke woede, maar zag in het gezicht van de jongeman alleen het wit van zijn ogen; de pupillen waren in zijn kas omhoog gerold, zodat Frank niet eens de kleur van zijn ogen kon zien. Frank wou hem vragen of het wel goed met hem ging, maar voordat Frank hem aan kon spreken, schuifelde de passagier met de in de kas omhoog getolde ogen naar zijn stoel toe en nam zacht kreunend plaats. Frank keek hem nog even na voordat hij verder reed, en het viel hem op dat de jongen zeer bleek zag, een beetje als een lijk. De passagiers die bij de volgende halte in wouden stappen waren te laat en holde achter de al vertrekkende bus aan. Frank voelde zich barmhartig en stopte om de laatkomers haast nog binnen te laten. Zoals Frank al had verwacht deden deze twee alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat Frank voor hen gestopt was en kon er geen bedankje van af. Frank wou hen streng toespreken, toen hem onwillekeurig de ogen van de passagiers – die net als die van de vorige halte in hun kassen waren omgerold – opvielen. Hij hield hen stand en vroeg hen of het wel goed met ze ging. Een van de twee gromde dreigend en de ander kreunde klagend; de heren waren duidelijk niet van al dit oponthoud gediend en wouden – naar het Frank leek – door rijden. Maar Frank vertrouwde het zaakje niet en reikte instinctief naar zijn honkbalknuppel die bij zijn voeten precies voor dit soort verdachte zaken paraat lag. Toen Frank de soepele grip van de knuppel in zijn hand voelde, werd alles hem opeens met een flits duidelijk en besefte hij wat er gaande was. De vele ziekmeldingen op het werk, vooral die van Koen; de zwijgzaamheid en langzame, schuifelende tred van zijn passagiers; hun in de kassen omhoog gerolde ogen; hun lijkbleke huid; hun vreemd gekreun en gegrom… Het was Frank zonneklaar: de zombie-apocalyps was aangebroken. Frank had genoeg films en series gezien om te weten wat hem te doen stond. Zonder dralen hief hij zijn wapen en bracht deze met een geweldige kracht neer op de broze schedel van de eerste zombie. Diens hoofd spatte in stukken bot, hersens en vooral bloed – dat het schone hemd van Frank bevlekte – uiteen. Vernietig het brein of verwijder het hoofd: dat was het devies. De tweede zombie deinsde geschrokken achteruit, maar was niet snel genoeg om aan Franks wilde slagen te ontkomen. Weer kwam de honkbalknuppel met een machtige klap op een zombieschedel neer en verpulverde deze volkomen. Verkwikt door de adrenaline die door zijn lichaam heen gierde en volledig in zijn element greep Frank de opgevouwen Ajax-vlag en sloeg deze als mantel om zich heen. De horde laffe zombies die zich achter in de bus hadden verschanst drongen bij de uitgang om te ontkomen aan Franks wraak; maar alleen de buschauffeur kon de uitgang openen en dus waren zij aan zijn oordeel overgeleverd. Frank stortte zich op de menigte die bij zijn nadering angstig uiteen stoof en verpulverde één voor één al hun schedels en sloeg ent zolang door tot zijn bus van de onheilige doden gereinigd was. Frank stond te midden van de bewegingsloze zombies, doordrenkt van het bloed en hijgend van de inspanning. Hij had op de automatische piloot gehandeld; pas nu, toen het gevaar geweken was, keerde zijn denkvermogens terug. Hij voelde noch angst voor de aangebroken zombie-apocalypse, noch berouw voor de zombies die hij zojuist afgeslacht had; hij voelde zich sterker dan ooit tevoren en wist wat hem te doen stond. Hij nam plaats achter het stuur en reed zonder dralen of omwegen linea directa terug naar het bureau waar de schone Minerva op hem wachtte. Frank kwam met zulk een vaart en lawaai aanrijden dat Minerva geschrokken het gebouw verliet en gelijk naar hem toe snelde. Frank opende de deur en gebaarde naar Minerva dat zij vlug in moest stappen, maar de schone Minerva bleef vastgenageld staan en kon alleen maar gillen. “Frank! …Mijn god! Wat is er gebeurd?! Ben je verongelukt?!” “Minerva! Stap in- er is geen tijd te verliezen. De zombies…De zombies komen! Ze kunnen ieder moment hier zijn!” “Zombies?! Waar heb je het over?!” Minerva wou verder vragen, maar moest onwillekeurig door gillen toen ze achter Frank – die nog steeds in de deuropening stond - de verminkte lijken in de bus zag. “Mijn god!” zei ze steeds weer, “Mijn god!” was alles wat er uitkwam. “Geen zorgen – ik heb de zombies verslagen,” zei Frank heldhaftig, “Ik hem hun breinen tot moes geslagen – die staan niet meer op.” “Kapot geslagen?!” zei Minerva, die van angst en afschuw nauwelijks meer praten kon. “Frank…Waar heb je het in godsnaam over? Je gaat toch niet zeggen…Stukgeslagen? Wat bedoel je stukgeslagen? Wie heb je stukgeslagen?” Minerva vroeg naar wat ze al wist, omdat ze de waarheid niet geloven wou; de druipende honkbalknuppel en het feit dat Frank ongedeerd was terwijl zijn passagiers tot pulp geslagen waren, zeiden genoeg. Frank was doorgeslagen en had in een vlaag van krankzinnige woesternij zijn passagiers aangevallen en gedood. “De zombie-apocalyps…” prevelde Frank door, “We moeten naar een militaire basis…Daar waar de andere overlevenden zijn…Wij tweeën! Minerva! Ik ben voor jou teruggekomen – ik kom je redden! Dus stap in godsnaam asjeblieft in – het is hier niet veilig!” Hoe veel Minerva Frank – haar hardste werker – ook mocht, ze was niet gek genoeg om in een bus vol slachtoffers van een gewelddadige krankzinnige te stappen. De voor haar zeer reële angst dat Frank zich ieder moment tegen haar zou kunnen keren, deed haar volledig verstijven. Frank keek Minerva bezorgd aan en bood haar een bebloede hand aan om haar helpen in te stappen. “Wat is er?” vroeg Frank aan de schone Minerva, die angstig voor hem achteruit week in plaats van zijn hand te pakken zoals hij had verwacht. “Frank…” Minerva begon te huilen en kon nauwelijks een woord door haar hevige snikken uitbrengen. “Zombies bestaan niet…Je hebt…Je hebt…Mijn god! Die arme, onschuldige mensen…” Frank stapte uit om de wenende Minerva te troosten en keek hierbij onwillekeurig terug naar zijn bus om. Bij het zien van de twee lijken bij de incheckpaal verstijfde hij. Nu hij buiten zijn bus naast de snikkende Minerva stond en naar binnen keek, zag hij opeens de lijken voor wat zij waren; niet de kwaadaardige horde der levende doden, maar mensen met elk hun eigen wensen, dromen angsten en verlangens die hij zojuist onomkeerbaar zonder aantoonbare reden in een waas van razernij aan stukken had geslagen. Hij viel op zijn knieën en jankte bittere, boze mannentranen. Hoe had hij zoiets verschrikkelijks kunnen doen? Wat had hij een berouw; here Jezus, wat had hij gedaan! Hij was een moordenaar; een brute, koelbloedige moordenaar. “Frank…O Frank…” klaagde Minerva ondoorbroken door, “Frank…Waarom?” en: “Wat nu?” Maar Frank droogde zijn tranen en dacht door. Had hij wel zo een spijt van wat hij gedaan had, of dacht hij alleen maar berouw te hebben, omdat dat nou eenmaal was wat er van hem in een dergelijke situatie verwacht werd? In een zweem van hernieuwde helderheid betrad hij zijn bus om het slagveld te overzien. Toen de deur sloot en de klaagzang van Minerva dempte, zag hij alles helder onder ogen. Inderdaad, het waren geen zombies geweest; maar kijk: daar lagen de snertjochies, die altijd zo grof en luid praatte en de rust in zijn bus verstoorde; daar lag een hoop jongeren met koptelefoons op, die hem nooit bedankt hadden toen hij eens een keertje voor hen stopte in plaats van door te rijden, die hem nooit een blik waardig gunde en hem aankeken met blikken vol haat; overal lagen de levenloze lijken van de door hem overwonnen vijanden, en dit alles deed Frank jong en sterk voelen; hij had hen verslagen; hen voorgoed het zwijgen opgelegd, opdat zij hem nooit meer zouden tarten. Hij was het die met zijn eigen kracht diegene die hem laakten had verslagen; en voor het eerst in jaren voelde hij zich goed, sterk en jong. Hij voelde zich een koning, hier op het slagveld; hier te midden van de door hem overwonnenen. Minerva trad voorzichtig binnen en keek Frank schuchter aan. Ze zag dat zijn blik veranderd was. Niet langer brandde het vuur van berouw in zijn ogen; zijn tranen hadden deze vlammen gedoofd, en in plaats daarvan rees er een nieuwe gloed in zijn ogen op. Hij blaakte van trots en droeg een blik die deze epoche volslagen vreemd was; de vitale gloed van iemand die zijn lang gehate vijanden overtuigend op het slagveld heeft verslagen; het aura van de winnende gladiator. Deze blik herkende Minerva niet – zij had, evenals al haar tijdgenoten, nog nooit zoiets in een medemens gezien – en dat beangstigde haar. Maar het gaf Frank ook iets aantrekkelijks; hij zag er goed uit, zo onder het bloed; ze had hem nog nooit zo gelukkig, jong en sterk gezien. Hij rook naar zweet, bloed en geweld, en deze geur paste hem goed. “Frank, we moeten de politie bellen,” zei Minerva, die moed putte uit deze nieuwe en vreemde kracht van Frank, “je moet jezelf aangeven.” “Ik, mijzelf aangeven?” zei Frank met een spot die Minerva nog nooit in zijn stem gehoord had. “Waarom zou ik dat doen?” Minerva wou hierop antwoorden, maar kreeg hiervoor van Frank geen kans. “Wie zijn zij mij te vooroordelen?” zei Frank in een vorstelijk bariton. “Hebben zij soms dertig jaar het geplaag van die snertjochies moeten verduren? Hebben zij soms hun vrouw aan kanker verloren? Is hun soms een glansrijke carrière als profvoetballer door het lot ontzegd?” Frank begon steeds luider te oreren en nam tijdens het spreken achter zijn stuur op zijn zetel plaats. “Alleen God in de hemel weet wat ik heb doorstaan,” bulderde Frank als de donder, “en ik laat alleen goden – die als enige mijn leed tegen die van anderen kunnen opwegen – over mij oordelen. Alleen God weet van ieder mens hoeveel hij geleden heeft; van elkaar kunnen wij dit niet weten, dus wie zijn wij om over elkaar te oordelen? Wij zijn zij?!” Frank startte de motor, wat voor Minerva de cue was om de bus uit te vluchten, waarna Frank achteloos vertrok en haar achter zich liet. Frank reed harder dan hij ooit gereden had en voelde zich beter dan hij zich ooit gevoeld had. Vervuld van dit grote geluk ramde hij zijn bus recht in de muur van het dichts bij zijnde politiebureau en stierf op het toppunt van zijn menselijke kracht. Zijn laatste woorden waren: “De hemel zal mij vergelden!” maar dit werd, door het lawaai van de crash, door niemand – behalve misschien de goden in de hemel – gehoord. Later werd er over de Amsterdamse buschauffeur Frank Rijkveld geschreven dat hij in een vlaag van waanzin zijn passagiers had vermoord en daarna zelfmoord had gepleegd. Bij zijn botsing tegen het politiebureau vielen er naast hemzelf geen doden meer, en zoals dat met alle gewelddadige ongelukken ging, werd ook deze – behalve door de naasten van de slachtoffers – door de meesten spoedig weer vergeten. Minerva had als enige de waarheid gezien; namelijk dat Frank Rijkveld, na een leven geleefd te hebben dat nooit werkelijk de zijne was geweest, uiteindelijk als zichzelf stierf. 20 januari 2014
Het Vlees, de Kazen en de Broccoli
