Waar de weg naar de sterren begint
Soms laat de roep om naar het Spaanse pelgrimsoord Santiago de Compostela te gaan zich niet meer negeren. Een plotseling besef kan reden zijn je rugzak te pakken en de deur achter je dicht te trekken. Het overkwam Helen Albada.
Als ik op 39-jarige leeftijd plotseling inzie dat mijn relatie van achttien jaar waarschijnlijk niet het eeuwige leven heeft, besluit ik een gedachte waar ik al jaren mee rondloop, in praktijk te brengen. Met drie maanden onbetaald verlof op zak vertrek ik in mei 2011, in m’n eentje en met tien kilo bagage, te voet naar Santiago de Compostela. Op zoek naar de ultieme vrijheid. En ook een beetje op zoek naar mezelf. Na zo’n jarenlange relatie weet ik het ineens allemaal niet meer zo goed…
Terugkijkend kan ik zeggen dat ik gevonden heb waar ik naar op zoek was. De vrijheid en ongebondenheid van het op weg zijn. De ontmoetingen met mezelf, die me gelukkig vrolijk maken. Maar ik vind ook nog iets anders op mijn pad. Iets wat ik nooit, maar dan ook nooit van te voren heb bedacht. Een nieuwe liefde…
Bejaarde Française in Miradoux
Eigenlijk komt het allemaal door Thérèse Fardo; een bejaarde Française, nog kleiner dan ik. Aan het begin van mijn wandeltocht op de Via Podiensis ontmoet ik haar al. In haar oude, scheefgezakte huisje in Miradoux ontvangt ze wandelaars. Op 5 mei 2011 schrijft ze in m’n pelgrimspaspoort: ‘Joie et Lumière sur tes pas vers ton champ d’étoiles’.
Thérèse drukt voorzichtig haar groene stempel in mijn pelgrimspaspoort. Ik ben toch maar goed terechtgekomen, zonder plan, zonder reservering. Heerlijk geslapen bij deze alleenstaande verpleegster in ruste, in een plattelandsdorpje. Ze pakt m’n Nederlandse wandelgids en bekijkt de slaapadressen: “Is het goed als ik er wat tips bij schrijf?” M’n gids wordt opgefleurd met hartjes, kusjes en uitroeptekens. Bij haar voordeur zwaait ze me zingend uit: “Hélène, Hélène, Ultreia, Ultreia, jouw weg naar de sterren begint!”
Dagen later in Le Champ d’Étoiles
“Zonder reservering vind je geen slaapplek in Condom”, zegt de beheerder van klooster La Romieu, waar ik vannacht heb geslapen. Hij zoekt in zijn papieren naar een geschikt overnachtingsadres. Kijkend in mijn eigen gids valt mijn oog op het kriebelige handschrift van Thérèse. Ze heeft hartjes en kusjes gezet bij ‘Le Champ d’Étoiles’, een gîte in Condom die zij zelf heeft toegevoegd, zonder telefoonnummer. “Ik zal reserveren bij ‘La Maison du Pélerin’ ”, zegt de beheerder, “een prima plek”. Hij pakt z’n telefoon en begint het nummer al in te tikken. “Attend, s’il vous plaît, heeft u ook het nummer van ‘Le Champ d’Étoiles’?”. Vragend kijkt de man me aan. “Ik raad je toch echt ‘La Maison du Pélerin’ aan”. “Nee, nee”, werp ik tegen, “als u het nummer heeft, zou u daar dan willen reserveren?” “Bien sûr”, met opgetrokken wenkbrauwen maakt hij voor mij de reservering. Thérèse heeft die slaapplek er toch niet voor niets bij gezet?
‘Le Champ d’Étoiles’ ligt aan het begin van de stad Condom en is al volgestroomd met pelgrims. Als ik door de tuin naar m’n waslijntje met sokken loop, valt mijn blik op een jonge man met een donkerbruine baard. Baarden vind ik lelijk, maar hierboven kijken mij een paar prachtige honingkleurige ogen aan, omlijst door donkere wenkbrauwen. Ik concludeer dat deze man verreweg de mooiste pelgrim is die ik tot nu toe ben tegengekomen.
’s Avonds eten we met z’n vijftienen in de tuin. Op de barbecue liggen worsten te sissen. Ik zit tussen twee oudere Fransozen, die zorgen dat wijn, water en brood vanzelf mijn kant op komen. Wat zijn Fransen toch galant, bedenk ik, terwijl ik de tafel rondkijk. De baardige Fransman zit helemaal aan de andere kant van de tafel. Hij vangt mijn blik en glimlacht. Ik glimlach terug en gniffel in mezelf, ik zit hier wel prima.
