Jeetje, wat een hoop vlees
Om 12:27 begint voor mij de lunch. Dat is een specifieke tijd, weet ik. Vast één van de tekenen dat ik in het spectrum val. Anyway, de lunch is het hoogtepunt van mijn dag, want naast het feit dat er gegeten mag worden, mag ik me ook even afzonderen van collega's waar ik me acht lange uren niet van kan afzonderen.
Je kunt zien dat het goed gaat met het bedrijf als er weer een onbekend gezicht tegenover je plaatsneemt. Het zit vol met freelancers. Allemaal vréselijk interessante mensen die eruit zien als paspoppen die zorgvuldig gekleed zijn door een styling-expert als… Ach, who am I kidding, ik ken geen namen van styling-experts.
Goed, mijn oversized, drie jaar oude, merkloze, zwart-wit gestreepte trui en ik nemen plaats aan de lunchtafel en er komt ook deze lunch een begin dertiger met bril zonder sterkte en ombre haar, vastgebonden bovenop het hoofd tegenover me zitten. Ze heeft geen naam denk ik, want ze stelt zich niet voor. Of ik heb geen naam, want ik doe het ook niet. Niet dat dat er ook maar iets toe doet. Verbluft werpt ze een blik van links naar rechts en weer terug over de tafel. Behulpzaam (denk ik) stel ik de vraag 'Zoek je iets?'. Ze pakt een verpakking die voor haar ligt en peutert het open. Geshockeerd zegt ze: 'Jeetje! Wat ligt er hier een hoop vlees op tafel.'. Ze slaagt erin de verpakking te openen en begint de inhoud ervan met een vork uit de plastic verpakking te peuteren terwijl ze zegt: 'ik ben vegetariër!'. Bij het uitspreken van dat laatste woord valt de staart van de vis uit de verpakking op haar broodje. Ik kijk haar aan, gevolgd door een blik naar haar boterham die bijna niet meer zichtbaar is door het dode zeediertje dat er overheen gedrapeert ligt, vervolgens kijk ik weer naar haar.
Ze begint te snijden en stopt vervolgens haar mond vol met iets wat ook ooit een levend wezen was. In mijn hoofd begint een Fleddy Melculy liedje af te spelen: 'Geen vlees! Wel vis!'.