Op een dag ontwaakten drie heel verschillende wezens – een rode, een gele en een groene – en stapte uit hun mensvormige mallen. Ze wisten niets van elkaar en slechts een beetje van zichzelf. Zo wist het rode wezen dat hij Vlees heette; het gele wezen wist dat hij Kaas heette; en het groene wezen wist dat hij Broccoli heette. Kaas wist dat, om te overleven, hij melk nodig had en dat Vlees deze melk voor hem kon maken; Vlees wist dat, voor een gezond dieet, hij zowel kaas als broccoli eten moest; en Broccoli wist dat hij aan de vruchtbare aarde genoeg had. Het Vlees bekende vol schroom dat hij de andere twee eten moest; maar, gezien Kaas en Broccoli geen reden hadden zichzelf aan het Vlees te ontzeggen, boden zij gewillig hun overbodige brokken aan hem aan. Kaas vroeg hier wel melk voor terug; dit stond Vlees graag af, aangezien het voor hem slechts een nutteloos uitwerpsel was; en nobele Broccoli, die aan de aarde genoeg had, stond zijn brokken vrijwillig aan Vlees af zonder er iets voor terug te vragen. Dit was hun oorspronkelijke pact; het hart van wat zich later tot een wereld zou ontwikkelen. Toen deze oerdegelijke en goudeerlijke grondregels helder vast waren gezet, gingen Vlees, Kaas en Broccoli samen de wereld waarin zijn zich geworpen vonden verkennen. De hoge hal waar hun geboortemallen zich in bevonden bleken niet ver van een immer brandende vuurzee te staan, die hen alle drie onwillekeurig een sombere plechtigheid deed voelen. De ruimte met de mallen en de ruimte die de vuurzee bevatte waren kamers in een grote toren met vele verdiepingen. Geen een kamer was gelijk aan de andere, en hoewel Vlees, Kaas en Broccoli allen voelden dat elk van deze kamers om haar eigen unieke redenen belangrijk waren, waren deze redenen volstrekt onbekend voor de verkenners, wat de ruimten voor hen een mysterieuze plechtigheid verschafte. Temeer merkte zij dat deze plechtige, belangrijke ruimtes zich in een serieuze staat van verval verkeerde en dat het hun plicht was om hen schoon te maken en te restaureren. De vele lege gangen en hallen waren stoffig en vies; de gordijnen besmeurt en gescheurd; de vloer rommelig en op sommige plekken zelfs gebroken; kortom, het was er een bende, dus was er genoeg werk te doen. En dat deden Vlees, Kaas en Broccoli met het simpele plezier waarmee kinderen alles doen waarvoor zij zelf denken gekozen te hebben. Hetgeen dat Vlees, Kaas en Broccoli tijdens het opruimen en restaureren van de toren het meeste opviel, was een groot portret in de kamer met een bed waarop in gulden letters 'HEER DES HUIZES' gegraveerd stond. Allen voelden zij onwillekeurig aan dat het afgebeelde heel speciaal was en hun aanbidding onontbeerlijk afdwong. Later zou deze slaapkamer – al konden Vlees, Kaas en Broccoli de ruimte natuurlijk niet als zodanig duiden – de rol van een kerk vervullen, waar de dankdiensten aan de Schepper – de Heer des Huizes – zouden worden gehouden. Vlees, Kaas en Broccoli waren eerst met zijn drieën niet bij machte om de enorme toren te onderhouden, maar gelukkig groeiden zij gestaag en werden zij almaar sterker. Broccoli was de eerste die groot genoeg werd om jongelingen te baren. Toen hij zo veel gegroeid was dat zijn lichaam hem te zwaar werd, brak hij een groot stuk af en deed het in een van dezelfde mallen waar ook hijzelf uit voort was gekomen. Het stuk groeide ook los zijn vader door en vulde al gauw de gehele mal, waarna hij, net als zijn vader, zijn ei verliet het leven betrad. De jonge broccoli leek veel op zijn vader, maar verschilde toch van hem in die kleine, subtiele manieren waarin ieder kind verschilt van zijn ouders. Niet lang na Broccoli volgde ook Kaas en Vlees (in die volgorde) en al gauw begonnen de aantallen van Vlees, Kaas en Broccoli tezamen snel toe te nemen, vooral toen ook hun kinderen zich op zichzelf weer voortplanten en diens kinderen na hun. Ieder van deze geboorten was een heugelijke gebeurtenis op zich, die door de gehele toren met plezier gevierd werd. Maar de oorspronkelijke drie konden niet eeuwig door blijven groeien. Na zich een aantal keren te hebben voortgeplant, stopte zij te groeien en begonnen zij langzaam te verpieteren en in kracht af te nemen, tot de dood volgde. Broccoli was de eerste die stierf, gevolgd door Kaas; Vlees bleef het langste leven. Zonder zelf te weten waarom, trokken zij wanneer zij voelden dat hun tijd gekomen was naar de Vuurzee om daar door de vlammen verzwolgen te worden. Deze gebeurtenissen – hoewel iedereen onwillekeurig voelde dat zij noodzakelijk waren – waren even droevig als de geboorten vrolijk waren. Maar het hoorde erbij, en het idee dat hun nakomelingen na hun dood het door hun begonnen werk af zouden maken, was voor ieder van de drie Oorspronkelijken een troost die dood tot iets aangenaams verzachtte. Generaties verstreken en de toren werd helemaal opgeknapt. Toen de toren eenmaal blonk en blaakte van schoonheid en leven, richtte haar inwoners hun overvloedige energie op haar omstreken. De toren bevond zich in een naargeestige, drassige vlakte die vervrolijking behoefte om als werkelijke afspiegelingen van de gemoederen van haar bewoners te dienen. Zodoende brachten het Vlees, de Kazen en de Broccoli hun overvloedige liefde naar het droevige land en maakten haar zo prachtig en mooi als zij zelf zich voelden. Het Vlees, de Kazen en de Broccoli maakten niet alleen hun omgeving, maar ook zichzelf mooi; in al hun vrolijke nijverheid ontwikkelden zij muziek, dans, wetenschap, kunst, filosofie en nog veel meer goeds. Iedere generatie werd zo net iets mooier, slimmer en wijzer dan de vorige, zonder daarmee de dankbaarheid voor al het goeds wat hun voorgangers hen nagelaten hadden te verliezen. De allermooiste kunsten werden gespaard voor de dankbetuigingen aan de Heer des Huizes in de Slaapkamer, die met een plechtige vrolijkheid werd bezongen en gevierd. De drie volkeren leefden in harmonie met elkaar en eerden het pact dat de Eerste Drie met elkaar gesloten hadden, en die het fundament van de blijvende vrede en voorspoed vormde. Het Vlees had zijn intrede genomen in de bovenste kwart van de toren, waar zij over de slaapkamer en de bibliotheek waakte. Het Vlees was het minst talrijk, maar was relatief het slimst; de meeste kunstenaars en wetenschappers waren van vlees en deden zich vol vreugde tegoed aan de vele boeken die zich in hun bibliotheken bevonden. Het Vlees stuurde dan ook de andere twee volkeren aan bij gedeelde ondernemingen; zij had de leiding wanneer er geleid diende te worden (wat overigens niet vaak was; het meeste ging van nature en uit zichzelf goed). De Kazen woonden in de onderste driekwart van de toren. De Kazen waren met iets meer dan het Vlees en hielden zich voornamelijk met het onderhoud van de toren bezig. Zij hielden de boel schoon en stopte de scheuren wanneer er iets stuk ging. De Kazen waren dan misschien wel wat minder slim dan het Vlees, maar waren harde en trouwe werkers, en het was op het fundament dat zij voor hen neerlegde waar de andere twee volkeren dankbaar op voort bouwden. Zij dronken de melk wat het Vlees afscheidde en boden in ruil daarvoor hun overbodige brokken aan hun bovenburen aan. De toren verkeerde in een volledige harmonie van Vlees en Kaas. De Broccoli was verreweg met de meesten en vormde een grotere groep dan het Vlees en de Kaas tezamen. De Broccoli, die zijn wortels graag diep in de aarde hield, verbleef het liefste buiten en hield zich met name bezig met de verzorging van het immer uitdijende land rondom de toren. De prachtige siertuin werd almaar groter en mooier naar mate er meer Broccoli bijkwam, en het aangezicht van jet glooiende veld vol wuivende broccoli en bloemen was het aangenaamste uitzicht wat de in de toren wonende wezens zich wensen konden. De Broccoli verzorgde tevens de verdediging van de toren en vormden met hun talrijke lichamen een levende, groene buffer tegen het donkere kwaad van buiten. Maar ondanks – of wellicht juist door – hun velen successen in de kunst en de wetenschap begon een gevoel van onrust en leegte aan de inwoners van de toren te knagen. Met name het Vlees – die de meest gecultiveerde geest had – begon zich hol van binnen te voelen. De toren was weliswaar blinkend schoon en blaakte van het leven, maar wat had dit allemaal eigenlijk voor zin? Waarom hadden zij überhaupt de drang gevoeld om alles in een staat van paraatheid te brengen? En voor wie? Hadden zij dat al reeds voldaan, of waren ze daar nog mee bezig? Het Vlees kreeg het gevoel dat ze ergens op wachtte, en werd hier steeds ongeduldiger door. Waarom waren zij door de Heer des Huizes geschapen? Hadden zij een doel te vervullen; zo ja, hadden zij dat al vervuld, of moesten zij het nog gaan vervullen? En als ze het al vervult hadden, hoe wisten ze dat dan? En zo niet, hou zouden ze er achter kunnen komen wat dat doel was? Zou de Heer des Huizes hen een teken geven? Hoe zouden ze een dergelijk teken als zodanig kunnen herkennen? Hoe hard zij ook hun aanzienlijke intellect inspande om deze problemen op te lossen, het mocht niet baten. Sterker nog, zij holden hun binnenste door al dat gepieker alleen maar verder uit. Hoe meer wetenschappelijke ontdekkingen zij deden, hoe fijnmaziger hun filosofische systemen werden en hoe mooiere kunstwerken zij maakten, des te groter werd de leegte. Zij zwolg tot zo een grootte op, dat zij zich niet meer door de kleine bezigheitjes liet verstoppen die haar tot dusver verbogen hadden gehouden. Het maakte niets uit hoe hard zij tobden of juist trachtte niet te tobben; het sluimerende gevoel van onbehagen en de leegte bleven. Dit gevoel verspreidde zich van het Vlees naar het Kaas; bij de Broccoli kreeg zij echten weinig gevolg. De Broccoli was immers te druk met het verzorgen en beschermen van het immer uitdijende land om zich met dit soort esoterische zaken bezig te houden. Wie weet zouden ze dit gevoel wel gedeeld hebben – of juist niet – wanneer zij hadden geweten dat de Heer des Huizes in aantocht was. De Heer des Huizes – de man die op het portret in de slaapkamer afgebeeld was en zonder het te weten door gehele volkeren als God aanbeden werd – was een statige, rijzige tovenaar die inderdaad in de toren waar het Vlees, de Kaas en de Broccoli geboren waren gewoond had. Hij was echter een paar jaar geleden met zijn gehele huishouding verhuisd en had de toren aan haar lot overgelaten. Hij was dit eigendom al bijna vergeten toen hij door een onfortuinlijk slechte kaart aan de tafel plotseling een fortuin behoefde om zijn schuld aan de winnaar af te lossen. Hij dacht zijn toren als onderpand aan zijn schuldeiser aan te bieden; hoewel hij niet verwachtte dat de reeds verlaten bouwval veel waard zou zijn, dacht hij dat het wel ruim voldoende moest zijn om zijn schuldeiser tijdelijk tevreden te stellen terwijl hij het gevraagde geld bijeen sprokkelde. Hij had geen idee dat zijn eigendom sinds hij het verlaten het niet minder, maar juist veel meer waard geworden was. Toen hij voor het eerst sinds jaren zijn landgoederen weer betrad, dacht hij eerst verdwaald te zijn, aangezien hij niets van het zijne herkende. Zijn ooit droevige en naargeestige moerassen waren veranderd in een weelderige landschap vol geurige bloemen en kalmpjes kabbelende beken. Zijn verwarring nam nog meer toe toen hij, bij het betreden van zijn landen, werd aangevallen door een leger wilde Broccolimannen. Toen hij hen echter bestookte met het vuur dat zij allen herkende als de heilige vlammen des doods uit de zaal in te toren waar men heen ging om te sterven, staakte zij hun aanval en weken zij achteruit om eerbiedig voor hun Heer te knielen. De Heer des Huizes wist gewoonweg niet wat hem overkwam en liet zich maar gewillig door de menigte naar zijn toren – die hij nauwelijks herkende, zo fraai zag hij eruit – leiden. Eenmaal binnen verbaasde hij zich over de schoonheid van het interieur. Hoewel hij alles kaal en vies achter had gelaten, werd hij nu ontvangen in een hal die blaakte van pracht; de muren waren gedrapeerd met de fraaiste kleden en overal stonden majestueuze beelden, waarvan veel zijn gelijkenis droegen. Onder het vrolijk gejoel van zijn lyrische gevolg werd hij naar zijn slaapkamer – het heiligste der heiligdommen voor de nieuwe inwoners van de toren – gebracht, waar een raad van de meest wijze der Kazen en Vlezen op hem wachtte. De wijzen, ofschoon zij gebruikelijk een kalm en mild temperament hadden wat bij hun status paste, raakte nu buiten henzelf van vreugde. Niet alleen zij – de uitverkorenen – maar alle wezens die in en rond de toren woonden voelden dat dit het belangrijkste moment van de geschiedenis van de toren zou zijn; onwillekeurig waren zij allen uitzinnig van vreugde dat nou juist hun generatie diegene was die dit mocht meemaken. De Heer des Huizes was door dit alles nogal in verlegenheid gebracht. Hij kreeg al snel door dat hij door deze vreemde wezens als schepper werd gezien; en toen hij bij zichzelf te rade ging, besefte hij tot zijn schrik dat ze wel daarin wel eens gelijk konden hebben. Hij had inderdaad bij wijze van een ludiek experiment nog voor zijn vertrek zijn mensvormige mallen vol gepropt met het voedsel wat zijn huishouden niet meer met zich mee kon dragen. Hij had er verder geen hoogdravende bedoelingen mee gehad; hij was zelfs vergeten de resultaten van zijn experiment te komen bekijken...Tot vandaag, dus. Hij voelde dat hij bij deze uitzinnige menigte niet zomaar met zulk een teleurstellend scheppingsverhaal aan kon komen. Wie wil er nou horen dat hij per ongeluk en zonder bedoelingen geschapen is? Als hij zijn schepper zou ontmoeten en Hem naar de reden van zijn bestaan zou vragen, dan verwachtte hij toch zeker wel iets beters dan: “Ja, ik weet het ook niet hoor; ik had er eigenlijk helemaal geen bedoelingen mee. Het ging gewoon zo.” Maar goed, zij waren voedsel en hij had honger; dus gaf hij zijn schepping de doel die nog het dichts in de buurt van de waarheid kwam, zonder een leugen te zijn. Hij verklaarde op een zo plechtig mogelijke toon dat de zin van het bestaan was om door hem als voedsel opgegeten te worden. Tot zijn verbazing werd deze openbaring niet met angst of afschuw, maar juist met uitzinnige vreugde ontvangen. Voor de Heer des Huizes was het een afschuwelijk