De Man Die In Het Donker Lesgaf
In een klein Brabants dorp onder de rook van Eindhoven, stond basisschool De Wiek. Het was een verder onopvallende, maar natuurlijk katholieke school, gebouwd in de jaren â50 anticiperend op de toen net gestarte âbabyboomâ. De school stond over het algemeen goed bekend. De meeste leerlingen hadden het er erg naar de zin en de leerkrachten vormden een klein, maar hecht team. Toch was âniet alles goud wat er glomâ. Dat kwam door een gebeurtenis een aantal jaar geleden. Het ging om Jaap, toen, mag je wel zeggen, de meest populaire leerkracht. Kinderen en ouders liepen met hem weg en de schoolinspecteur zat altijd langer met Jaap te kletsen dan met de directeur (Jaap wist namelijk vreselijk veel van de school omdat hij er al zijn hele werkzame leven zat en zoân 5 directeuren had zien komen en gaan).
Zoân tien jaar geleden, op een zachte november-maandagochtend, zo rond 8 uur, maakte Dennis, de directeur van De Wiek, die vanuit zijn kamertje het schoolplein overzag, zich zorgen. Terwijl âMeester Jaapâ normaal gesproken als een van de eersten op school was (âIk hou alleen van koffie die ik zelf zetâ, zei hij altijd), waren Jantien van groep 1-2 en Chris van de combinatiegroep 6-7 alweer tien minuten geleden binnengekomen. De directeur stond nog te hijgen, want omdat Jantien - die niet gewend was als eerste binnen te komen - het alarm niet had uitgeschakeld, had hij naar zijn kantoortje moeten rennen om het daar uit te zetten. âDaâs helemaal niks voor Jaapâ, ging het maar steeds door hem heen. Hij zag zijn hand naar de telefoon gaan. âZou hij ziek zijn?â, vroeg hij zich af, terwijl hij zijn hand terugtrok. âIk wacht nog vijf minutenâ, zei hij tot zichzelf. Intussen waren ook Chris (groep 8), Joan (groep 3-4) en Marleen (groep 5) binnen. In alle lokalen waren de lichten aan en hij hoorde Chris iets in het Engels zingen (âIk moet mijn dag toch ergens mee opstarten?â).
Het was inmiddels kwart over acht en nog steeds geen teken van Jaap. De directeur legde net zijn mobiele telefoon neer. âNeemt niet op .. Wat is er toch aan de hand?â Hij liep naar het overblijflokaal en keek door de glazen wand naar de andere kant van de speelplaats. Niets. Eh .. wacht eens even .. stond daar niet de Jaapâs fiets? Was hij dan toch op school? Stond hij misschien buiten met iemand te praten, een ouder? Een leerling? Tien voor half negen. âPotverâŠ.â, dacht de directeur. âIk moet een vervanger vinden voor Jaap als hij er echt niet is..â Hij remde zichzelf af (hij was al op weg naar de speelplaats) en liep snel terug. âNog een keer..â, en hij belde Jaapâs nummer. Weer niets. Hij besloot Maria te bellen. Die woonde tegenover de school, al voordat de school er stond. Maria was met pensioen, maar had vroeger voor de klas gestaan. âJe kan me altijd roepenâ, had ze gezegd, maar de directeur had bijna nooit zieken. âMaria?â, vroeg hij door de telefoon. âHeb jij soms tijd vanmorgen? Jaap is er niet en .. de school gaat zo beginnen. Eh ..â âNatuurlijkâ, antwoordde Maria. âJaap? Jee, ik heb zijn klas nog nooit gehad, want hij is er altijd. Maar eh .. ik ben al onderweg hoor. Leg jij het rooster van vandaag dan even klaar? En de klassenmap?â
