Scribomanie de obsessieve drang om te schrijven
Als ik nu eens de plooien van mijn brein gladstrijk en met een dramatische zwaai mijn pen oppak – excuseer, mijn toetsenbord aansla – dan voelt het alsof de wereld plots in focus komt. Dat is het moment waarop ik gelukkig ben. Ja, gelukkig, zoals een kind dat de koektrommel ongestoord heeft geplunderd of zoals een kat die zich op de zonnigste plek van het huis heeft geïnstalleerd. Ik ben gelukkig als ik schrijf. Niet een beetje gelukkig, maar zo’n geluk dat je voelt tot in je kleine teen, als een tinteling die je herinnert aan het feit dat je leeft. Dat ik scribomanie heb, zegt u? Oh, zonder twijfel! Ik heb het woord zelfs niet nodig in de Dikke Van Dale op te zoeken, zo diep zit het in mijn systeem. Scribomanie: de obsessieve drang om te schrijven, als een verslaving waarvoor geen ontwenningskliniek bestaat – godzijdank.
Het gemeente waar ik woon – een microkosmos van alledaagsheid, een plaats waar de tijd zich lijkt te hebben teruggetrokken op de veranda met een kopje koffie – inspireert mij meer dan men zou denken. Mijn gemeente is zo klein dat als iemand niest, de hele bevolking weet wie het was en wat ze eerder die dag hadden gegeten. Toch vind ik in die eindeloze herhaling van alledaagse gebeurtenissen een bepaalde vorm van schoonheid. De mensen zijn er zoals ze altijd zijn geweest: een beetje eigenaardig, maar vol warmte. Ik geloof in de goedheid van mensen. Misschien ben ik naïef, maar ik denk dat, onder al dat gesputter en geknor, ieder van ons een zachte kern heeft. Als het even kon, zou ik iedereen in het dorp een knuffel geven.
Wat me gelukkig maakt? Teksten, uiteraard. Mijn schrijfsel, mijn geschreven persoonlijke meningen zijn mijn levensadem. Als ik me niet kan uiten, voelt het alsof ik langzaam uitdroog, als een kamerplant die te dicht bij de verwarming staat. Mijn emoties, mijn dromen, alles vloeit in die woorden. Wat ik voel, wat ik meemaak, alles komt terecht in een wirwar van letters, alsof ik mijn ziel alfabetiseer. Soms zijn die teksten scherp, bijtend als de wind op een gure herfstdag; andere keren zijn ze zacht, als een warme deken op een winteravond. Maar altijd zijn ze míjn teksten, mijn verlengde ik. En ja, ik moet toegeven, soms droom ik dat ik die teksten aan de wereld toon en iedereen zegt: “Wat een genie! Hoe heeft hij dit bedacht? Hij moet een prijs winnen voor literatuur, of op z’n minst een patisseriebewijs van de dorpsbakker.”
Wat ik voel, is een voortdurende spanning tussen het grootse en het alledaagse. Ik leef voor die momenten van puur geluk. Het soort geluk dat je ervaart als je een hond ziet kwispelen, of wanneer een oude vriend met zijn wandelstok je glimlachend de weg vraagt – ondanks het feit dat hij er als een postzegelverzamelaar uitziet die al decennia dezelfde straat bewoont. Mensen én dieren, ze geven mij die glimp van iets hogers, iets mooiers. En dat is waar ik voor leef. Dieren begrijpen mij soms beter dan mensen. Ze oordelen niet, ze spreken geen woorden – en dat is maar goed ook, want die zouden alleen maar in de weg staan.
Mijn dromen? Ach, die zijn er in overvloed. Ik droom van werelden waarin iedereen zichzelf kan uiten zoals ik dat doe. Waar niemand bang is om te falen, want falen is een essentieel onderdeel van het leven. Falen is als een kom soep die te zout is – het verpest de maaltijd, maar leert je voor de volgende keer.
Soms stel ik me voor dat mijn opiniestukken in een stoffige bibliotheek terechtkomen, ergens in een achterafkamertje waar enkel de meest nieuwsgierige lezers durven te komen. Ze bladeren door mijn werken, schudden soms hun hoofd, en lachen dan weer hardop om een of andere woordspeling die ik erin heb gesmokkeld. Want ja, woorden zijn mijn speeltuin, en ik speel graag. Als ik schrijf, voel ik me alsof ik een orkest dirigeer. Elk woord een noot, elke zin een melodie. Soms is het een beetje vals – dat geef ik toe – maar het is altijd eerlijk, altijd oprecht en écht.
Dus als u me vraagt waarom ik schrijf, waarom ik mijn gedachten en gevoelens in woorden giet alsof mijn leven ervan afhangt – wel, dát is precies de reden. Omdat het moet. Omdat het mag. Omdat het de enige manier is waarop ik mezelf volledig kan zijn, zonder maskers of franjes. En als dat betekent dat men denkt dat ik scribomanie heb, dan zij het zo!