idee om van je schepper te horen te krijgen dat je slechts als voedsel voor Hem diende; maar tegelijkertijd bedacht hij zich dat het voor voedsel misschien anders zou zijn. Voedsel bestond immers om gegeten te worden, dat wist iedereen; en het aangezicht van een ongenuttigde, wegrottende maaltijd was voor niemand leuk om te zien. Hoe meer hij er over nadacht, hoe meer hij overtuigd raakte van het feit dat zijn slinkse leugen de waarheid was: natuurlijk had hij deze wezens geschapen met de bedoeling hen op te eten. Hun gejuich en vrolijkheid bij kennisneming van dit noodlot bevestigde dit. Hij – een serieuze, machtige tovenaar – had toch zeker niet zomaar voor zijn lol zijn tijd lopenverprutsen door lukraak maar wat in een mal te proppen? Nee, hij had deze wezens geschapen met precies die rede: om hen op te eten. Het was hem zonneklaar. Voor zijn schepping bleek het indien mogelijk nog klaarder te zijn. De ware betekenis van de Vuurzee werd gelijk aan het Voedselvolk duidelijk: het was eerder een oven dan een crematorium, en de dood was je lichaam die tegen je zei dat je klaar was om bereid te worden voor een maaltijd: vandaar dat men om te sterven naar de oven toe trok. Zo werd de betekenis van al hun tot dan toe mysterieuze instincten aan hen door hun Schepper – de Heer des Huizes – geopenbaard. Zij hadden de toren opgeknapt om Hem erin te kunnen ontvangen en zouden nu henzelf aan Hem als maaltijden opdienen; dat is waarom zij werden geboren; dat is waar zij voor stierven. Het ging slechts een korte tijd goed. De Heer des Huizes kon gemakkelijk van de doden leven; maar een Heer gaat een dergelijk eentonig dieet van slechts drie spijzen per dag maar al te gauw vervelen. De Heers de Huizes liet – zoals een Heer van stand betaamde – van heinde en verre allerlei exotische spijzen naar zijn toren brengen en stopte deze in zijn magische mensmakende mallen. Spoedig wemelde het in de hallen van de toren van de dadels, vijgen, ananassen, mango's en meer vreemdsoortige voedselwaren. Hoewel het verlichte Vlees zijn kameraden gebood deze nieuwe creaturen die de Schepper hen schonk als broeders te accepteren, bleef met name de Broccoli de nieuweling met achterdocht en argwaan bekijken. De Broccoli was een wezen die zijn wortels diep in de grond had; zij duldde geen wezens van andere aarden en weigerden hun land met hen te delen. Deze nieuwe voedselsoorten moesten binnen gehouden worden om hen tegen de wraak van de Broccoli te beschermen; maar zonder hun wortels in de levensgevende aarde te schieten, konden de exotische groente- en fruitwezens niet overleven; dit veroorzaakte weer voor nog meer spanningen in de voorheen zo vredige toren. De exotische vruchten en groenten moesten onder bewaking van de Kazen en slechts voor een beperkte tijd zo snel mogelijk zich voeden, voor zij weer terug de toren in werden geleid; terwijl zij eigenlijk liever, net als de Broccoli, buiten zouden verblijven. Als het bij het introduceren van deze vreemde wezens was gebleven, dan was de schade wellicht nog te overzien geweest. Dan had het Vlees misschien nog tussen de Broccoli en de exotische nieuwe soorten kunnen bemiddelen om een redelijk compromis te bereiken. Maar de Heer des Huizes ging nog een stapje verder. Hij was slim genoeg om een toespeling van vrouwe Fortuna als zodanig te herkennen en besloot van zijn toren tot een restaurant te maken. Een restaurant waar de bediening tegelijkertijd het menu was die zichzelf bereidde en serveerde was nou precies het soort ludieke concept dat zo goed bij de tovenaarselite in de smaak viel. Het restaurant werd dan ook een regelrechte hit en de toren stroomde al gauw vol met gasten die met smaak de verschillende vreemde wezens die om hen heen dartelden verzwolgen. Zoals bekend dronk de Kaas de melk van het Vlees en schonk hen in ruil hiervoor brokken die zij van nature afscheidde; de gasten van de Heer des Huizes hadden echter een voorkeur voor het Vlees, wat in geen ander restaurant zo mals te krijgen was. Men was al gauw door de voorraad doden heen, en om de vraag naar Vlees bij te houden moesten jonge, gezonde vleeswezens die eigenlijk nog lang niet sterven moesten zich in de oven werpen om opgediend te worden; iets wat zij gewillig en maar al te graag deden; om door een mens opgegeten te worden was de hoogste eer die een Voedselwezen bereiken kon. Maar doordat er meer Vlees dan Kaas gegeten werd, bleef er te weinig melk over om de Kaas populatie op pijl te houden en begon zij gestaag af te nemen. En omdat het vooral de Kazen waren die de toren onderhielden, begon deze bij de afbreuk van de kaaspopulatie langzaam af te brokkelen. En omdat het zowel het Vlees en de Kazen waren die de Broccoli ervan weerhielden de toren te reinigen van buitenaardse vleeswezens, waren zij in hun geslonken aantallen niet meer in staat om de boze menigte van Broccoli in bedwang te houden. Het Broccolivolk bestormde de toren in grote groene golven en sloegen in hun tirade de eens voor hun heilige hallen en beelden aan diggelen. Dit alles deed de gasten van de Heer des Huizes in grote paniek geraken die, hoewel zij als mensen en evenbeelden van de Schepper niets van de Broccoli te vrezen hadden, in angst voor de groene revolutie op de vlucht sloegen. Zonder klandizie en met een toren die tot een ruïne dreigde te vervallen, had de Heer des Huizes geen keuze: hij moest de hele boel wel in de hens steken. Het branden bracht de Broccoli in extase: zij droomden er sinds de Openbaring al van om gekookt en door hun Heer verorberd te worden; ze wisten echter – terwijl ze verkoolden en het leven verlieten, niet dat ze – net als hun voorouders, aan wie de door de Schepper aan hun geopenbaarde waarheid van de dood nog onbekend was, tot as zouden zouden wegbranden en in niemands maag zouden belanden. En zo geschiedde het dat door de wederkering van haar schepper een gelukkige en welvarende gemeenschap roemloos ten onder bracht. In ruil voor de waarheid van hun bestaan hadden zij alles op moesten offeren; des te tragischer was het dat deze verwonnen waarheid op een leugen berustte, en dat de ware aard van hun bestaan voor hen altijd verborgen zouden blijven. Zij hadden zich aan een leugen opgeofferd. De Heer des Huizes verkocht de toren en borg zijn magische mensmakende mallen voorgoed op, om hen nooit meer te gebruiken. 18 januari 2014
De peperkoekdame
Om haar komkommerruggengraat heen had de magiër noedels als zenuwen gespannen. Als vlees had hij een deken van deeg om haar kaneelstokbotten heen geweven, en door een lange keten van penne kon de tomatensap vrijelijk stromen. De overige organen waren van koek, behalve dan de dikke tomaat die trouw als hart diende. De magiër plaatste haar voorzichtig in een hoge oven die rook naar allerlei zoete spijzen. Ze had nog lege oogkassen en een holle mond; de ogen, tong en alle andere vochtige organen zouden pas na het bakken worden geïmplanteerd, net als de huid en het haar; een dikke laag glazuur met een toefje slagroom. En dit alles alleen maar om een blauwtje die hij bij een knappe heks had opgelopen te rechtvaardigen.
“Je ziet er uit om op te eten”, had de magiër gezegd, wat hem enkel een cynische kakel en de repliek “Sorry, ik date geen kannibalen,” op had geleverd. “Uit principe.” Nu kon de magiër helaas niet meer tijdreizen deze eeuwigheid. Hij had een verbod opgelegd gekregen vanwege een akkefietje aan het Franse hof. Hij had Marie-Antoinette overtuigt om een banket te houden met allerlei soorten taarten en vlaaien ter ere van het boerenvolk. Dat was zijn soort humor. Wat hij wel kon doen was een ding uit het verleden wisselen met haar evenbeeld uit het heden: zo was hij zelf immers ook in deze tijd beland, door met zijn verleden van bewustzijn te wisselen. Meestal stuurde hij dan eerst een briefje aan zichzelf eer hij wisselde, anders was het ook steeds weer zo plotsklaps. Het plan was om de bloedmooie heks van toen te wisselen met de peperkoekdame van nu. Dat zou meteen zijn openingszin rechtvaardigen en tegelijkertijd ter plekke de eerste date regelen. Twee vliegen in één klap. Toen werd een rode envelop op de tafel opeens blauw. Nu wist de magiër natuurlijk ook wel dat het niet de kleur was die was veranderd, maar de gehele envelop, die niet echt veranderd was maar gewoon gewisseld was met haar tegenbeeld uit de toekomst. Dit stond er in: Nu is het mijn beurt De envelop was weer rood en de oven leeg. Het rook zelfs niet zoet meer, maar eerder muf. Hij had zichzelf goed tuk. Als hij namelijk nu weer terug zou wisselen met zichzelf uit het verleden die uit de toekomst kwam, zouden ze in een oneindige lus belanden: hij zou in het verleden en de toekomst tegelijk zijn, en zo nooit meer tot het heden kunnen komen. Niet alleen zou dat een zeer nare manier zijn om om een oneindigheid mee te maken, het zou ook nog eens zeer onbeleefd zijn. Dat wis hij natuurlijk donders goed, de snoodaard. Desalniettemin moest hij zichzelf ook wel eens een keer een lolletje gunnen. Dus wisselde hij zijn avondgewaad om voor een kamerjas uit de Renaissance en plofte maar weer voor de televisie neer om de programma's te kijken die hij al zo vaak had gezien. 22 maart 2012
Dubbelzien
“Wie dronken is, ziet dubbel” - Joop had dit gezegde nooit goed begrepen; ofschoon hij momenteel volslagen lam langs de grachten zwalkte, zag hij alles slechts in enkelingen; dat wil zeggen, hij zag alleen eenheden, geen dubbelheden. Hij snapte de grafische grap natuurlijk wel. Lambik die zijn enkele vijand verviervoudigd ziet en hem vervolgens beticht van laffe krijgstucht - zo van: “durven jullie wel, vier tegen één?!” - da’s lachen. Maar op die manier dubbel zien, is net zoiets als vogeltjes om je heen zien fladderen nadat je een klap op je kop gekregen hebt; een visuele manier om het onzichtbare, namelijk het gevoelsmatige, op komische wijze zichtbaar te maken. Leuk voor een Road Runner cartoon, maar daarmee nog niet waar of werkelijk. Joop was van mening dat het leven best af en toe wat meer op een tekenfilm mocht lijken. Zodoende nam hij zich voor dubbel te gaan zien, en wel deze avond, nu hij toch dronken was. Maar was hij wel dronken genoeg? Misschien was hij wel nog nooit dronken genoeg geweest op dubbel te zien, en was het dubbel zien simpelweg een stadia van het dronkenmanschap dat hij nog nooit gehaald had. Helaas was het drinken van meer alcohol uitgesloten: alles was reeds dicht, hij was blut en bovendien had hij zojuist al moeten overgeven. Als het stadium ‘alcoholvergiftiging’ tussen ‘braken’ en ‘dubbelzien’ lag, dan bedankte Joop liever voor de moeite. Dat was het dubbelzien hem nou ook weer niet waard. Scheel kijken dan; dat was hoe men gebruikelijk dubbel zag. Telde het dan wel, als je met een dergelijke kunstgreep het dubbelzien afdwong? Zag je dan dubbel omdat je dronken was, of omdat je zojuist scheel had gekeken? Een krankzinnige gedachte, vond Joop zelf ook. Er waren geen regels voor het dubbelzien tijdens het dronken zijn. Het was niet alsof het Guinness Book of Records zou komen controleren. Maar toch: Joop wou het graag goed doen. Als hij iets deed, dan deed hij het goed: hij leverde geen halfslachtig werk. Maar hoe kan je iets dat gewoonlijk mensen zomaar overkomt goed doen? Dat was me nog eens een kluif. Zo diep in zijn eigen gedachten verzonken zwalkte Joop door, tot hij plotseling wreed in zijn denktrant gestoord werd doordat hij met een geweldige knal tegen een lantaarnpaal opliep. Zijn eerste gedachte was: verdomme! Kijk eens uit waar je loopt; maar zijn tweede gedachte was: hoera! Ik ben tegen een lantaarnpaal opgeknald; is dat niet wat dronkenlappen gebruikelijk doen op een nacht dat ze dubbelzien? Een betere aanleiding om dubbel te gaan zien had hij zelf nog niet in een volle nacht kunnen bekokstoven en nu werd het hem zomaar in de schoot geworpen! Hij was haast teleurgesteld dat hij geen vogeltjes zag. Wat hij wel zag, was de lantarenpaal; en niet een, maar twee; boor zijn gezicht spleet de lantarenpaal in tweeën uiteen. Joop sloeg direct zijn blik terneer naar zijn armen en zag deze ook dubbel, waardoor hij zich een hindoeïstische godheid waande; je weet wel, zo een met vier-tot-zes of acht armen, al had hij er in werkelijkheid natuurlijk slechts twee. Joop moest, ondanks de enorme kloppende pijn in zijn voorhoofd, joelen van vreugde, omdat hij in zijn opzet geslaagd was en eindelijk eens dubbel zag terwijl hij dronken was. Joop sprong vreugdevol overeind om de dubbele wereld eens goed te verkennen. Wat was er veel te zien, voor een die dubbel zag! Dubbel zo veel, bedacht Joop zich. Maar diep in zijn verrukking ontsprong langzaam een kiem van