De heilloze zaak
Het is heus niet zo dat het mijn leven beheerst. Het is alleen wel zo dat ik er dagelijks mee bezig ben. Ieder uur denk ik er wel een keer of twee aan. En als ik er niet aan denk, dan is er dat gevoel ergens op de achtergrond. Het prikt en schuurt de hele dag een beetje. En als je even niet oplet, snijdt het plotseling dwars door je hart.
Niks obsessiefs verder, hoor. Ik ga gewoon naar mijn werk. Ik ben aardig tegen mijn collega's. Ze vragen regelmatig of ik zwanger ben, waar ik me iedere keer wel een hoedje van schrik. Mensen die weinig van me afweten vragen of ik kinderen heb. Ik heb een speciaal gezicht voor deze situaties ontwikkeld. Beetje ijzig, maar ook weer niet boos. Neutraal. Ik heb het gezicht bijna iedere dag nodig.
Ik zit vergaderingen uit en lever soms een waardevolle bijdrage. Ik voer gesprekken of iets wat daarop lijkt tijdens in de lunchpauze. Ik ben soms geïnteresseerd in mijn kantoorgenoten of ik fake het. Ik maak soms erg leuke grappen, al zeg ik het zelf, en ik moet ook vaak hartelijk lachen om grappen van anderen. Als het nodig is, maak ik overuren. Ik haal mijn deadlines. Er is niks op mij aan te merken.
Intussen zitten mijn man Koen en ik in de medische molen. Dat betekent dat we inmiddels meer vertrouwd zijn met de fertiliteitsafdeling van het academisch ziekenhuis dan ons lief is. De eerste keer dat we er naast elkaar in de wachtruimte zaten, zei Koen: "Ik hoop dat we hier nooit de weg goed leren kennen." Inmiddels kennen we alle zusters en dokters zo'n beetje wel van gezicht en naam en gooien we uiterst nonchalant ons dossier in het goeie bakje als we een afspraak hebben voor een echo of evaluatiegesprek.
Koen zegt zelf dat-ie traag zaad heeft en dat klinkt heel sympathiek. Alsof zijn zaadjes best willen zwemmen, maar gewoon niet zo hard. Het is een verkeerde voorstelling van zaken, want de spermatozoïden van Koen zijn over het algemeen zo dood als een pier. Iedere keer als de laboranten op zoek gingen naar levende spermacellen, veegden ze later het zweet van hun voorhoofd en lieten ze weten dat het weer een hele speurtocht was.
Om de zaak nog gecompliceerder te maken zijn mijn eicellen bijna op. Dat weten we doordat er tijdens hormoonbehandelingen telkens maar één of twee eitjes groeiden, terwijl ze per behandeling rekenen op een oogst van tien of vijftien, want daar kunnen ze tenminste wat mee.
Kortom, samen hebben we weinig kans van slagen. Wij voelen ons de grootste kneuzen van het hele patiëntenbestand, die eigenlijk voor spek en bonen meedoen. Aan het leven in het algemeen en aan zwanger worden in het bijzonder. Toch lieten we ons niet meteen uit het veld slaan en hebben we inmiddels drie pogingen Intracytoplasmatische Sperma Injectie (ICSI) gewaagd. De eerste keer hebben de dokters en laboranten precies één eitje gescoord en één zaadje. Slechter kan haast niet, maar toch voelde het voor ons als het grootste wonder ter wereld. Die twee helden zijn samen ook nog een embryootje geworden van vier cellen. Stelt niets voor, geen armen en benen, laat staan vingertjes en een neusje. Maar toch wist ik al hoe hij ging heten en dat het dus een jongetje zou worden.
Toen de kleine werd teruggeplaatst voelde ik me zwangerder dan ooit en dat was ik waarschijnlijk ook. Er had immers in mijn baarmoeder waarschijnlijk nooit eerder een bevruchte eicel gezeten. Maar ik was uiteindelijk natuurlijk helemaal niet zwanger. En de keer daarop was ik ook niet zwanger en de keer daarop nog minder en adviseerde de dokter ons maar te stoppen met deze heilloze zaak.