Intussen werden, een paar straten verderop, in een rijtjeshuis, de gordijnen nog eens extra stevig dichtgetrokken. Daar stond hij, man, midden-vijftig, rug gebogen en schouders neerhangend, linkerhand verborgen in de zak van zijn versleten, vaal-robijnrode ochtendjas, naar het spleetje te kijken dat maar niet dicht wilde, hoe vaak hij ook aan beide uiteinden van de gordijnen had getrokken. âMisschien vandaag wel?,â dacht hij, maar hij draaide zich abrupt om, weg van die dunne streep licht die pijn deed aan zijn ogen. âNee, het was echt definitief,â stelde hij wanhopig vast. Het was hem een raadsel hoe dit kon gebeuren. Feit was dat hij vanmorgen wakker werd en meteen getroffen werd door een stekende hoofdpijn toen hij uit bed wilde stappen. Hij zonk terug in zijn kussen en probeerde het nog een keer. Weer die afschuwelijke hoofdpijn die hem belette uit bed te komen. Toen hem dat uiteindelijk toch lukte, voelde hij zijn tanden knarsen in de grijns die zijn gezicht trok. âIk moet de directeur bellen,â dacht Jaap. Het was hem nog nooit overkomen: ziek zijn en dus niet naar school kunnen. Maar toen hij de trap afliep naar beneden, naar de hal waar de telefoon stond (âJaap, heb je nou nog steeds geen mobieltje?,â vroeg juf Marleen hem altijd), stopte hij ineens, halverwege. De deur naar de huiskamer stond open, op een kier, en er viel een kleine straal licht in de hal die de ruimte zacht verlichtte. Maar tot Jaapâs grote verbazing trof die streep licht hem als een mokerslag in zijn gezicht. Zijn ogen leken uit elkaar te spatten en alleen door andersom - dus achteruit - de trap verder af te lopen en vervolgens met zijn ogen bijna-dicht de kamer in te rennen om de gordijnen aan de voorkant, die half open waren, te sluiten, kon hij voorkomen dat de hoofdpijn nog erger werd.
What-the-f .. was dit? Kon hij niet meer tegen licht? Migraine? Nooit gehad⊠Hij probeerde het nog eens, keek door het spleetje van het gordijn naar buiten, maar moest direct zijn ogen sluiten door de pijn.
Voor het eerst in zijn leven raakte Jaap in paniek.
âWaar is de meester?â vroegen de kinderen in Jaapâs klas toen juf Maria na het doorbladeren van Jaapâs onbegrijpelijke gekrabbel in wat kennelijk als de âklassenmapâ was bedoeld. âJongens, meester Jaap is ziek (verzon ze)â. âHe, dat is ie noooooit!â, riepen een paar kinderen in koor. âNou ja, het kan toch?â riposteerde juf Maria. âIk word ook wel eens ziek. En jullie toch ook?â Morrend en duidelijk teleurgesteld (âjuf Maria is oud!) trokken de leerlingen hun laatje open om het rekenboek eruit te halen. âDat zal ze hopelijk snel afleidenâ, dacht Maria. En dat was ook zo (gelukkig).Â
Intussen liep Dennis met zijn ziel onder zijn arm door de lege gangen. Hij keek eens door een raam bij groep 3-4 naar binnen en toen hij langs het lokaal van groep 1-2 schuifelde, kon hij zich niet aan de indruk onttrekken toen zijn ogen contact maakten met juf Jantien, dat bijna iedereen onrustiger was dan gebruikelijk op de maandagmorgen. âVerdulleme, het is toch te gek voor woorden. Jaap zal toch gewoon ziek zijn?â, probeerde directeur Dennis zich moed in te praten. âMaar waarom staat zijn fiets dan op school?â 1 + 1 was vandaag geen 2. Hij kon er geen hout van snijden, vanochtend. Terug in zijn kantoortje (âwaarom maak ik me eigenlijk zo druk?â) deed hij zijn best zich te concentreren op de stapel paperassen die hij sinds vorige week als een soort mirakel op een ochtend op zijn bureau had zien landen (âheb ik dat zelf gedaan? Dat moet welâ.)Â