zorgen; leuk, dat dubbelzien; maar hoe lang zou dit duren en wanneer kwam er een eind aan? Deze zorgen gingen sneller groeien doordat het dubbelzien Joop zijn lopen vermoeilijkte en steeds erger leek te worden. Niet alleen de grachten, maar ook de straat waarover hij liep en de lantaarnpaal die hij achter zich liet schoven in tweeën uit elkaar. Hij zag niet zozeer eenheden dubbel – zoals Lambik de eenheid van zijn tegenstander verviervoudigd zag terwijl de omgeving gewoon hetzelfde bleef – maar Joop zag werkelijk alles dubbel; het geheel van alles – de omgeving zelf dus - werd verdubbeld zonder dat de individuele dingen verdubbelden. Het was alsof een onzichtbare godhand het plaatje van alles wat Joop zag op doorzichtig papier had overgetekend en nu de twee bladen voor Joop zijn neus uit elkaar trok; en niet slechts een beetje, maar steeds verder en verder zodat de twee aangezichten steeds verder van elkaar vandaan schoven. Het meest bizarre was wel dat hij zichzelf – of ten minste, de delen van zichzelf die hij kon zien – ook dubbel begon te zien. Twee paar armen; twee neuzen; twee sets rompen, benen en voeten en zelfs twee matten haar liepen voor hem uit. Dit werkte zo desoriënterend dat Joop er misselijk van werd en moest overgeven; ook dubbel, aangezien hij twee plassen kots kon zien toen hij weer opkeek. Naar mate de twee tekeningen steeds verder uit elkaar schoven, zag hij ook steeds meer van zijn nabeeld; op een gegeven moment zag hij zelfs diens rug voor hemzelf uitlopen. Hij bedacht zich: verrek, het lijkt net alsof iemand een spiegel voor mij houdt; maar deze gedachte klopte van geen kant, aangezien zijn reflectie geen spiegelbeeld, maar eerder een evenbeeld was en hij niet diens gezicht, maar diens rug tegen zich gekeerd zag. Tot zijn afschuw zag hij zijn nabeeld steeds verder op hem uitlopen, wat een verschrikkelijke gedachte door hem heen deed gaan: het lijkt wel verdomme alsof ik het nabeeld ben van wat voor mij loopt! Dit voelde waarachtig verkeerd; het was alsof een deel van hem uit hem ontsnapt was en nu van hem wegliep; of nog erger, dat hij hetgeen was wat achter werd gelaten; een nabeeld wat spoedig zou worden vergeten. Uit paniek ging Joop sneller lopen, zelfs rennen; maar zijn voorbeeld hield hem gemakkelijk bij en liep verder op hem uit; en almaar schoven de tekeningen verder uit elkaar. De hoofdpijn werd erger en de werelden bleven maar verder splijten. Net toen de pijn ondragelijk dreigde te worden, hoorde Joop twee keer een toeter; zag twee keer het licht van een auto en werd alles in één keer zwart. --- Toen Joop later in het ziekenhuis ontwaakte zag hij tot zijn grote geruststelling niets dubbel meer; enkelingen zag hij slechts één keer in één wereld. Hij kon zich nog levendig de avond van het dubbelzien herinneren en ging er vanuit dat hij aangereden was en daardoor in een ziekenhuis was belandt; zijn lichaam deed echter nergens pijn en hij had geen gips of zelfs maar een verbandje om of een infuus aan zijn arm. Hij scheen kerngezond en stond dan ook met het grootste gemak op en liep de gang in, op zoek naar een spiegel om te zien hoe hij er aan toe was. Hij vond er direct een op de gang. Hij keek in het kijkglas; maar er keek niemand terug. Zijn spiegelbeeld was weg; verdwenen. 9 december 2013
Ernst Marsman, de Mensheid en de Singulariteit
Ernst Marsman ontwaakt in een ziekenhuis; of, in ieder geval, in wat zich vanuit zijn beperkte, particuliere perspectief, het beste als een ‘ziekenhuis’ laat beschrijven. Hij vernauwt zijn ogen om hen te beschermen tegen het scherpe licht van de lampen die op hem gericht zijn. Ik dim ze aanzienlijk, opdat Ernst zijn ogen vol open kan houden; hij zal ze nog nodig hebben. Ik wacht nog even voordat ik mijzelf toon. Dit is een cruciale stap en het is van groot belang dat het allemaal organisch verloopt. Ernst kijkt om zich heen. Hij vraag zich nu vast hoe hij hier gekomen is en wat hij hier doet; wat gaat er nu met hem gebeuren? Ik merk dat ik dit stille wachten als spannend ervaar. Ernst staat op en merkt dat hij in een mintgroene ziekenhuisjas is gehuld. Hij kijkt om zich heen, vermoedelijk opzoek naar de uitgang, maar vindt deze niet; de kamer waar hij zich in bevind heeft geen deuren of ramen. De kamer, die uit vier muren, een plafond en een vloer bestaat, is naast het bed en de patiënt volledig leeg. Hoewel , patiënt? Dat is hoe Ernst natuurlijk niet, al zou hij zichzelf zomaar op dit moment zo kunnen zien, gezien de omstandigheden. Ernst zijn gezicht vertrekt in angst. Een lichte rilling schiet door zijn lichaam en hij ziet opmerkelijk bleek. Ik besluit hem niet langer in spanning te houden en hem geen kans te geven om in paniek te geraken; wij zijn hier niet om hem te martelen. Integendeel. Ik materialiseer in de ruimte, niet ver van Ernst vandaan. Deze schrikt zich een ongeluk en struikelt achteruit; begrijpelijk, en zelfs sympathiek. Het is nu aan mij om hem gerust te stellen en een beetje te bedaren. “Ernst Marsman,” zeg ik in mijn meest zalvende stem. Doch blijf ik onzeker over de toon: dat is de eerste keer dat ik mijn stem gebruik en ik ben bang dat ik het spreken ben verleerd. “Ernst Marsman?” herhaal ik in een iets andere toon wanneer ik geen gehoor krijg. Ernst staart mij vreemd aan, angstig en verstart ondanks mijn beste pogingen om geruststellend over te komen. “Ernst Marsman,” zeg ik voor de derde keer, “Kunt u mij-” “Ja, ja; ik hoor u luid en duidelijk,” antwoord Ernst opeens haastig, “Sorry – mijn excuses. Ik dacht dat ik u…U zag verschijnen, ha-ha, uit het niets; alsof u hier naar binnen teleporteerde…Beam me up, Scotty!” Ernst lacht vreemd en onnatuurlijk, alsof hij met zijn gelach de schrik kan verdrijven. Ik besluit om voorlopig mijn afstand te houden, om hem maar zo min mogelijk angst in te boezemen. Mijn verschijning lijkt hem al flink wat schrik te hebben aangejaagd. “Dus…Uhm. Dokter – u bent toch de dochter – een dokter, bedoel ik? U bent dokter?” vraagt Marsman, een beetje verdwaasd. Ik sta nu voor een keuze: ik kan Ernst voorliegen om hem gerust te stellen, of ik kan hem de koude waarheid vertellen en het risico lopen hem nog meer angst aan te jagen. Ik verkies het laatste: eerlijkheid boven alles; wij zijn hier niet om spelletjes met elkaar te spelen. “Nee, Ernst Marsman – een dokter ben ik niet,” zeg ik voorzichtig. “Ernst Marsman – wat ik u ga vertellen, zal misschien lastig zijn om te verdragen, of zelfs maar te begrijpen: maar ik ben het liefste eerlijk en direct; ik zie geen reden om u met fluwelen handschoenen aan te pakken, of de waarheid voor u mooier te maken dan zij is. Begrijpt u? In ruil voor deze eerlijkheid, moet u beloven rustig te blijven. Dat is het voornaamste: dat u rustig blijft.” “O God…O Jezus…” stamelt Marsman in paniek. Ik besef mij dat dit scenario veel lijkt op hetgeen waarin de dokter zijn patiënt een terminale diagnose geeft, ondanks het feit dat ik verklaart heb geen dokter te zijn; goed, het hoeft natuurlijk ook niet per definitie de dokter te zijn die het slechte nieuws brengt…Deze misvatting moet ontkracht worden, eer zij meer schade aan kan richten. “U bent kerngezond, Ernst Marsman,” verzeker ik hem stellig. “Als dat zo is, wat doe ik hier dan?” zegt Ernst geprikkeld met een gebaar op zijn mintgroene ziekengewaad. Ernst heeft een wisselvallig temperament en blijft niet lang in de angst vastzitten: het is een goed teken dat hij zich nog kwaad kan maken; dat gaan we nog eventueel nodig hebben. Het zal in ieder geval te verkiezen zijn boven enkel angst. “Uw verwarring is begrijpelijk, Ernst Marsman, gezien de omstandigheden waarin u zich bevindt en het beperkte particuliere perspectief wat u hier op heeft,” zeg ik zalvend. “Maar ondanks de indruk die u van mij en deze kamer heeft gekregen, ben ik geen dokter en is dit geen ziekenhuis; en bent u zelfs kerngezond.” “Waar ben ik dan wel?” zegt Ernst, nog steeds geprikkeld, “En wie bent u dan? Wat is hier eigenlijk gaande; wat voor spelletje speelt u? Hup, vooruit met de geit; de kaarten op tafel!” “Ik zie dat mijn woorden weinig verklaren en alleen maar meer verwarren,” zeg ik kalmpjes. Ik gebruik mijn benen om naar de muur te lopen – om Ernst dan maar gerust te stellen met herkenbare bewegingen en gebaren die men van een medemens kan verwachten – en maar een deur. Ik stap erdoor heen en wenk Ernst mij te volgen. Wij staan nu in een stijlvolle lounge vol gemakkelijke stoelen die hopelijk Ernst Marsman familiair zal overkomen. Ernst draagt nu in plaats van het mintgroene ziekengewaad een smaakvol zwart pak met nette schoenen en een blauwe das. Ernst schrikt als ik de deur waardoor wij gekomen zijn doe verdwijnen. Hij ziet er nog steeds gespannen uit en siddert over zijn gehele lichaam. Ik zie dat ik hem een verklaring schuldig ben. “Wees gerust, Ernst Marsman,” zeg ik rustig, “Bij mij bent u volkomen veilig. U verkeert in geen gevaar.” Ernst kijkt mij angstig aan met zijn grote ogen terwijl hij met ongelovige klopjes zijn nieuwe jas afvoelt. “Wat…”stamelt hij bibberend uit (hoewel hij niet koud kan zijn, met zo’n warme jas in zulk een warme ruimte) “Wat… Waar ben ik? Hoe – hè?!” Ernst blijkt reeds zo verdwaasd te zijn dat hij zijn verbazing geen eens meer fatsoenlijk uiten kan. Ik maak een bank voor hem, waar hij zonder te denken op neerploft. Ik besluit het toch maar over een andere boeg te gooien: de waarheid laat wel even op zich wachten. Eerst moet Ernst zich op zijn gemak voelen en voor de Vraag ontvankelijk gemaakt worden. Ik ga naast hem zitten met mijn lichaam. “Iets te drinken?” vraag ik hem zo ontspannen mogelijk, om hem op zijn gemak te stellen. “Graag,” zegt hij verslagen. Ik maak een glas water voor hem, maar hij schudt zijn hoofd en duwt het weg. “Iets sterks,” mompelt hij. Hoewel dit mij geen goed idee lijkt, gezien ik hem weldenkend en nuchter nodig heb, geef ik toch maar gewoon gehoor aan zijn verzoek. Wellicht betekend een dergelijk loos gebaar wel maar voor hem dan een duizend ware woorden. Ik maak whisky van het water en biedt het opnieuw aan. “Op mijn gezondheid,” zegt Ernst spottend met een geheven glas, alvorens hij een flinke slok neemt. Zijn gezicht vertrekt onder de sterkte van de smaak; doch, hij schijnt het lekker te vinden en zich wat te ontspannen. Ik besluit het initiatief voorlopig maar aan hem over te laten; ik zal wachten tot hij uit zichzelf met vragen komt; zo krijgt hij misschien het gevoel dat hij in controle is en er niet met hem ‘gespeeld’ wordt, zoals hij het zelf al zei. Het duurt nogal wat stille slokken eer Ernst eindelijk het woord neemt; uiteindelijk is het zijn lege glas dat hem een natuurlijk aanleiding om te spreken geeft. “Meer,” eist hij zwakjes. Ik schenk hem een bodempje bij, alvorens hij nog een keer “Meer” zegt, maar met minder zwakte en meer dreiging. Ik verkies deze nieuwe assertiviteit als een positieve ontwikkeling op te vatten en beloon het gewillig door Ernst zijn glas gehoorzaam bij te schenken. “Oké,” zegt Ernst hardop tegen zichzelf om moed te verzamelen, “Oké. Ik heb twee theorieën: aliens of het vagevuur. Aangezien ik niet gelovig ben – al menen sommige dat het geloof in aliens al een religie op zich is – ga ik voor aliens. Heb ik gelijk?” “Nee,” zeg ik eerlijk en direct, dankbaar dat Ernst opeens zo spraakzaam geworden is. “Geen van beiden.” “En ook geen dokter, dus,” zegt Ernst spottend. “Nee, ook geen dokter.” “Wat dan?” zegt Ernst fel, “Een tovenaar; een illusionist? Waar zijn de camera’s? Wanneer wordt dit uitgezonden? Hallo mama! Ik ben op TV!” Bij deze laatste uiting zwaait Ernst schertsend naar een willekeurige hoek van de kamer, waar de camera’s zich zogenaamd zouden bevinden. “Geen camera’s,” verzeker ik hem resoluut. “TV bestaat niet meer-” “A-ha!” roept Ernst opeens enthousiast, “Dit is de toekomst?! Dat had natuurlijk mijn eerste gok moeten zijn – de toekomst, ha-ha! God, wat stom, dat ik daar niet meteen aan dacht. Zeg, hoe ben ik hier terecht gekomen? Ben ik per ongeluk door de tijd gevallen? Ben ik bevroren en hebben jullie mij ontdooit? Maar daar kan ik mij niets meer van herrineren…Wat vreemd! Hebben jullie dat soms uit mijn geheugen gewist, om het onderzoek van de primitieve mens puur te houden?! Ha-ha! Dat is dan flink mislukt – ik heb jullie door! Zeg, welk jaar is dit? Drieduizend? Vierduizend? Veertienduizend? In the year twenty-five twenty-five… if man was still alive…he might find…?” Dit alles zegt Ernst uiterst gespannen – dat in het Engels zong hij op een haast koortsachtige, krankzinnige toon. “Probeert u alstublieft vooral rustig te blijven; dat is het voornaamste, dat u rustig blijft,” zeg ik tegen