“Twee zielen, één gedachte,” luidt het gezegde als twee mensen tot elkaars verrassing dezelfde mening hebben. Maar ook geldt: “Eén ziel, twee gedachten.” In het menselijk brein huizen namelijk het bewuste én het onbewuste. Hebben die ook dezelfde mening?
De sterke kanten van het onbewuste vormen het aardige onderwerp van het boek “Het slimme onbewuste: Denken met gevoel” door Ap Dijksterhuis, hoogleraar psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Die kwaliteiten liggen volgens hem op het vlak van het waarnemen, het hebben van een mening, het beslissen, de creativiteit en het gedrag.
Onbewust waarnemen
In het boek komt het bewuste er maar bekaaid van af. Want dat kan maar één ding tegelijk. De bewuste aandacht is namelijk eenzijdig gericht. Onbewust zien, horen en voelen we veel meer dan we ons bewust zijn. Zo verwerken we onbewust meer reclameboodschappen dan we ons bewust zijn.
Die gevoeligheid in onze onbewuste waarneming wordt door Dijksterhuis subliminale waarneming genoemd. Dit helpt ons om bedreigende situaties sneller te doorzien, het laat ons wennen aan nieuwe dingen en het helpt ons bij het bepalen van wat goed of slecht voor ons is. Dit hangt samen met drie verschijnselen rond subliminale waarneming:
Mere exposure-effect: mensen vinden een object positiever naarmate ze er vaker mee in aanraking komen.
Negativiteitseffect: mensen merken over het algemeen negatieve en bedreigende dingen sneller op dan positieve en niet-bedreigende dingen.
Evaluatief conditioneren: een min of meer neutrale stimulus die wordt gekoppeld aan heel positieve of juist heel negatieve stimuli wordt vervolgens ook positiever resp. negatiever.
Bij deze opmerkelijke kwaliteiten van het onbewuste steekt onze bewuste waarneming maar schril af. Twee opmerkelijke missers in de waarneming illustreren dit:
Inattentional blindness: wanneer we heel geconcentreerd aandacht aan iets besteden, zien we andere dingen volledig over het hoofd.
Change blindness: grote veranderingen in onze omgeving merken we vaak niet op.
Onbewust gedrag
Het boek gaat in op twee facetten van gedrag: het onbewuste (interpersoonlijke) gedrag, waarbij imitatie een rol speelt. En het bewuste gedrag, waarbij de vrije wil aan de orde is.
Om met het eerste aspect te beginnen: mensen imiteren elkaar, onbewust en onbedoeld. Er is een relatie tussen de sterkte van de sociale band en de mate van imitatie. Hierdoor pas je je onbewust aan je sociale omgeving aan.
Bewust gedrag
Bewust gedrag veronderstelt een zekere mate van vrije wil. Volgens het boek is bewust gedrag altijd het resultaat van onbewuste processen. Gedrag begint echter onbewust, en bewust genomen beslissingen zijn volgens Dijksterhuis maar schijn. Dit trekt het hele idee van een vrije wil in twijfel. Dat neemt niet weg dat we ons wel van ons gedrag bewust zijn. Maar zowel de gedachte als het gedrag komt voort uit een onbewuste ‘beslissing’ om het gedrag uit te voeren. Het bewustzijn doet niets, maar heeft op een passieve manier wel invloed. Informatie die in het bewustzijn binnenkomt, mobiliseert onbewuste processen, die vervolgens aan de slag gaan.
Ik adviseer je om zelf te lezen hoe onze onbewuste mening volgens Dijksterhuis vaak belangrijker is bij de beïnvloeding van ons gedrag dan onze bewuste mening. En hoe het bewuste en het onbewuste (intuïtie) als het ware strijden om een rol bij de menselijke besluitvorming. En tenslotte over de creatieve capaciteiten van het onbewuste (inspiratie).
Het schlemiele bewuste?
Dijksterhuis laat de lezer achter met de gedachte dat het bewuste en het onbewuste op rigide wijze van elkaar gescheiden zijn. Gedachten uit het lucide, overactieve, teugelloze onbewuste worden als onder osmotische druk mondjesmaat in het verduisterde, lamlendige, willoze bewuste geperst.
Of om een andere metafoor te gebruiken, het theater: op het toneel staat de slecht voorbereide en vergeetachtige acteur (het bewuste), duidelijk zichtbaar voor het publiek. Uit het zicht wordt hij ingefluisterd door een alwetende souffleur met het script op schoot (het onbewuste).
De menselijke geest als diepzee
Ik zet daar een andere metafoor tegenover: de diepzee.
De menselijke geest is als de diepzee, waarin de meeste onderzeeërs maar tot een beperkte diepte kunnen afdalen. Vlak onder het wateroppervlak, net buiten de kust ziet de duiker de mooiste vissen, koraalriffen en scheepswrakken (het bewuste). Naarmate de vissen dieper zwemmen, worden ze voor hem minder goed zichtbaar – het onbewuste krijgt steeds meer de overhand. Het laagste niveau van bewustzijn bevindt zich in de troggen van de diepzee. Slechts weinig onderzeeërs kunnen daarin afdalen – mogelijk op zoek naar een gezonken Titanic.
Er is naar mijn oordeel dus een graduele overgang van het bewuste naar het onbewuste (tweet dit).
Volgens Dijksterhuis is het belangrijkste ‘nut’ van het bewuste, dat je daarmee het leven kunt ervaren. Zonder deze ervaring is het leven als een droomloze slaap.
Ik geloof dat het genuanceerder ligt.
Vraag: wie is zich bewust van de kwaliteiten van het eigen onbewuste?