Afgelopen week legden Gedeputeerde Staten de Brabantse Omgevingsvisie ter vaststelling voor aan Provinciale Staten. De visie kwam in samenwerking met een groot aantal partijen en inwoners tot stand. De formele inspraakprocedure vormde het stuitstuk van dat traject. De tweede Omgevingskrant – met daarin onderstaande blog - geeft een weerslag van de reacties.
Eigenlijk nog niet zo heel lang geleden deed de overheid het ‘goede’ als er volgens de regels gehandeld was. Als procedures juist waren doorlopen. Als het volgens het bestemmingsplan ingepast kon worden. ‘We’ waren bezig met het ordenen van ruimte. Met het stellen van kaders. Met handhaven. Misschien leidde die focus op procedurele rechtvaardigheid wel tot een lichte vorm van – in jargon – overinstrumentalisering.
In de afgelopen jaren heeft de provincie Noord-Brabant zich dan ook hardop afgevraagd hoe een toekomstige overheid in dat ruimtelijke domein zou moeten handelen. Hoeveel regels heb je dan nodig? Welke kaders werken stimulerend, en welke juist remmend?
In dat denkproces werd het steeds helderder dat niet alleen de overheid in transitie is, maar dat die veranderingen binnen de overheid vooral een reactie vormen op die grote bewegingen ‘buiten’. Ik som er een paar op: in plaats van het opsouperen van fossiele brandstoffen zetten we steeds harder in op duurzame vormen van energieopwekking (in de vorm van zon, wind en bodemenergie). Bij het produceren van voedsel nemen we niet langer ‘dat wat kan’ als uitgangspunt, maar zoeken we naar ‘dat wat past’: we houden meer en meer rekening met het beperkte laadvermogen van het landschap. Het welslagen van onze economie meten we niet langer alleen af aan het halen van fraaie groeicijfers; we focussen op een circulaire economie met gezonde, duurzame groei.
Al die grote bewegingen hebben een ruimtelijke impact: in Brabant moeten we duurzame, afgewogen beslissingen nemen om het evenwicht tussen natuur, wonen, economie en energie te bewaken. Dat proces gaat gepaard met iets dat ik transitiepijn zou willen noemen. Het afwegen van belangen is zo mogelijk nog complexer.
Een nog grotere zorgvuldigheid is vereist. In het verleden konden we nog onbenutte ruimte ‘vergunnen’, anno 2018 bestaat dat niet meer: ruimte is schaars en heeft vaak meerdere functies tegelijk. Samen moeten we tot kwalitatieve afwegingen komen. Meer en meer in het besef dat we te gast zijn in onze omgeving. En dat we ons ook als zodanig moeten gedragen. Willen bijdragen, in plaats van opsouperen. Daar waar mogelijk kwaliteit toevoegen en meerwaarde creëren. Het voordeel voor de één is nog te vaak het leed van de ander.
Dergelijke afwegingen, tussen individueel en maatschappelijk belang, tussen behoud van natuur en woonwensen, tussen duurzame energie en overlast zijn niet gemakkelijk. Zo is ons onlangs ook weer gebleken bij het besluit van Provinciale Staten over de komst van 28 windmolens aan de A16. Door goed naar elkaar te luisteren, door samen te bekijken wat wél kan, en ook goed te bekijken wat écht niet kan, is er uiteindelijk een gedragen eindresultaat geboekt. Dat lukt alleen als we hoge eisen aan iedereen stellen: om te beginnen aan onszelf. Niet ‘gunnen’ als het volgens de regels kan, maar kijken hoe we kwalitatief het onderste uit de kan kunnen halen. Maar ook hoge eisen aan elkaar stellen, het verschil willen maken.
Ik zou dat casuïstisch handelen willen noemen: de lokale plek, de lokale context is het uitgangspunt. Het laadvermogen van de plek, de draagkracht van de omgeving. Waarbij we niet de regels als uitgangspunt hanteren, maar wel hoge principes, waarden in acht nemen. Op iedere plek, in ieder project. Steeds opnieuw. Zo ontstaat werkende weg een nieuwe manier van werken: praktijkleren, learning by doing. In de nieuwe Omgevingsvisie hebben we dan ook de afgelopen twee jaar ingezet op juist dat: op het formuleren van waarden, van principes. Van het ontwikkelen van nieuwe manieren van kijken. We zijn met elkaar voorbij de tijden van ‘berekenen en beredeneren’. We moeten méér willen doen. Met een zorgvuldige, betrokken, op meerwaarde gerichte overheid als uitgangspunt.
Uit de ingediende zienswijzen blijkt wel dat veel mensen en de partijen zich in de omgevingsvisie herkennen. Maar dat ze tegelijk ook nieuwsgierig zijn naar de concrete uitwerking. Wat mij betreft is er maar één weg voorwaarts, en dat is lerend van de praktijk. De omgevingsvisie nodigt daartoe uit, maar doet ook een oproep. Een oproep aan gemeenten, om nog meer tempo te maken met de Omgevingsvisie en Omgevingswet. Een oproep aan de waterschappen, om onze samenwerking krachtig voort te zetten. Maar bovenal een oproep aan initiatiefnemers, om initiatieven actief aan te melden voor het werken en leren vanuit de Brabantse Omgevingsvisie!