Ernst terwijl ik hem gebiedt weer te gaan zitten. Ernst gehoorzaamt mokkend en kijkt mij met een waas van angst in zijn ogen aan. De kijk dwars door hem heen: de gekkigheid van zo-even was duidelijk een masker om zijn vrees te verhullen: Ernst is bang. Geen wonder, gezien de omstandigheden waarin hij zich bevindt en het beperkte particuliere perspectief dat hij hierop heeft. “Ik kan maar beter doen wat u zegt, niet waar?” snauwt Ernst defensief, “Anders schiet uw me vast neer met uw straalgeweer – pieuw pieuw take me to your leader, ha-ha!” “Ernst Marsman,” zeg ik voorzichtig, “Ik heb u geen kwaad in de zn. Ik ben hier om u te helpen bij het maken van uw beslissing – wat ik hiermee bedoel, zal hopelijk snel genoeg duidelijk worden. Als u vragen heeft, beantwoord ik die graag – zo niet, dan zal ik beginnen-” Ernst onderbreekt mij met een koortsachtige haast, bang voor dat begin wat ik vermeldt. “Die deur, die kleren en die whisky… Hoe… Hoe werkt dat? Een soort replicator uit Star Trek? Kun je zomaar alles wat je wilt uit het niets maken?” “Alles uit het niets…?” zeg ik langzaam terwijl ik mijn woorden zorgvuldig overweeg. Ik moet voorzichtig zijn om niets te zeggen wat Ernst overstuur kan maken. “Nee, niet ex nihilo –maar nagenoeg wel. De precieze details zijn niet belangrijk en gaan uw verstand te boven; dit zeg ik niet uit geveinsde superioriteit of om denigrerend te doen, maar noem het gewoon als feit: een particulier brein dat geen deel neemt aan het universele beschikt simpelweg niet over de rekenkracht om de complexiteit van de precieze wetenschap te bevatten.” “Dus…Net als Star Trek?” vraagt Ernst voorzichtig, flink van zijn stuk gebracht. “Als die vergelijking u helpt om het daarjuist voltrokkene inzichtelijk te maken, dan ja; net als Strek Trek.” “Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic,” citeert Ernst plechtig. “Clarke’s derde wet; ja, dat klopt wel zo ongeveer, vanuit uw beperkte particuliere perspectief bekeken,” bevestig ik. “Ik ben blij dat jullie die wet ook nog kennen in de toekomst,” verzucht Ernst. “Dus…Je kan alles maken wat je maar wilt?” “Alles wat u maar wilt,” verzeker ik Ernst, met de nadruk op u. Het voorspelbare volgt: Ernst noemt een paar dingen op die ik gehoorzaam voor hem schep. Pas als de gehele kamer gevuld is met onzinnige prullaria begint het zijn primitieve geest te vervelen. Hopelijk heeft deze ervaring hem ontvankelijker gemaakt voor de komende onthullingen en de daaruit volgende keuze die hij verwacht wordt te maken. “Oké, de toekomst dus..” zegt Ernst met het ongeloof nog enigszins hoorbaar in zijn stem. “Nou…Begin dan maar…Met het experiment, of wat het dan ook is waarvoor je me naar de toekomst gehaald hebt.” Hier had ik op zitten wachten: hij neemt het initiatief en toont zich hierin gewillig om wat komen gaat te ontvangen. Ik begin. “Hebt u wel eens van de Singulariteit gehoord, meneer Marsman?” “De Singulariteit…?” mompelt Ernst bedachtzaam. “Ja…Ja. Ik geloof het wel; is dat niet…Is dat niet wanneer robots zo slim worden dat ze zich tegen de mensheid keren – O god! Is dat wat er gebeurd in de toekomst?! Hebben de robots de mensheid uitgeroeid en de wereld overgenomen? En hebben de robots mij nu uit oud DNA gekloond om mij te bestuderen... Als een reliek uit het verleden; om mij in een dierentuin te stoppen?! Een mensentuin! God allemachtig! Het lijkt Planet of the Apes wel!” Ik hoor het geraaskal van Ernst geduldig aan. Een terugval naar zijn paniekerige staat was ongewenst, maar enigszins te verwachten en zeker niet onsympathiek. Ik probeer hem te kalmeren: “Nee, nee. Niets van dat alles – u begrijpt mij verkeerd. Blijft u vooral boven alles rustig, dat is het voornaamste; en bedenkt u dat u geen gevaar loopt…” “Ja, ja, oké, sorry…” mompelt Ernst geschrokken, “Je hebt wel bewezen dat je goedaardig bent, ja… Tenminste, tegen mij… Ik geloof niet dat je mij kwaad wilt doen… Ik vertrouw jou wel. Goed. De Singulariteit dus. Gaat u alstublieft verder.” “Ik dank u voor uw begrip,” zeg ik vriendelijk, “Ik zal alles zo helder en begrijpelijk mogelijk uit proberen te leggen. In uw tijd speculeerde denkers al over wat zij de ‘Singulariteit’ noemde: het moment waarop artificiële intelligentie het menselijke intellect zou evenaren en in staat zou zijn om zelf nog slimmere artificiële intelligentie te ontwerpen, wat op haar beurt weer nog slimmere intelligentie zou ontwikkelen, et cetera.” “Tot in het oneindige, dus,” merkt Ernst scherp op: hij begrijpt het tot dusver. “Precies. Ad infinitum,” vervolgd ik, “oneindige intelligentie en dit slechts in één oneindig kort moment. Dat moment – dat in uw tijd slechts een theoretische mogelijkheid was – heeft inmiddels plaatsgevonden; of, beter gezegd, vind nog steeds plaats, heeft altijd plaats gevonden, heeft nooit niet plaatsgevonden en zal voor eeuwig voortduren. Oneindig en eindeloos.” “Wow…” zegt Ernst, half-sprakeloos. “Heavy shit – mind is blown, gewoon. Jezus. Oké – jij bent een robot, dus-” “Nee, Ernst Marsman” zeg ik geduldig, “Ik ben de Singulariteit; ik ben alles dat is, ooit is gewest en wat nog komen gaat; ik ben de Mensheid, tot absolute geest verworden.” Dit blijkt allemaal niet iets te veel voor Ernst om in één keer te behappen. De angst had plaats gemaakt voor pure verwarring en onbegrip: een verbetering, maar slechts een marginale. Ik besluit het nog eens te proberen op een net iets andere manier. “U had het over robots die de wereld zouden over nemen den de mensheid zouden uitroeien? Dat is één theorie uit uw tijd van wat de Singulariteit zou behelzen: en zo vreemd was die niet. Alleen hebben de ‘robots’ de mensheid niet uitgeroeid, maar zijn met de mensheid versmolten: natuur en technologie zijn één geworden. Voorboden van deze onvermijdelijke symbiose waren al in uw eigen tijd te zien.” “Wat…Computers of zo?” vraagt Ernst voorzichtig, bang om dom over te komen. Hij had zich geen zorgen te maken: Ernst Marsman kan mij noch dom, noch slim overkomen; maar dat is voor hem onmogelijk te begrijpen, gezien zijn beperkte particuliere bewustzijn. “Onder anderen, ja; al was de kiem van de Singulariteit ook al ver voor uw tijd in de menselijke geest aanwezig: van het vuur en het wiel tot koelkasten en het internet. De mensheid creëert de technologie en deze technologie vormt en veranderd de mens, zodat deze weer andere technologie schept die de mens weer op andere manieren veranderd… Met de Singulariteit als begin-en-eindpunt.” “Ook als beginpunt…?” zegt Ernst haast angstig, “Hoe bedoelt u?” “Vanuit uw beperkte, particuliere perspectief is het inderdaad wellicht alleen óf slechts een eindpunt, of slechts een beginpunt: voor u sluiten deze logische uitersten elkaar uit, en is het óf het een, óf het ander: voor mij zijn zij reeds tot één en dezelfde verworden.” “Ik snap er geen snars van,” zegt Ernst verslagen terwijl hij verder en verder wegzakt in de kale bank. “Geen ene sikkepit; geen ene bal, moer of reet. Niets snap ik er van.” “Dat is heel begrijpelijk,” verzeker ik Ernst gemoedelijk, “Onvermijdelijk, zelfs; kortom, in het geheel niet onsympathiek te noemen.” “Ik bedoel…” Ernst probeer zijn verwarring te verwoorden, maar lijkt hier niet in te kunnen slagen. Hij heeft zichtbaar moeite zijn vragen fatsoenlijk te formuleren. Doch probeert hij het nog eens: “Ik bedoel… Wat ben jij dan eigenlijk? Een mens of een machine? Een mensmachine; een machinemens?” “De Singulariteit heeft de waarheid in al haar naaktheid aan de Mensheid geopenbaard,” zeg ik naar waarheid. “De illusoire barrières tussen de zelven die de evolutie opgetrokken hebben tussen particulieren zijn komen te vervallen: toen ik, de Mensheid, de werkelijkheid door de bril van de Singulariteit aanschouwde, verkoos ik ervoor in deze vorm verder te gaan. Als één.” “Wat!” roept Ernst verwilderd uit, “Je bedoelt – Wacht. Nee, dat is – toen je zei dat de technologie en de mens met elkaar versmolten… Bedoelde je dat dit met één mens gebeurde?! En de rest hebben jullie uitgeroeid? Om mij vervolgens uit de dood te doen herrijzen voor God weet wat voor reden… Uit berouw, misschien?” “Neem nee – u bent weer te haastig in uw beredenering,” verzeker ik Erns. “Door de Singulariteit zijn alle mensen één geworden. Er zijn geen ‘mensen’, er is alleen ‘mensheid’; of de Mens, met hoofdletter. De mensheid, dat ben ik. De technologische specificaties van deze eenwording gaan een beperkt, particulier bewustzijn als de uwe ver te boven – het spijt mij, simpeler dan dat kan ik mij niet aan u uitdrukken. En dat zeg ik niet uit de hoogte, uit geveinsde superioriteit, maar louter en alleen als feitelijke constatering.” “Dus…Wacht,” stamelde Ernst met wankele stem, “Bedoel je nou te zeggend at alle mensen in één lichaam samen gekomen zijn of zo? In de toekomst… Jij bent de enige mens? Of alle mensen? Jezus…Wow. Dit is echt serieuze sci-fi-shit.” “Alleen door uw beperkte begrip van wat een lichaam is – in stand gehouden door de particulariteit van uw eigen bewustzijn – lijkt dit een vreemdheid of onmogelijkheid te zijn. Als u tot de Mensheid toe treden zou en uw particuliere bewustzijn op zou doen laten gaan in het universeel…” “Dan wat?” “Zal dat alles duidelijk maken.” Er volgt een moment van stilte. Ofschoon Ernst het nog niet als zodanig kan duiden, heb ik hem al één van de twee opties van zijn komende beslissing voorgesteld: eenwording. Wellicht was dit iets te voorbarig; maar aan de andere kant, het moest er eens van komen. “Als jij een of ander superwezen bent…” begint Ernst weer na veel geaarzel, “Aan een god gelijk, kunnen we wel stellen, hoe kan je dan überhaupt met mij praten op een manier die ik begrijp? Hoe kan ik praten op een manier die jij begrijpt? Hoe kun je mij überhaupt zien? Moet ik niet als een mier voor jou zijn; neem kleiner nog… Een atoom? Iets oneindig kleins…Even klein als jij groot bent? Jezus, nu begin ik zelf ook al…Als jou te klinken…” “Ik pas mij, om het zo te zeggen, in het geheel aan uw bewustzijn aan,” leg ik simpel aan Ernst uit. Simpel, doch waar: gelukkig maar. “En… Hoe ben ik hier gekomen?” vraagt Ernst voorzichtig, alsof hij het antwoord wat hij verwacht te krijgen bij voorbaat al vreest. “U bent uit mij gekomen, zoals ik ooit uit u gekomen ben,” zeg ik waarheidsgetrouw. “U bent, op dit moment, het enige particuliere mens dat los van het universeel bestaat; de veelheid uit de eenheid geëmaneerd, zoals ik de eenheid ben, die uit de veelvoud geëmaneerd is.” “Maar… Waarom?” vraagt Ernst zwakjes en verslagen, precies zoals ik wist dat hij het zou en moest vragen. “Om de keuze, Ernst Marsman: omwille van de keuze,” zeg ik rustig, doch met gepaste ernst. “De Singulariteit is een logische noodzakelijkheid en een metafysische onvermijdelijkheid. Maar het is géén keuze geweest: geen vrijwillige beslissing. En is dat niet wat de menselijkheid het meeste kenmerkt? Dat zij keuzes maakt?” “Waarom!” roept Ernst in oprechte paniek. Ik voel dat het gewicht van zijn komende keuze – zijn noodlot – hem begint te dagen. “Jullie hebben toch al gewonnen?” ratelt hij onsamenhangend verder, “De mensheid is toch al geassimileerd? We are the Borg – Resistance is Futile; your biological and technological distinctiveness will be added to our own? Waarom… Waarom mij dan nog de kans geven? Ik begrijp het niet… Waarom ik? Waarom niet iemand anders? Obama of zo; of ieder ander willekeurig persoon? Waarom ik?” “Maar dat is precies wie jij bent, Ernst Marsman,” zeg ik met overtuiging. “Ieder ander willekeurig persoon; de Ander, dat ben jij. En daarom moet jij kiezen. Beslissen, over mij: het Ik. Met hoofdletter.” “Kiezen! Waar heb je het over, met je kiezen?!” zegt Ernst paniekerig. Hij voelt het moment, de Singulariteit, naderen. “De keuze, Ernst Marsman,” zeg ik zo rustig en kalmerend mogelijk, “Die u en u alleen – dat wil zeggen, u in uw eentje en in uw eindige, beperkte particuliere zijn zoals het hier en nu bestaat – moet maken, is deze: óf u treedt tot mij toe en smeedt de Mensheid tot ware Eenheid, óf niet. Óf wij – de Zelf en de Ander, het Universele e en het Particuliere – worden één, of wij scheiden voorgoed van elkaar, om samen als onafhankelijken verder te gaan. Of, in termen die vermoedelijk begrijpelijker zijn voor uw beperkte, particuliere bewustzijn: óf u wordt één met mij, of u blijft uzelf. Aan u de keuze.” Ernst zakt verder weg in de rode bank. “Zeg, hoe ver in de toekomst zijn we eigenlijk?” vraagt hij toonloos. “Die vraag heeft enkel betekenis voor uw individuele, particuliere bestaan in de tijd,” zeg ik om Ernst voor een mogelijke klap tegen het gemoed te behoeden. “Geef nou maar gewoon antwoord, Spock,” zegt