Op hetzelfde moment zakte Jaap moedeloos in zijn grote, oude leunstoel, die hij een paar jaar geleden bij een plaatselijke veiling âvoor het goede doelâ op de kopt had getikt. Paste mooi bij zijn vloerkleed, trouwens ook al een âveilingstukâ. Jaap had kennelijk iets met veilingen. Hij keek even op, zijn ogen gericht op een bordje aan de muur met een tekst die hij vanwege de donkere kamer niet kon lezen, maar die hij zonder moeite kon opdreunen: âZuinigheid met Vlijt Bouwt Huizen als Kastelenâ. Dat had Jaap aan zijn moeder te danken. Die had trouwens ook iets met veilingen, kon Jaap zich herinneren. Maar Jaap wilde helemaal niet aan zijn moeder denken. Hij wilde naar school! Maar hoe?Â
Jaap probeerde het nog eens. Een heel klein kiertje, zou dat misschien ..? Maar heet licht raakte hem als een mokerslag. Opnieuw bekroop hem de wanhoop. âHet is te gek voor woorden!â riep hij uit, alsof hij het een niet-bestaande huiskamergenoot wilde laten weten en hoopte dat die hem zo niet een verklaring, dan toch raad zou kunnen geven over âhoe nu verderâ. Dat hij niet op het idee kwam de school te bellen en zich ziek te melden of zoiets, dat kwam niet in hem op. Wat er allemaal met hem gebeurde nam alle aandacht die hij op kon brengen, in beslag. Snel, uit het evenwicht geslagen, schuifelde hij terug naar zijn stoel en zei hardop: âAdem in, adem uitâ. Dat had hij eens ergens gelezen. Focus op je ademhaling, daar word je rustig van. Het leek even te lukken. En kijk, daar kwam warempel een nieuwe gedachte in hem op. Wat was dat? âJe hebt geen licht nodigâ. Huh? âNatuurlijk heb ik licht nodigâ, antwoordde Jaap hardop, alsof diezelfde fictieve huisgenoot met hem in gesprek was.Â
Het was een zwaar bewolkte dag vandaag. De school lag toch al in de schaduw van een paar - zeiden de kinderen - âdinosaurus-eikenâ, dus donker was het gewoonlijk al in de klaslokalen, waar iedereen altijd het licht aan had. Daar was niets ongewoons aan. De kinderen wisten het, de ouders wisten het, zelfs de Inspectie wist het. Maar aan het eind van de ochtend gebeurde er iets vreemds. Marleen kwam buiten adem - en zonder kloppen - het kamertje van Dennis, de directeur van basisschool de Wiek binnenvallen. âIk heb geen stroom meer! Alle kinderen zitten in het donker!â, hoorde Dennis haar zeggen terwijl ze in een van de twee âluie stoelenâ die Dennis van zijn woning hier naartoe had genomen âvoor het gemakâ, neerzeeg. Dennis keek verbouwereerd naar het door gebrek aan zuurstof (dacht hij) vervormde gezicht van de leerkracht van groep 5. Maar daar bleef het bij, zijn aandacht werd ineens naar het plafond getrokken. âis mijn lamp nou aan het flikkeren?â, dacht Dennis. Veel tijd om erbij stil te staan had ie niet. In een oogwenk was het donker in zijn kamer. Eerst kwam Chris aanrennen (die had de beste conditie), daarna Joan en Maria (die Jaap verving). Ze bleven allemaal in de deuropening staan, omdat ze ook wel zagen dat Jaap (âen wie zit daar nog meer?â) in het donker zat. âCrisisâ, dacht Dennis. âWaar is mijn noodplan?âÂ
