Zout water dat uit haar ooghoeken kwam vermengde zich met de mascara die ze eerder die dag zo zorgvuldig had opgesmeert, om er wat meer “heel” uit te zien. Langzaam liep het mengsel naar beneden, langs haar wangen en liet een spoor achter. Ze probeerde het spoor met de stoffe rand van haar jas weg te vegen, maar het werd een zwarte vaag die de helft van haar gezicht bedekte.
De jongen in de bus zag haar vechten tegen haar tranen, maar hij zei niets en hij nam een slok van zijn fles wijn.
En de vrouw die tegen haar aangedrukt stond voelde haar rillen, maar sloeg geen arm om haar heen.
Haar hoofd bonkte, er waren nog duizend meer tranen die naar buiten wilden en wilden glimmen in het licht van de TL-buizen. Maar ze stond in de te volle bus, die rammelde aan alle kanten en de hoeken om slingerde.
Normaal zou ze genieten van zoveel mensen om haar heen. Maar nu niet, niemand keek, niemand lachte, ookal stond ze in het middelpunt van de bus.
De mensen stonken, werden dronken, zweette en praatte te hard.
Toen ze buiten was had ze geen tijd voor frisse lucht in haar longen. Ze moest lopen, rennen naar de volgende trein, eentje die haar hopelijk dichter bij huis zou brengen.