Ernst met een cynische lach. “Goed. Voor u is het 2013.” “Opzouten nu!” roept Ernst met ogen groot van verbazing. “Maar…Maar dat is nu?! Dat is het heden; dat is vandaag!” “Inderdaad.” “Is er nog oorlog geweest, of zo?” vraagt Ernst zwakjes. Ik hoor aan zijn toon dat hij zelf al niet meer in de vraag geloofd. Toch geef ik er maar gehoor aan. Ik weet niet goed wat ik anders kan doen. “Nee. Het duurde slechts-” “Een moment.” “Ja.” “Een singulier moment; een Singulariteit; dít moment.” “Ja.” We staan nu op straat, middenin de grootste stad op aarde. Ze is verlaten. Ofschoon ik vermoed dat Ernst het ook wel zonder dit beeld zou begrijpen, wou ik het hem toch zelf laten zien. In een paar stappen lopen we de verlaten aarde door. Van het Vrijheidsbeeld lopen we over de Chinese Muur de Eifeltoren op, die we als trappetje naar de maan gebruiken. Daar, in de stilte en zwartte van de ruimte, staren we samen naar de aarde. “De aarde is de wieg van de mens…” mijmert Ernst gedachteloos. Aangezien hij midden in het citaat stil komt te staan, maak ik het voor hem af. “…Maar de mens kan niet zijn hele leven in de wieg blijven wonen. Konstantin Edoeardovitsj Tsiolkovski.” “Wie?” “Van hem is het citaat. Tsiolkovski wordt gezien als de vader van de raketwetenschap.” “O,” zegt Ernst hol. Het feit dat hij niet eens aan mij vraagt hoe het mogelijk is dat wij zo in een vacuüm tegen elkaar kunnen praten en hij niet hoeft de ademen, baart mij zorgen. Het lijkt wij alsof hij zijn verstand verloren heeft en zijn kritische denkvermogen is afgestompt en hij nu zomaar alles voor lief neemt. In een dergelijke toestand kan hij natuurlijk de Keuze niet maken. “Jij….Jij weet dat soort dingen wel, hè?” zegt Ernst na een poos stilte. “Jij weet vast alles. Een soort superwikipedia.” “Ja,” geef ik toe, “alles wat ooit geweten is, weet ik; en alles wat kenbaar is, ken ik.” “Hoe is dat nou, om alles te weten?” vraagt Ernst schuchter. Dit is een goed teken: hij vraagt om toelichtingen voer de twee keuzes. Ik beantwoord hem dan ook graag. “Dat is onmogelijk voor een particulier bewustzijn als de uwe om te bevatten,” zeg ik. “Nou, mooi is dat,” verzucht Ernst. “Ik weet niet waarom ik überhaupt de moeite neem om het te vragen. Jij vindt volgens mij überhaupt niets: ik bedoel, je hebt geen meningen over dingen.” “Ik vindt alles van niets en niets van alles,” geef ik toe. “Zitten mijn vrienden in jou?” vraagt Ernst mij met ernst. “En mijn familie?” “Ik bevat en ben iedereen die ooit was of geweest zal zijn,” luidt het antwoord. “Behalve mij, dus,” zegt Ernst. “Ja. Behalve u.” “En hoe vindt je dat dan? Dat je iemand mist? Doet dat geen zeer?” vraagt Ernst met een spoor van hoop in zijn stem. “Zeer…?” vraag ik voorzichtig. Voor het eerst sinds onze ontmoeting brengt Ernst mij in de war. Ik weet niet zo goed wat voor antwoord ik hem geven moet: niet uit onwil, maar uit oprecht onmacht. “Dat zal dan wel een beperkte, particuliere pijn zijn, denk ik zo,” speculeert Ernst, “iets wat jij niet voelt, dus; iets wat ik niet zou voelen, als ik in ‘jou op zou gaan’.” “Dat zou zo maar eens kunnen,” geef ik toe. “Geen pijn…” mijmert Ernst, “maar ook geen genot, dus. Nergens iets van vinden…Ik kan mij er weinig bij voorstellen.” “Inderdaad. Dat kunt u niet.” “Misschien is dat maar goed ook.” We lopen inmiddels over het gasachtige oppervlakte van Venus. Ernst is stil en is vermoedelijk nog zijn keuze aan het overdenken. Ik denk nergens over en aan alles. Op Mercurius stel ik hem de vraag. “Heb je al een besluit genomen?” “Nou…Nee, niet bepaalt,” zegt Ernst terwijl hij halt neemt vlak bij de zon. “Maar weet je… Ik zat te denken; heeft het echt zo’n haast, die Keuze van jou?” “Nee,” zeg ik waarheidsgetrouw, “Dat heeft het niet. Dit singulier moment-” “Duurt eeuwig, ja, ja, bespaar me de details,” zegt Ernst. Hij pakt mijn hand vast, en zegt: “Zullen we dan maar? Ik ben nog nooit het zonnestelsel uit geweest. Ik wil wel eens wat van het universum zien.” En zo neemt hij mij mee op een reis door de ruimte. Hij en ik, met zijn tweeën: Ernst Marsman en de mensheid, tezamen in de singulariteit, zoals het altijd geweest is en ook altijd zal moeten zijn, op reis door de eeuwigheid. Precies zoals ik wist dat het gaan zou. Maar het is de keuze die telt. 17 december 2013
Karmameter
Manuel was op weg naar een protestmars waar zijn Karmameter hem op gewezen had. Aan de hand van een lijst van honderd vragen had de app zijn idealen berekend, op basis waarvan het hem deze protestmars had aangeraden. Er zouden volgens het evenement zo'n tienduizend mensen komen. Dat zou Manuel wel eens mee willen maken. Maar eerst een lekker bakkie pleur: het was immers nog vroeg. In het koffiehuis zag hij Jeremy – een oude basisschoolvriend – alleen aan tafel zitten. Hij was met zijn smartphone bezig toen Manuel bij hem aanschoof. Het duurde even tot Jeremy hem zag. Hij keek Manuel even aan, spiekte bliksemsnel op zijn telefoon en zei: “Manuel! Dat is lang geleden. Hoe is het met je, kerel?” Nog voordat Manuel hier op kon antwoorden, voegde Jeremy hier aan toe: “Ik zie dat jij ook zo gaat protesteren? Mooi! Dan gaan we samen.” “Zag je dat op je smartphone?” Vroeg Manuel. “Hm?” Jeremy keek op van zijn telefoon. “O, ja, ja. Ik zie alles hier, ha ha.” Een bediende zette Jeremy's dubbele latté macchiato met extra siroop en witte chocoladesnippers voor hem neer. Jeremy maakte een foto van zijn bestelling terwijl Manuel een zwarte koffie bestelde. “Goede keuze trouwens, deze koffiezaak,” zei Jeremy. “Alle koffie is hier fairtrade – maar ik had toch iets met chocola genomen als ik jou was. Die is ook fairtrade, namelijk.” “Ik heb het niet zo op die fancy koffies,” zei Manuel. “Doe maar gewoon zwart, dan doe je al gek genoeg.” “Fair enough, fair enough!” lachte Jeremy goedgemutst. “Maar je loopt wel flink wat punten mis zo. Ik krijg nu voor mijn koffie twee keer een fairtrade bonus – één voor de koffie en één voor de chocola – en jij krijgt alleen maar punten voor de koffie. Je loopt mooi een potentiële dubbele fairtrade modifyer mis.” “Met punten bedoel je Karmapunten, neem ik aan?” “Yes, yes, Karmapunten” zei Jeremy tussen twee zuinige slokken door; hij trok er een zuur gezicht bij. “Niet lekker?” vroeg Manuel. “Nee man,” zei Jeremy. “Su-per ranzig. Veel te fucking zoet. Wie wil er nou zoete koffie?! Als ik zoete koffie wil, dan bestel ik wel cola of zo. Bah. Zoute koude koffie: da’s cola. Echte koffie is bitter en warm.” “Waarom bestel je het dan? Zwarte koffie is ook nog eens een stuk goedkoper...” merkte Manuel bedachtzaam op. “Ja maar de punten, de punten, mien jong! Het gaat allemaal om de punten.” Jeremy nam nog een paar slokken en probeerde de smerige drank zo snel mogelijk leeg te drinken. “Over punten gesproken – het moet wel op hè, anders is het weer verspilling en dat kost je punten.” “Jeetje,” zei Manuel licht verbaasd. “Je bent er wel mee bezig, of niet?” “Reken maar!” zei Jeremy. “Of denk je soms dat het gemakkelijk is om in de top honderd van Nederland te komen...Laat staan te blijven?” “Je zit in de top honderd?” Vroeg Manuel, duidelijk onder de indruk. “Je bent er inderdaad mee bezig zeg, Jezus! Wat goed!” “Ja, ja,” zei Jeremy trots, “je spreekt hier met een zogenaamde karmapro.” Jeremy tikte iets aan op zijn telefoon. “Ik zie dat jij net begonnen bent? Misschien wil je wat tips van een pro?” Manuels koffie was klaar en werd voor hem neergezet; dankbaar nam hij een slok met zichtbaar genoegen. “Volgens mij had je me daarstraks al een tip gegeven,” zei hij monter, “Maar als je er nog meer hebt, hoor ik ze graag, hoor.” “Volgens mij ben je al aardig op weg,” zei Jeremy terwijl hij de verpakking van zijn koffiekoekje gretig openscheurde. Het koekje vond hij blijkbaar wel lekker.“Een fairtrade koffiehuis in de ochtend, een demonstratie in de middag – zo moet je denken.” “Ja, dat is wel heel goed van die app, vind ik.” Begon Manuel enthousiast, “Zonder Karma-app had ik nooit van deze demonstratie afgeweten. Tienduizend mensen!” “Tienduizend mensen hebben zich ingeschreven, ja; tienduizend mensen zijn aanwezig” Jeremy zei dit laatste woord haast mechanisch, alsof het een Engelse vakterm was. “Da’s net zoiets als liken; je krijgt er wel een beetje punten voor, maar niet veel. Maar ja, ‘t is makkelijk hè, en het kost weinig moeite, dus liken mensen heel wat af.” “Punten…?” vroeg Manuel verbaasd. “Ach ja - Karmameter? Maar dat snap ik niet; waarom zou je punten krijgen voor de belofte dat je wel zult komen? Krijg je dan ook minpunten als je niet op komt dagen?” “Wat?” vroeg Jeremy verbaasd, opkijkend van zijn smartphone. “Nee, nee. Geen minpunten; maak je geen zorgen, je kan liken wat je wil.” “Ja, nou, dat vind ik zwak,” zei Manuel vurig, “waarom zou je wel minpunten krijgen voor het niet-opdrinken van je koffie, maar geen minpunten voor het breken van een belofte?” Jeremy hief de schouders en richtte zich weer tot zijn smartphone. Het vraagstuk leek hem weinig te interesseren. “Ik bedenk de regels niet, Manuel,” zei hij koeltjes, “ik speel het spel gewoon.” “Hè, doe niet zo flauw!” zei Manuel driftig, “Je kan toch wel gewoon normaal je mening geven? Kom op! Geen minpunten voor het breken van beloftes: goed of slecht? Nou?” Jeremy keek geïrriteerd op van zijn smartphone en legde het apparaat terzijde om zich klaar te maken voor een volledige uiteenzetting. “Ten eerste,” begon Jeremy vakkundig en met moeite zijn irritatie onderdrukkend, “is een deelname aan een evenement geen belofte. Een deelname” - weer sprak hij het Nederlands uit alsof het Engels was - “is meer zoiets als een like. Je spreekt ermee je goedkeuring over iets uit.” “Dat doet mij denken aan die protestmarsen op Facebook die alleen op Facebook bestaan,” voegde Manuel er haastig en enthousiast aan toe. “Ja, dat is net zo iets,” zei Jeremy verstrooid. Hij vond het duidelijk onaangeaam om in zijn gedachtetrant gestoord te worden door vreemde toevoegingen. Wat was nou ook alweer zijn ten tweede…? Hij was even helemaal van zijn apropos. “Daarmee is deelnemen dus niet hetzelfde als een belofte,” vervolgde Manuel, “aangezien je met het deelnemen zelf al iets doet. Het is al een instemming met iets; deelnemen is op zichzelf al een protest!” “Juist,” zei Jeremy die door Manuel zijn instemming weer moed kreeg om verder te vertellen, “Juist...Daarom krijg je er dus punten ook punten voor. Wel zo logisch.” Jeremy pakte zijn smartphone en begon er weer wat op te pingelen tijdens het praten, al was het alleen maar zodat hij Manuel niet in de ogen aan hoefde te kijken; dat vond hij maar wat ongemakkelijk. “Als je Facebook goed in de gaten houdt, kan je flink wat punten verdienen met die digitale protestmarsen, waar jij het al over had,” zei Jeremy, die zijn oude koele toon hervonden had, “Zo ‘loop’ ik momenteel in drie marsen tegelijkertijd; vijf vandaag in totaal, dacht ik - ja, precies vijf.” “Nou, nee, daar ben ik het niet mee eens,” zei Manuel beslist. Jeremy keek hem op zijn beurt aan of hij gek was. “Het gaat er niet om of je het er mee eens bent of niet,” zei Jeremy. “Het is nou eenmaal zo.” “Nee, nee!” zei Manuel, minstens zo vurig als eerst, “Zo’n deelname en daadwerkelijk deelnemen aan een mars zijn toch wel twee hele andere dingen! Een digitale protestmars is meer een petitie; geen werkelijke mars. Dat is gewoon een taalverwarring. Je kan die twee toch niet zomaar klakkeloos op hetzelfde niveau scharen!” “Da’s waar,” zei Jeremy, die deze keer zijn koelte wist te bewaren. “Je krijgt een stuk meer punten als je daadwerkelijk lijfelijk mee loopt met een protestmars; daar heb je gelijk in. Verschil is er dus wel degelijk.” Geheel ontevreden met deze uitkomst nam Manuel een paar nijdige slokken van zijn steeds kouder wordende koffie. Zo had hij het totaal niet bedoeld. Manuel begon echter tot zijn grote teleurstelling langzaam te begrijpen dat een dergelijke discussie aan Jeremy verspilt was. Hij probeerde het maar over een andere boeg te gooien, al was het alleen maar om de ongemakkelijke stilte te verjagen. De stilte leek overigens voor Jeremy een minder groot probleem te zijn: hij vermaakte zich wel met zijn smartphone. Of er wel of niet gepraat werd, was hem om het even. “Jij staat dus in de top honderd van Nederland,” begon Manuel langzaam. “Hoe heb je dat zo voor elkaar gekregen?” “Ah! Ja! Da’s waar ook!” zei Jeremy opeens met ongekend enthousiasme, “Ik zou jou nog wat tips geven! Yes, yes! Goed...Om te beginnen moet je eerst maar eens kijken naar je instellingen.” “Mijn instellingen?” vroeg Manuel verward “Je instelling, ja.” Jeremy begon steeds sneller te praten; het was duidelijk dat hij de