Jaap, die thuis in zelfgekozen donker-ballingschap zat, werd wakker uit wat een kort dutje moest zijn geweest. De telefoon ging. Tastend - hij was nog niet goed wakker - zocht zijn hand een weg naar de telefoon. âHallo, Jaap? Dennis hier. Jaap, het is crisis op school. Ik weet niet hoe het bij jou is, maar hier is alles donker. Massale stroomuitval. Blijkt dat het hele dorp in het duister tast - en dit is geen woordspelletje, Jaap! Jaap? Ben je daar, Jaap?â Jaap had de hoorn op een klein afstandje van zijn oor, want Dennis schreeuwde zo hard dat zijn oren er pijn van deden. âDennis, ik kan je horen, maar wil je alsjeblieft wat zachter praten, ik kan je anders niet goed verstaanâ. Dennis herhaalde: âHet is hier donker, Jaap. Bij jou ook? En ik kan het noodplan niet vinden (âwant het is donkerâ, mompelde Jaap) .. wat zeg je Jaap? Weet jij waar het is?â. Nee, dat wist Jaap niet, dat heeft Jaap nooit geweten en kennelijk ook de andere leerkrachten niet. En wat dan nog? Een oplossing voor een âdorpsbredeâ stroomstoring stond er vast niet in. âJaap, we zitten in het donker, ik ga de kinderen naar huis sturen, dit kan zo niet, wat vind jij?â Jaap moest even nadenken. âAls je me op komt halen, dan kom ik wel naar school. Ik kan zelf niet komen fietsen, want mijn fiets staat nog op school en ik ben overgevoelig voor licht geworden.â Het werd even stil aan Dennisâ kant. âIs goed, ik ben er over 5 minuten!â Dennis liet zijn school in ontreddering achter, op weg naar wat hij dacht de redding zou zijn: Jaap naar school halen!Â
Direct bij binnenkomst merkte Jaap: de enigen die rustig waren op school waren de kinderen. Die zaten zachtjes pratend in de donkere lokalen terwijl de leerkrachten krampachtig probeerden de rust die nooit verstoord was, met gebaren en stemverheffing te herstellen. Gek genoeg (?) voelde Jaap geen enkele opwinding, hij werd er niet warm of koud van dat er geen licht was. Sterker nog, hij voelde zich .. bijna weer jong! Hij had zin .. om door de school te rennen. Te zingen. Piano te spelen (âik heb nooit pianoles gehad, but who cares!â). âWaar is mijn klas?â, vroeg Jaap aan Dennis, die - als hij meer had kunnen zien - verbaast zou hebben opgekeken zoân vraag te horen van een leerkracht die al zolang op de Wiek werkte.. Jaap wachtte het antwoord niet af en zocht op de tast naar de deur van zijn lokaal. âGang door, eerste kruising links af, derde deur rechts, die met die kleverige deurknopâ, mompelde hij in zichzelf. Gevonden! Hij verbaasde zichzelf (en de hele klas) door de deur letterlijk open te gooien en âDe redding is nabij!â te roepen als een piratenkapitein die zijn buit bijna verloren zag gaan. De kinderen konden niet meteen zien wie er binnenkwam, maar herkenden Jaapâs stem direct. âMeester Jaap! Yeah!!â Jaap nam de kortste route naar zijn bureau (âGodzijdank heeft niemand die verplaatstâ) ging zitten (âOh wat zit mijn stoel toch lekkerâ), haalde even diep adem, en zei: âJongens, bladzijde 7 van je rekenboek.â En toen hij voorzichtig geschuifel bemerkte, meteen daarop: âNee, je hoeft je boek niet te gaan halen, we doen het uit ons hoofd!âÂ
Eerst stond alleen Dennis in de deuropening, kort erop gevolgd door de andere leerkrachten die de weg in het donker steeds beter konden vinden. âEen liter staat gelijk aan?â, hoorden ze Jaap zeggen. âEen kubieke decimeter, meesterâ, galmde het in de klas. âWanneer leefde de Tyrannosaurus Rex?â klonk het nu. âHeel lang geledenâ, riep een leerling achter in de klas, net voordat het klassikale antwoord weerklonk: âTussen de 66 en 68 miljoen jaar geleden, meester.â Jaap zag ineens iets bewegen in de deuropening en merkte dat er naar hem werd gekeken. âJaap, je bent er weer helemaal!â, riep Dennis uit. De leerkrachten achter hem slaakten elk een zucht van verlichting. âJazekerâ, antwoordde Jaap. âGeen licht, maar toch een fijne les!â âYeah!â, brulden alle kinderen in koor.Â