Jij had je arm nonchalant achter me op de rugleuning van de zetel gelegd. Onze bovenbenen plakten tegen elkaar. We waren samen in het hoekje van de sofa gekropen, dicht bijeen, zodat ook anderen eventueel het restje zetel konden benutten. Ik voelde hoe je vinger per ongeluk tegen mijn bovenarm botste en een rilling ging door mijn lichaam. Je trok je snel terug. Maar je arm bleef liggen. Dicht genoeg voor mij om de warmte te voelen stralen, dicht genoeg om een signaal van 'zij-is-van-mij' naar onze omgeving te sturen, maar net te ver om je huid tegen de mijne te voelen. Ik overwoog even om je hand te pakken, die op mijn schouder te leggen en je een kus op je wang te geven. Maar ik deed het niet. Alles was goed zo.