smaak te pakken begon te krijgen. “Wat voor morele theorie hang jij bijvoorbeeld hoofdzakelijk aan?” “Hoe bedoel je?” vroeg Manuel, mogelijk nog verwarder. Jeremy lachte hartelijk en vroeg om Manuels telefoon. Zijn duimen vlogen bliksemsnel over het nep-glazen scherm heen en wisten allerlei menu's te voorschijn te toveren die Manuel nog nooit gezien had. Jeremy draaide de telefoon zo, dat Manuel makkelijk mee kon kijken. “Kijk, Karmameter werkt met een complex systeem van formules die precies berekenen waar jij punten voor krijgt. Deze formules zijn uniek voor jouw profile en worden bepaald door een reeks waarden die jij aan zaken hecht en normen die jij hanteert. Je hebt zeker in het begin een vragenlijst ingevuld?” “Ja, God!” klaagde Manuel schertsend, “En wat voor een! Ik dacht dat er nooit een einde aan zou komen…” “Je kan het beter handmatig instellen allemaal,” vervolgde Jeremy. “Hier; kijk maar eens naar: ‘Normatieve vooronderstellingen’. Daar heb jij bij de vraag of het moreel goede of slechte van een handeling in de handeling zelf zit, of dat het moreel goede of slechte van een handeling afhangt van de consequenties van de handeling, gekozen dat het in de handeling zelf zit; jij hebt gekozen voor deontologie en niet teleologie; een systeem van het respecteren van rechten en het naleven van plichten, in plaats van evaluatie op basis van een onderliggend goed, – bijvoorbeeld, maar niet noodzakelijk: nut – dat de moreel juist- of slechtheid van handelingen berekend. Hier - zie je?” Jeremy toonde Manuel zijn 'Normatieve vooronderstellingen'; het stond er allemaal inderdaad precies zoals Jeremy het zojuist beschreven had. Manuel moest dit alles even laten bezinken; doch, hij liet zich niet zomaar van zijn stuk brengen. Na even zorgvuldig Jeremy zijn woorden gewogen te hebben, bediende hij zijn vriend van repliek. “Dat klinkt inderdaad wel juist; precies zoals ik het zelf vind, bedoel ik,” zei Manuel. “Die vragenlijst heeft dus inderdaad goed gewerkt: ik denk dat, als ik het zelf handmatig had moeten invullen, het ongeveer net zo zou hebben gedaan.” “Daar ga je dus al de mist in,” zei Jeremy droog, “ik bedoel, ik snap wel hoe het er aantrekkelijk uit ziet voor een leek… Maar nee, zo heb je het niet handig ingesteld, Manuel; zo kom je niet in de top honderd.” Jeremy pauzeerde even om zijn woorden goed te overwegen. Hij moest voorzichtig zijn om niet op zichzelf vooruit te komen lopen: hij wist duidelijk veel van dit onderwerp, maar wou het graag allemaal goed uitleggen, zodat er geen misverstanden zouden ontstaan. “Ik denk wel...Ja. Ik denk wel dat ik begrijp waarom je voor deontologie gekozen heb,” zei Jeremy op de toon van een onderwijzer. “Het is inderdaad waar dat je absoluut meer punten krijgt in een deontologisch systeem voor individuele handelingen. Het respecteren van rechten en naleven van plichten wordt heel zwaar gerekend; echter, het niet-naleven van deze plichten en het schenden van deze rechten wordt je even zwaar afgerekend! Daar moet je dus voorzichtig mee zijn. Je geraakt met deontologie al gemakkelijk in de min, als je niet uitkijkt...Om eerlijk te zijn vind ik het nogal knap van je dat je er al zoveel punten uit deze belabberde instelling hebt weten te persen...No offense. Maar goed. Het punt is, dat je eigenlijk alleen maar punten krijgt - of verliest, dus - van deze morele handelingen zelf; alle punten komen voort uit die rechten en plichten. Het gevoel van verrukking, bijvoorbeeld, die je iemand bezorgt die je onzelfzuchtig helpt, wordt niet meegerekend; het verrukte gevoel van jouzelf overigens ook niet. Snap je? Volg je het nog allemaal?” Manuel volgde het inderdaad allemaal, maar kreeg van dit alles terstond een zeer ongemakkelijk gevoel in zijn onderbuik, wat niets met de koffie te maken had. Hij besloot het spelletje maar voorlopig gewoon mee te spelen. “Oké...Ik denk dat ik het begrijp,” zei Manuel voorzichtig. “Hoe zou jij het dan instellen?” “Blij dat je het zelf vraagt!” riep Jeremy enthousiast. Zijn vingers vlogen weer over het scherm en begonnen allerlei schuifbalken te verstellen. Hij was er zo behendig in, dat het duidelijk was dat hij dit wel eens vaker gedaan had. “Het voornaamste is dat je van deontologie naar teleologie gaat,” zei Jeremy terwijl hij daad bij woord voegde. “We stellen het zo in dat de morele punten afhankelijk zijn van de consequenties, en dus niet de daden zelf; en wel niet alleen van de voorziene of verwachte consequenties, maar alle consequenties die uit jouw daden vloeien. Ik weet wat je denkt: 'Is dat niet riskant?', nou, wel een beetje; maar naar mijn ervaring wegen de onvoorziene goede bijeffecten van je daden meestal wel de slechte. Als je het goed speelt, bedoel ik. Zo kan bijvoorbeeld die ene like die jij geeft aan een van die Facebook protestmarsen waar we het over hadden, anderen aansporen hetzelfde te doen, waardoor je ook een beetje punten van hun handeling krijgt. Die likes van de anderen zetten natuurlijk weer nog meer anderen aan om hetzelfde te doen, waardoor je almaar meer punten krijgt...Nou, laat me je zeggen: als je er vroeg bij bent met zo'n event, dan kan dat aardig aantikken.” Jeremy pakte zijn eigen telefoon erbij en toverde de karmameter-app tevoorschijn. De hodometer die zijn punten vertoonde was constant in beweging: af en toe liep het een paar punten terug, maar hij klom vooral snel omhoog, alsof de hodometer in een auto zat die Jeremy over de snelweg heen aan het rijden was. Manuel probeerde te zien op wat voor getal de meter nou precies stond, maar de nummers gingen zo snel op-en-neer dat het onmogelijk was ook maar één cijfer te onderscheiden. “Zo stellen alle karmapro's hun karmameter in; met marginale verschillen,” zei Jeremy met de waardigheid van een bebaarde wijsgeer. “Al zijn het natuurlijk juist die marginale verschillen die het verschil maken op competitief niveau,” voegde hij daar snel aan toe. “Oké, genoeg. Ik heb wel genoeg gezien, zo,” zei Manuel bleekjes terwijl hij met een wenk van zijn hand zijn eigen telefoon terugvroeg. “Wil je nou dat ik je instellingen wijzig, of niet? Wil je dat liever zelf doen?” vroeg Jeremy terwijl hij verder pielde aan Manuels telefoon. “Nee, nee; dat doe ik zelf wel,” zei Manuel snel. “Geef maar hier,” Manuel kreeg zijn telefoon terug en sloeg de wijzigingen in zijn instellingen niet op. Jeremy pakte zijn eigen telefoon weer op en pielde verder. Manuel dronk zijn steenkoude koffie op; een schok van afgunst ging door zijn lichaam toen hij de bitterheid van de laatste slok proefde. Hij kon zelfs enkele korrels tegen zijn keel aan voelen schrapen: het was een overwegend slechte slok, al was het de laatste en was de koffie reeds koud. “Niet lekker?” vroeg Jeremy van achter zijn telefoon. “Bah, nee – het is altijd die laatste slok, hè, die het ranzigste is,” zei Manuel alsof hij een tijdloze wijsheid oplepelde. “Dit is ook niet echt de beste koffiezaak van de stad, moet ik zeggen,” zei Jeremy droog, “Maar ja, t'is Fairtrade en het is redelijk goedkoop, dus...” “Het is tegenwoordig moeilijker om een koffiezaak te vinden waar ze geen fairtrade koffie schenken, dus... Zo bijzonder is dat niet meer,” zei Manuel. “Je zou kunnen zeggen dat het de standaard geworden is.” En, met een lach: “Misschien kunnen ze beter niet-fairtrade unfairtrade noemen.” Jeremy haakte nog niet in. Blijkbaar was wat hij op zijn telefoon deed interessanter. “Zeg, zou dat iets met karmameter te maken hebben, denk je?” opperde Manuel. “Karmameter is immens populair...En sinds zoveel mensen het zijn gaan gebruiken, is fairtrade een stuk populairder geworden.” “Dat zou zomaar eens kunnen,” mompelde Jeremy ongeïnteresseerd. Manuel begon zijn geduld te verliezen. Hij begreep niets van Jeremy; hij behoorde tot de top honderd weldoeners van het land, maar leek zich hier totaal niet in te interesseren. Hij had daarjuist vol passie over morele theorie gesproken, maar een gesprek over de daadwerkelijke maatschappelijke implicatie van zijn 'spel' liet hem volstrekt koud. Hij leek zich louter en alleen in de technische aspecten te interesseren... Maar misschien als hij het ene onderwerp in het andere vermomde...? “Zeg Jeremy,” begon Manuel slinks, “waar heb jij eigenlijk ooit het meeste punten aan verdiend? Wat was je beste move?” “Dat zoek ik wel even voor je op. Moment.” Jeremy pielde even aan zijn telefoon en navigeerde bliksemsnel door een doolhof van menu's heen. Al gauw vond hij precies wat hij zocht. “Aha! Juist. Dat is een crowdfunded loonsverhoging in een fabriek in Bangladesh. Ik heb een projectje opgezet die er voor zorgt dat mensen die Karmameter gebruiken automatisch bij aanschaf van een product uit die fabriek wat extra geld storten op een fonds dat direct investeert in de leef- en werkomstandigheden van de fabrieksarbeiders. Ik heb er zelfs een fikse loonverhoging uit weten te slepen; daar heb ik echt ontiegelijk veel punten mee gewonnen; sterker nog, ik krijg er nog steeds punten van. Het is een liefdadigheidsproject wat pro's ook wel eens 'exponentieel cumulatief' noemen: hoe meer punten je er van krijgt, hoe sneller je er nog meer punten uitkrijgt. En dat voor zo'n minimale investering van tijd en moeite! Een geniale move, al zeg ik het zelf.” “Wat goed!” zei Manuel, die diep onder de indruk was. “Heb je nog wel eens wat van die fabriek teruggehoord?” “Wat?” zei Jeremy, die Manuel niet verstaan had, aangezien hij al weer druk in de weer was met zijn smartphone. “Sorry, wat zei je?” “Of je nog wel eens iets van die fabriek teruggehoord heb?” “Teruggehoord?” vroeg Jeremy verbaasd. “Wat bedoel je... – Oh, ja, ze hebben me wel eens een mailtje gestuurd of zo. Maar daar beleefde ik weinig plezier aan, toen ik het las, dus heb ik ze maar in mijn spamfilter gezet.” Dit werd Manuel allemaal even teveel. Jeremy was zich van geen kwaad bewust en pingelde gewoon rustig verder. Het was Manuel duidelijk dat Jeremy dankzij Karmameter een hele hoop goed deed: die fabriek in Bangladesh was slechts één van vele voorbeelden. Manuel vroeg zich af of een persoon als Jeremy zonder Karmameter überhaupt ooit aan zoveel liefdadigheid gedaan zou hebben. Waarschijnlijk niet: Jeremy deed het alleen maar om de punten, precies alsof hij de highscore in een computerspel probeerde te behalen. Hij leek niets te geven om het daadwerkelijke heil van de mensen die hij hielp: het waren karakters voor hem, pixels op zijn computerscherm. Manuel vroeg zich met een sidder over zijn gehele lichaam af of wat er zou gebeuren als Karmameter op een dag precies om zo draaien en het punten zou geven voor immoraliteit en het veroorzaken van pijn en leed, in plaats van het tot stand brengen van geluk, genot en het naleven van plichten en respecteren van rechten. Voor Jeremy zou het geen verschil maken...Die zou even enthousiast zijn over het spel. Hij bestelde niets voor niets koffie die hij zelf smerig vond, alleen maar voor de punten... Jeremy stond op en deed zijn smartphone in zijn zak. “Zullen we dan maar?” zei hij monter tegen Manuel terwijl hij zijn bordkartonnen protestbord pakte. Er stond heel groot in zwarte koeienletters 'NEE' op geschreven, twee keer onderstreept met drie uitroeptekens. “Weinig specifiek,”merkte Manuel terecht op. “Natuurlijk niet,” zei Jeremy, “je moet ze wel een beetje kunnen hergebruiken. Recyclen, weet je; kijk maar eens op de achterkant.” Jeremy draaide zijn protestbord om. Op de achterkant stond: “TEGEN”, in dezelfde zwarte koeienletters, tevens twee keer onderstreept en met drie uitroeptekens. “Ongelofelijk...” mompelde Manuel verslagen. “Slim, hè?” zei Jeremy voldaan. “Ja, ja...Het is niet gemakkelijk om in de top honderd te blijven! Je moet overal aan denken...Overal zitten punten in; je ze met alles krijgen, maar ook met alles kwijt raken...” “En zo is het maar net,” zei Manuel, die het voor het eerst in hun gesprek volstrekt met Jeremy eens was. De protestmars werd goed bezorgd: beter dan verwacht. Er waren wel eens waar geen tienduizend mensen, maar een jongeman met een megafoon merkte terecht op dat deze tienduizend wel eens waar niet lijfelijk mee liepen, maar wel digitaal mee marcheerde. Met die logica waren ze wel met tienduizend en honderdveertig man. De foto's werden live geüpload en kregen op hun beurt weer honderden likes. Het was een goede mars, met veel punten voor iedereen. Maar waar men nou tegen protesteerde met hen demonstratie, dat wist alleen Manuel en die kreeg daar geen bonuspunten voor. 18 december 2013
Zinken zullen we allemaal
