Omgaan met verschillen tussen leerlingen
Veel scholen willen graag aan de verschillen tussen leerlingen tegemoet komen. Dat leerlingen verschillen, daar twijfelt niemand meer over. Toch gaat het zogenaamde maatwerkdiploma velen, waaronder de Onderwijsraad, nog te ver. Scholen kunnen al wel maatwerk bieden binnen het onderwijs. Als leerlingen vakken afsluiten op een hoger niveau, wordt dat op de cijferlijst vermeld.
Afgelopen maand hebben we ook ons online Onderwijspanel, bestaande uit zo’n 1800 onderwijsprofessionals, gevraagd naar de verschillen tussen leerlingen. Alle panelleden ervaren verschillen in de klas. Van de zeven mogelijke verschillen die we hebben voorgelegd, herkent de docent er gemiddeld vijf bij zijn/haar leerlingen. Het niveau van de leerlingen (90 procent), de motivatie (88 procent) en de snelheid van de leerlingen (83 procent) zijn de meest herkende verschillen tussen de leerlingen. Verschillen die het minst vaak voor uitdagingen zorgen zijn geslacht, sociaal-culturele achtergrond en voorkeur voor leerstijl. Verschillen in niveau en snelheid komen in het basisonderwijs vaker voor dan in het middelbaar beroepsonderwijs. Omdat in het basisonderwijs leerlingen met ongeveer dezelfde leeftijd ongeacht niveau bij elkaar in één klas zitten, is het logisch dat zij meer verschillen ervaren.
Deze verschillen zorgen niet altijd voor problemen in de les. Gemiddeld kunnen docenten drie van de vijf verschillen zelf oplossen. In het basisonderwijs wordt vaak binnen een klas met drie groepen gewerkt om recht te doen aan de verschillen in niveau. Per vak zijn er drie groepen: een basisgroep, een plusgroep en een extra instructiegroep. De werkwijze staat beschreven in een groepsplan. Motivatie wordt gestimuleerd door afwisseling te bieden, of het gesprek aan te gaan met de ongemotiveerde leerlingen. Een docent uit het voortgezet onderwijs geeft ook de gemotiveerde leerling een beloning: “Ik bied de zeer gemotiveerde leerlingen extra uitdagingen. Door stimulerende werkvormen en enthousiasme probeer ik de minder gemotiveerde leerlingen mee te krijgen”.
Op de verschillen in leerstijl speelt een MBO-docent als volgt in: “Leerlingen kunnen op verschillende wijzen starten met hun werk. De een wil eerst uitleg, de ander wil een tutorial volgen, weer een ander leert al doende.” Een docent uit het voortgezet onderwijs heeft hiervoor de volgende oplossing: “Ik doe de instructie op verschillende manier: soms met een filmpje op YouTube, soms gewoon met mondelinge uitleg en soms door te visualiseren.”
Verschil in motivatie zorgt voor de meeste uitdagingen, namelijk bij 66 procent van de panelleden. Ook het niveau van de leerlingen zorgt voor uitdagingen, namelijk bij 44 procent van de panelleden. Het is vooral lastig om les te geven wanneer de verschillen erg groot zijn: “Als het niveau echt hoog of echt laag is, is dat lastig binnen een klas”, geeft een docent aan. Ook lastig is het als er weinig tijd is om de leerlingen op het juiste niveau te bedienen: “Ik moet veel administratie doen: bijhouden van de beginstituatie, vaststellen van de doelen, interventies plegen, beschrijven van behaalde resultaten en daaruit voortvloeiend interventies of doelen aanpassen per kind in de subgroepen” geeft weer een andere docent aan. Maar ook door de regelgeving is het soms lastig om goed op niveauverschillen in te spelen: “Omdat het einddoel voor iedere student gelijk is, is er geen differentiatie of versnellen van de opleiding mogelijk” oppert een docent tijdens het onderzoek.
De verschillen in niveau van de leerlingen kunnen dus gedeeltelijk door de docenten en leerkrachten opgevangen worden. Maar zij lopen hierbij wel tegen grenzen aan, zoals tijdgebrek, zeer grote verschillen of het eindniveau van de leerling. Zou het maatwerkdiploma dit op kunnen lossen?












