Afstuderen III - De vaart erin
Ik denk dat we vast kunnen stellen dat ik een Diesel ben. Ik weet nog altijd weinig van auto’s, maar Diesels schijnen langzaam op te trekken en dat is wat ik doe. Het begon allemaal met een idee waar niets aan mankeerde en een planning in gekleurde schema’s die perfect ingedeeld was. En toch startte ik maar niet.
Er kwamen geen gedichten. Ik ging niet op reis. Ik schreef geen scriptie. Of dat maakte ik mezelf wijs. Want in werkelijkheid gebeurde er wel wat, was ik bezig zonder dat ik het die naam gaf. Het voelde niet als een begin, het voelde als gesputter, gehik.
Nu pas zie ik dat overal materiaal ligt. In dat ik rijangst had die groter was dan ik dacht. Dat mijn onvermogen in beweging te komen ironisch en dus bruikbaar was. Dat alles wat ik in de tijd tot mijn afstuderen heb gedaan en beleefd op een bepaalde manier aanleiding is voor het onderzoek naar beweging en de road poetry: dat ik eigenlijk altijd op een andere plek wil zijn, mijn zoektocht naar wat een thuis is en hoe een thuisgevoel ontstaat, zelfs mijn wagenziekte als kind is bruikbaar. Het lijkt opeens alsof alles hiertoe leidde en dat het afstudeerwerk daarom zo groots voelt, zo moeilijk om aan te beginnen.
Maar grote dingen werk je niet in één hap naar binnen. Ik ben een brouwer. Ik heb alles eerst laten bezinken, laten borrelen en nu alles gedistilleerd is, er verbindingen aangegaan zijn tussen de elementen, kan ik beginnen met filteren. Met het samenstellen van de juiste chemie. Nu het lang genoeg geborreld heeft kan ik echt gaan brouwen, echt aan de slag en lach ik als ik over mijn afstuderen spreek.
Het stond stil. Het borrelde. En nu heb ik de vaart erin.