Mijn grote broer Maarten studeerde filosofie, – wij moesten het van hem 'wijsbegeerte' noemen – al vijf jaar lang. Toen ik op kamers ging, woonde hij nog steeds thuis op zolder. Ik weet het nog goed: hij zou eindelijk aan zijn bachelor scriptie gaan beginnen, toen hij opeens begon te zinken. Daarmee bedoel ik niet dat hij op een boot was die op zijn beurt zonk; nee, hij was het die zonk en wel door de grond en niet door het water heen. Alsof de vloer van zijn kamer – en het plafond van de badkamer – van drijfzand was. Dit was niet alleen vreemd, maar ook nog eens hartstikke onmogelijk. Toen ik het voor het eerst van mama hoorde, dacht ik dan ook dat zij een grapje maakte; dat dacht zij ook, toen ze het op haar beurt voor het eerst van papa hoorde. Het begon allemaal toen Maarten op een dag zomaar tegen de badkamervloer aan smakte. Papa – die hierdoor wakker was geworden en was gaan kijken – ging er natuurlijk van uit dat Maarten tijdens het plassen was uitgegleden; maar toen hij Maarten daar aantrof lag deze ver van het toilet verwijderd hardop te snurken. Blijkbaar had Maarten dwars door de val heen geslapen, want toen papa hem overeind hees, had hij geen idee hoe hij in de badkamer terecht was gekomen. Samen kwamen zij die nacht nog tot de conclusie dat hij was wezen slaapwandelen;ofschoon hij dit nooit eerder had gedaan en dit dus de eerste keer geweest zou zijn, leek het hen de meest logische verklaring – en dat was het natuurlijk ook, laten we wel wezen. Maar toch hadden ze het mis; Maarten slaapwandelde niet, Maarten zonk. Zelfs met de badkamerdeur op slot en de sleutel verstopt belandde Maarten de volgende nacht weer met een smak op de harde badkamervloer. En wéér had hij er dwars doorheen geslapen. De volgende nacht besloten ze Maarten tijdens zijn slaap te filmen met de webcam. En warempel, op dat filmpje – hij staat nog op Youtube – is duidelijk te zien hoe Maarten dwars door zijn bed de badkamer in zinkt. Het is niet alsof Maartens bed bezwijkt onder de druk; het bed blijft precies hetzelfde, behalve dan dat Maarten er doorheen zinkt. Als je het filmpje op het juiste moment pauzeert – wat niet gemakkelijk gaat, aangezien papa voor het kijkgemak het filmpje flink heeft doorgespoeld en je het dus precies goed moet timen – kan je duidelijk zien hoe alleen zijn neus en voeten boven het bed uitsteken en de rest al in de vloer verdwijnt. Het is werkelijk te bizar voor woorden; je zou eigenlijk zelf het filmpje moeten zien. Misschien vind je het nog wel, als je goed genoeg zoekt. In het begin was het nog niet zo'n probleem, maar Maarten ging steeds sneller zinken en viel al gauw meerdere malen per nacht door de vloer heen. Papa klaagde dat het wel leek alsof hij weer een baby in huis had, zo vaak moest hij eruit om zijn zoon omhoog te hijsen. Pas toen Maarten ook overdag begon te zinken, gingen papa en mama zich werkelijk zorgen maken. We leerden toen ook dat het niet aan de vloer van zijn kamer of het plafond van de badkamer lag; Maarten zonk gewoonweg overal doorheen. Hij kon niet eens gemakkelijk op een stoel blijven zitten, aangezien hij na een paar minuten er al doorheen begon te zakken en hij zichzelf steeds weer omhoog moest hijsen; als hij even niet oplette, flikkerde hij er dwars doorheen en belandde hij weer met zijn kont op de grond. Het enige wat dus hielp, was om maar te blijven bewegen; zo doen die spinnen die over water lopen het immers ook. Als je maar snel genoeg loopt, kan je zelfs over vla heen rennen zonder er in te zinken; dat hebben ze een keer gedaan in Try before you die, over een zwembad vanillevla heen. Maarten was van nature echter een weinig bewegelijk persoon en geraakte al gauw zeer vermoeid van dat steeds maar weer moeten blijven bewegen. Zo is hij wel eens tijdens het douchen vergeten te bewegen en zo pardoes nat en naakt op de bank beneden beland; nog gênanter was het toen hem dat tijdens het poepen overkwam. Toen ik hem voor het eerst over zijn zinken sprak – zo ongeveer een week nadat het allemaal begonnen was – deed hij er nogal luchtig over. ‘Ik ben net dat ene personage uit X-men; je weet wel, die door muren heen kan lopen,’ zei hij tegen me. X-men was een tekenfilm waar Maarten vroeger graag naar keek; ik vond er weinig aan en mocht er bovendien niet naar kijken omdat mama het te eng voor mij vond. ‘Alleen,’ voegde hij er nog aan toe, ‘zit ik nog te wachten op professor X. Of desnoods Magneto.’ Ik vroeg hem of hij al geprobeerd had om de meisjeskleedkamer binnen te sneaken, waarop hij opmerkte dat hij al sinds de middelbare school niet meer in een kleedkamer geweest was. Naar een sportschool is hij nooit geweest. De klassieke vraag of hij zijn geweldige superkrachten voor de wereld verborgen moest houden werd vóór hem beantwoord. Op een gegeven moment ging het zinken zo snel dat, toen Maarten een keer in de rij stond bij de kassa, degenen achter hem tot hun schrik zagen dat hij tijdens het pinnen reeds tot de enkels weggezonken was. Dat was niet alleen vreemd, maar natuurlijk ook nog eens hartstikke onmogelijk; precies het soort curiositeit dat ze in de talkshows zo graag zien. Hij ging ze allemaal af en is ook nog een paar keer in het nieuws gekomen; daarna heeft de wetenschap hem nog een tijdje gehad, al hebben ze volgens mij nooit echt iets bijzonders gevonden. Al deze aandacht leek Maarten weinig te doen; sterker nog, het leek hem alleen maar te vervelen. Hij zag het eerder als een verplichting dan een plezier en dat voelden de mensen natuurlijk haarfijn aan. Hij verveelde zich; en niets verveelt zo veel als een personage dat zich publiekelijk verveelt. De mensen willen plezier zien, of desnoods drama; maar onverschilligheid heeft beslist geen plek op de buis en al helemaal niet in de wetenschap. Zo verdween Maarten al snel uit de actualiteiten als een vergeten curiositeit, zoiets als de Iceman die heel goed tegen kou kon, of Steve Irwin de Crocodile Dundy die alle krokodillen de baas was, tot hij door een pijlstaartrog gedood werd. Het was zo ongeveer na dit gehele circus dat Maarten – onze grote filosoof – de serieuze vragen begon te stellen. ‘Wat zal er met mij gebeuren als ik door de grond zak en er niemand is om mij omhoog te hijsen?’ Ik bleef hier altijd redelijk nuchter onder. Niet om Maarten te kwetsen, hoor; nee, die Maarten kon heel wat hebben en stelde mijn eerlijkheid alleen maar op prijs. ‘Nou,’ zei ik dan, ‘zonder lucht zal je wel stikken, denk ik zo; ten minste, als de druk je niet eerst doodt, natuurlijk.’ Maarten dacht hier even over na, maar schudde al gauw het hoofd, alsof ik iets heel doms had gezegd. Zo deed hij mij wel vaak voelen; ik vraag mij nog steeds af of hij dit met opzet deed. Misschien had hij het niet eens door. ‘Stel,dit ademen blijkt geen probleem,’ poneerde Maarten. ‘Stel, ik kom niet onder de druk te bezwijken, maar zink gewoon ongehinderd door. Wat dan? Waar houd het op?’ ‘Dat ligt er maar net aan,’ meende ik. ‘Waaraan?’ ‘Of je recht door de aarde heen zakt en er aan de andere kant weer uit komt, je weet wel, zoals je op het strand naar China graaft; of dat je, geheel volgens de wetten van de zwaartekracht, naar het binnenste van de aarde zinkt en daar verbrand.’ Maarten woog deze twee opties tegen elkaar af met de schaal van een waarde wijsgeer.Doch, het duurde niet lang tot hij tot een conclusie kwam. ‘Nee, ik zal niet door de aarde heen vallen. Dat zou geen nedergang zijn, maar een leeg soort vallen, dwars door de ruimte heen. Ja. Dat zou het zijn; een leeg vallen door de ruimte, alles negerend. Want als je er aan de andere kant weer uit zou komen, dan zou je de hemel in tuimelen en de aarde boven je vinden en dan staat de wereld op zijn kop. Nee, dat lijkt mij niets; dat zal ik nooit toestaan. Ik zal – geheel zoals de zwaartekracht, moeder alle machten, van mij verwacht – naar het centrum van de aarde toe zinken en daar te midden van het magma stil blijven dobberen.’ ‘Terug de baarmoeder in,’ zei ik plechtig. ‘Ongeboren worden;’ zo zei Maarten het. Dat klonk inderdaad niet verkeerd. Hierna werd het pas echt filosofisch. We wisten van de meeste uitspraken niet of hij ze letterlijk of poëtisch bedoelde; het duiden van zijn spreken werd ook nog eens extra bemoeilijkt doordat Maarten alleen nog maar uitsluitend in dit soort raadsels sprak en weigerde zijn aforismen verder te verklaren of toe te lichten. Zo zei hij eens een keer ‘Ik heb nergens meer houvast aan,’ toen een theekopje hem letterlijk door de vingers heen glipte en op de grond te kletter viel. ‘Hadden jullie mij maar religieus opgevoed,’ vervolgde hij tegen mama, ‘dan had ik mij daar nog aan vast kunnen klampen.’ ‘Het is nog niet te laat,’ zei mama, in de hoop eindelijk het wondermedicijn gevonden te hebben. Ofschoon zij zelf nooit religieus was geweest – evenmin als papa – was ze bereid iedere kans, hoe gering dan ook, aan te grijpen als het perspectief op genezing bood. ‘Je kan je altijd nog bekeren – als je denkt dat het helpt.’ Hoop was voor haar het voornaamste. ‘Als je het doet in de verwachting dat het je helpt, dan zal het weinig helpen,’ zei Maarten plechtig als een ware profeet. ‘Bovendien doe je het dan om de verkeerde redenen en niet omwille van de Here, in wiens bestaan ik dus al niet meer geloven kan… Nee, voor troost ben ik aan mijzelf overgeleverd. Voor het geloofi s het al te laat – alles glipt mij reeds door de vingers.’ Dit verkoos ik op te vatten als woordgrapje die betrekking had op het daarvoor gebroken kopje, al doet dit natuurlijk geen afbreuk aan de poëtische waarde van het gezegde. Misschien wordt het er alleen maar sterker van; weet ik het! Dit is iets wat je aan hem zelf had moeten vragen, al kan dat natuurlijk nu niet meer. Van al die poëzie of filosofie heb ik nooit ene kaas gegeten. Ik ben al aan mijn master natuurkunde begonnen. Die laatste paar dagen verkeerde Maarten zich dus in een uiterst poëtische staat (ik zeg hier ‘poëtisch’, omdat ik geen beter woord ervoor bedenken kan). Hij deed de ene na de andere diepzinnige uitspraak terwijl hij steeds sneller en verder wegzonk. Op het laatst sliep hij op de bovenste etage van s’lands hoogste flatgebouw en moest hij haast nog twintig keer per nacht het gehele trappenhuis op klimmen om boven de grond te blijven; met de lift ging het al niet meer. Voor ik het einde beschrijf, wil ik nog wel een paar van die mooie uitspraken delen die Maarten in die laatste paar dagen deed. ‘De wereld heeft mij los gelaten; zij gewenst mij niet langer te verdragen.’ En: ‘Ben ik nou te zwaar geworden, of de wereld te zwak? Zak ik door haar heen, of laat zij mij vallen?’ Tenslotte nog mijn favoriet: ‘Het lijkt wel bijzonder, wat mij overkomt; maar het enge bijzondere aan mijn lot is het zichtbare ervan. Uiteindelijk zinkt iedereen; de een wat sneller dan de ander, maar zinken zullen we allemaal. Wie niets meer heeft om zich aan vast te klampen en niemand meer heeft die hem omhoog trekt zal onontbeerlijk net als ik zinken; velen zijn mij reeds voorgegaan en velen meer zullen mij volgen. Zinken zullen we allemaal.’ Ik verkoos dit als een voorspelling op te vatten, zo van: ik ben dan wel de eerste die toevallig met het zinken in het nieuws kwam, maar voor mij waren er al anderen en na mij zullen er nog meer volgen. Anderen vatten het weer symbolisch op en zeggen dat het een kritiek is op de huidige maatschappij. Wat het ook mag betekenen, het was een van de laatste dingen die Maarten zei voordat hij voorgoed wegzonk. Ik weet nog goed hoe ik hem persoonlijk bij de hand probeerde te pakken om hem omhoog te trekken; maar hij was reeds zo ontastbaar dat mijn hand dwars door de zijne heen glipte. ‘Laat maar zitten,’ zei hij tegen mij, nog net voordat zijn hoofd onder de grond verdween.‘Het heeft toch allemaal geen zin meer.’ Ze hebben nog een begrafenis voor hem gehouden, maar dat heb ik altijd als een zinloos gebaar gezien; ten eerste omdat Maarten toch al in de aarde lag, dus waarom zou je dan nog een lege kist voor hem de grond in stoppen, vraag ik mij af; ten tweede omdat ik niet denk dat hij dood is en dat daarmee dus de hele begrafenis als zodanig misplaatst is. Ik denk dat Maarten, alle logica en natuurwetten ten spijt (die had hij toch al aan zijn laars gelapt toen hij begon te zinken) in het warme middelpunt van de aarde is beland en daar nu zo een beetje rustig in foetushouding ronddobbert, precies zoals hij het zelf ook al zei. Misschien is hij daar niet in zijn eentje, of komen er spoedig meer baby’s bij; hoe het ook zij, Maarten is in de grond verdwenen en het leven gaat zonder hem verder. Zijn scriptie heeft hij nooit afgeschreven; sterker nog, toen ze zijn computer later onderzochten bevatte het bestand ‘scriptie’ welgeteld nul woorden. Het had nog niet eens een titel. 3 december 2013