De zon valt langzaam achter de huizen en op het tafeltje voor me staan vier bier en vier sambuca. Mijn zwarte blouse absorbeert het zonlicht, waardoor ik het prettig warm heb. Tegenover me zit Marsman, een stevige jongen met rode blosjes en een gewaad dat hem op Roodkapje zou moeten doen lijken. Omdat zijn shirt net te strak is, en zijn capuchon net te puntig, lijkt Marsman nog het meest op een homofiele, uit de kluiten gewassen tuinkabouter. Links van me zit Punt, verkleed als soldaat, rechts van me Van Eekelen in een roze konijnenpak. Straks gaan we naar het huis waar twaalf meisjes en nog eens acht jongens op ons wachten. Dan mag ik me ook verkleden. Terwijl de drie corpsballen gezellig over de pro’s en tegens van kontseks op de eerste date keuvelen, probeer ik te bevangen wat het gevoel is dat zich vanuit mijn borstkas naar mijn buik verspreidt. Als we gezamenlijk de sambuca’s hebben opgedronken, begrijp ik het: het is het gevoel van echte, ongecompliceerde vriendschap tussen drie corpsballen en een vreemde wiens zwarte blouse het zonlicht absorbeert. Marsman, Punt, Van Eekelen en ik: The Village People van Leiden.
‘Amsterdam is anoniem, in Leiden kom je iedereen tegen,’ zegt Marsman als we het studentenhuis binnenlopen.
‘Misschien heb je wel gelijk ook, ik zou vaker in Leiden moeten zijn.’ En ik meen het als ik het zeg. Vol overtuiging doe ik een extra small doktersjas aan en frommel ik een kapotte speelgoedstethoscoop om mijn nek. De meisjes begroeten ons en een jongen die verkleed is als pater roept joviaal ‘Marsman, paardenlul! Wat hoorde ik nou? Heb jij Babette in d’r reet genaaid? Ik ook!’
Babette staat met een glas wodka in de kamer met mijn date te praten. Mijn date is De Dood –we zijn dokter en De Dood, ja – en ze gidst me door de avond heen. Ze stelt me voor aan mijn nieuwe vrienden onder de begeleidende klanken van Hardwell en ze drukt een koude Schultenbräu in mijn handen.
Vanavond eten we kippenpoten en drinken we bier en als de kippenpoten op zijn, drinken we nog meer bier omdat de kippenpoten op zijn. Na het eten schuiven we de biertafels aan de kant. We vertellen sterke verhalen, zingen mee met de nummers en wagen soms zelfs een dansje, zo blank als we zijn. Om een uur of één maakt Hardwell plaats voor De Poema’s. Ik verlaat de studenten, trek de doktersjas uit en mijn echte jas aan en loop de woonkamer uit. In de gang zit Marsman op de grond. Van Eekelen staat twee meter verderop en tussen hen in staat een snikkende Babette.
‘Trek het je nou niet aan, Marsman, we hebben haar toch allemaal wel eens gehad, jongen? Ga lekker naar huis.’
Als ik de trein instap en wordt uitgekotst door Leiden, kan ik niet wachten om de Amsterdamse nacht in te stappen. Anoniem en verkleed in een zwarte blouse dat vanmiddag nog zonlicht absorbeerde.
Afbeelding door Mikey Bliksem.