Ik zit die avond naast Thierry; een creatieve vijftiger, ontwerper van ijzeren beelden en vertrokken vanuit Parijs. We hebben een leuk gesprek en hij vertelt dat hij al een paar weken oploopt met ene Eric. In de dagen die volgen, kom ik ze dagelijks tegen. Eric blijkt de knappe Fransman met baard te zijn…
Aan mijn lijf geen Franse polonaise
“Ik ben zo moe, ik slaap al een tijdje heel slecht.” Ik wandel door de glooiende Spaanse velden van Los Arcos naar Viana en naast mij loopt Thierry te zuchten. Het uitzicht is adembenemend. Gele graanakkers, de grintweg naar Santiago die hier doorheen kringelt, een strakblauwe lucht en een immense stilte. Onbekend voor een Nederlandse. We wandelen in hetzelfde tempo, zo’n vijfhonderd meter achter ons loopt Eric. “Ik slaap eigenlijk sinds twee weken heel erg slecht, er is iets dat me uit m’n slaap houdt.” Schuin kijkt Thierry me aan. Sinds twee weken? Wat wil hij me nou duidelijk maken? Hoe lang loop ik hem nou precies tegen het lijf, twee weken… Ineens begint me iets te dagen. Oh nee, hier heb ik echt geen zin in. Mijn eigen hoofd is al een warboel. Ik kan er geen verliefde vijftiger bij hebben. Ik vertraag m’n pas en zoek driftig naar m’n fototoestel. Die mooie olijfboom moet nu echt op de foto. Tijd om weer alleen verder te gaan. Een korte stop in Logrono, de eerstvolgende stad. Aan mijn lijf geen Franse polonaise.
Calle de Santiago. De straatnaam staat met sierlijke krulletters op de geel met blauw geglazuurde tegel. Ik stel mijn fototoestel in. Geen idee wat dit voor foto wordt. Ik ben er ook niet helemaal bij met m’n hoofd. Op de derde dag dat ik alleen door het Spaanse Logrono slenter, is mijn wandeltempo verlaagd naar tranquilo, tranquilo. Ik dacht alle bekende pelgrims voor me te hebben gelaten, maar enkele meters verder staat Eric. De knappe Fransman met baard.
Als ik een pas opzij doe, ziet hij me ook. Ik ben nog niet in staat in beweging te komen. Zo te zien is hij alleen. Als ik hem niet aanspreek, verliezen we elkaar waarschijnlijk echt uit het oog. Een beetje licht in het hoofd en met een hart dat sneller klopt dan gebruikelijk, maak ik een foto, doe een pas naar links en loop het zonovergoten plein op. “Hé bonjour”, zeg ik zo normaal mogelijk. Zichtbaar verrast kijkt Eric op. “Hélène, comment ça va?” Hij loopt op me af en geeft me twee zoenen. We zijn allebei een beetje beduusd. Ineens staan we daar, met z’n tweeën. Geen andere pelgrims om ons heen. “On boit un coup?” vraag ik op m’n beste Frans.
Bij het afscheid weet ik niets beters te zeggen dan “bon camino”. “Oui, chacun son chemin”, zegt Eric. Na twee zoenen loopt hij de straat uit en slaat rechts af. Ik kijk hem na, en net voordat hij uit het zicht verdwijnt, draai hij zich om en zwaait.
Na Logrono kom ik Eric dagelijks tegen. Zonder afspraken, zonder vooropgezet plan. Het klikt buitengewoon goed. Ondanks de taalbarrière hebben we enorme lol en tegelijkertijd komen ook serieuze zaken aan de orde. Als we elkaar ontmoeten op weg naar Santo Domingo de la Calzada, besluiten we onszelf te trakteren op een overnachting in een Parador; een van de meest luxueuze en chique hotels van Spanje, tegenover de kathedraal.
Er waait een warme avondwind. Erics hotelkamer ligt op de eerste verdieping en al rokend kijken we uit over het plein van Santo Domingo. Het is een heldere nacht met veel sterren. Op de toren van de kathedraal prijkt een witte, vierkante klok met zwarte Romeinse cijfers. Nog een paar seconden en de klok zal middernacht slaan. Onderaan staat met zwarte letters geschreven: TEMPUS FUGIT. De tijd vliegt.
Terwijl de klok doortikt, veranderen mijn gevoelens per seconde. Ik ben deze reis alleen aangegaan en wandel in mijn uppie naar Santiago. Ik laat me niet van mijn pad afbrengen. De klok begint middernacht te slaan. Bij de twaalfde slag valt ineens in het hele hotel de elektriciteit uit. Verontwaardigde kreten van onze buren. Aardedonker. Met mijn handen raak ik voorzichtig Erics gezicht aan.
Twee jaar later. Ik zwaai Eric uit die naar zijn werk vertrekt en ga zelf ook aan de slag. Achter de computer in ons huis net onder Lyon.
Gepubliceerd in Jacobsstaf december 2013