Zienderogen zijn
Over het werk van Véronique Alberghs, Hilde Overbergh, Ellen Schroven en Sofie Van der Linden op de expo Ik zie, ik zie door Marnix Rummens Van onze vijf zintuigen brengt het zicht ons wellicht het meest veelzijdig in contact met de wereld rondom ons. In een oogopslag vatten we wat nabij is en veraf, brengen we de dingen om ons heen in verband en geven we ze betekenis. Maar kijken naar de wereld brengt ze niet alleen in kaart. Elk nieuw inzicht of perspectief geeft net zo goed vorm aan de werkelijkheid waarin we leven. Wat en hoe we zien bepaalt immers de wereld die we waarnemen. Het is die vormende kracht van de blik die centraal staat in deze tentoonstelling. In vier ensembles van evenveel kunstenaars ontdek je een caleidoscopische blik op onze leefwereld. Met in haar centrum de vaak vergeten wisselwerking tussen kijken en zijn. Grenzeloos canvas In de schilderijen en assemblages van Hilde Overbergh wordt ruimte uitgepuurd tot basisvormen. Haar doeken zoomen in op figuratieve, herkenbare elementen tot ze haast abstracte, op zichzelf staande vormen worden. Dagelijkse onderwerpen zoals dekens, tegelpatronen of rasters worden tegelijk een abstracte constellatie van kleuren, vlakken en vluchtlijnen. En dat dubbel perspectief roept een bevreemdende ruimtewerking op. De contouren van een keukenhanddoek vormen tegelijk een ruimtelijk raster, een vage plaatsbepaling die zich langzaam vervormt en zo ongrijpbaar wordt. Vlakke schilderdoeken worden op die manier gelaagde, virtuele ruimtes met een soms onbegrensde diepte. In het werk van Hilde Overbergh wordt ruimte niet afgebeeld als een vaststaand gegeven, maar wordt ze voorgesteld als een proces dat zich voltrekt, een potentieel dat invulling krijgt door de interpretatie van de toeschouwer. Diezelfde dynamiek zet zich ook buiten de doeken verder. Een gekleurd muurvlak vormt -door er een transparant canvas voor te plaatsen- zowel de inhoud van een frame als haar omkadering. Een fel oranje rand van een paneel schemert af op de muur, waardoor het coloriet het doek overstijgt. En een constructie van houten latwerk veruitwendigt interne vluchtlijnen tot een haast kubistische constellatie. Hoe duidelijk omlijnd een doek ook is, de ruimtes die Overbergh er creëert zijn grenzeloos. Verbeelding en fysieke ruimte lopen naadloos in elkaar over en laten de poëtische blik die ze oproepen uitwaaieren over je dagelijkse omgeving. Beeld in wording Een zelfde bevragende benadering van onze perceptie drijft het werk van Veronique Alberghs. Door felle kleurvlakken te ordenen in wisselende perspectieven genereert ze in kleine panelen meteen een groot gevoel van ruimte. Daarbinnen plaatst ze geïsoleerde figuratieve elementen: gevonden beelden en vormen, nageschilderd uit magazines of geplukt uit websites. Klassieke Griekse hoofden, een raamkozijn, technische tekeningen: steevast elementen die hun schaalloze wereld (tevergeefs) trachten op te meten. Dat gevoel van desoriëntatie wordt nog versterkt doordat Alberghs in haar doeken de basiswetten van de fysica herformuleert. Een eenmakend perspectief ontbreekt volledig en de wetten van proportie en zwaartekracht worden stelselmatig onderuit gehaald: zware volumes lijken misplaatst te zweven op onhoudbaar dunne dragers, en schijnbaar betekenisloze details lijken te verdwijnen in de leegte van hun omgeving. Met eenzelfde bevlogenheid als de Griekse wijsgeren in haar doeken peilt Alberghs naar de grondslagen van onze waarneming in een wereld die niet langer in één wereldbeeld te vatten valt. Want waar de Grieken streefden naar een harmonie en leesbaarheid beklemtoont de schilderes in haar composities net radicaal de heterogeniteit, complexiteit en veelvuldigheid die elke plek maakt tot wat ze is: een bonte mengeling van kleuren, vormen, stijlen en perspectieven, zonder vooropstaande context, die slechts in de blik van de aanwezige samenhang kan krijgen. Plek voor het onplaatsbare De nieuwsgierigheid hoe een beeld betekenis krijgt door het referentiekader waarbinnen het wordt waargenomen vormt ook het vertrekpunt van het foto- en videowerk van Ellen Schroven. Aan de hand van een archief van snapshots van dagelijkse observaties legt ze de sturende kracht van zowel onze blik als nieuwe media bloot. In het tweeluik diptiek bijvoorbeeld worden een boot en een luchtballon zachthandig omgevormd tot een poëtisch droombeeld doordat de context van beide onderwerpen vervaagt. In het drieluik triple moon voltrekt zich een omgekeerde ingreep. Daar worden een maan, een satelliet en een ballon in hetzelfde formele kader geplaatst, waardoor hun betekenis door elkaar begint te lopen. In haar videowerk experimenteert Schroven dan weer met een dubbelzinnige blik, en bevatten de beelden die ze filmt ook steeds een afspiegeling van wat buiten het beeldkader valt. In de stroming van water wuift gebladerte. Of net omgekeerd. Nachtelijk vuurwerk ginstert binnenkamers. Het levert beelden op die je niet meteen een plaats kan geven. Of net een plek voor het onplaatsbare. Zoals het fotowerk 11 maart 2009 dat het blijvende karakter van het geschreven woord, het onherroepelijke van een overlijden, en het haast onvatbaar vluchtige van een regenboog weet te rijmen in één oogopslag. Blauwdruk van verbeelding Hoe analytisch de tekeningen van Sofie Van der Linden ook lijken, ook deze werken ontlenen hun poëzie aan de tegenstrijdige gezichtspunten die erin zijn ondergebracht. In het rasterwerk van fijne potloodlijnen zie je immers een groeiend reconstructieproces van de verdwenen directeurswoning die ooit bij de site van het huidige CIAP hoorde. De driedimensionele tekening verenigt aan de hand van een plattegrond en verschillende ooggetuigenverslagen niet alleen binnen- en buitenkant, maar ook feit en verbeelding, verleden en heden in één grafische constructie. De lijnen die Van der Linden zo zorgvuldig traceert zijn geen bouwplan voor een nieuwe constructie maar veeleer een blauwdruk van de complexiteit van onze herinnering. Ze verwijzen niet naar een homogene werkelijkheid, maar naar een vlechtwerk waarin diverse belevingen en impressies van de realiteit in elkaar verstrengeld zitten. Die verbondenheid zet onze gebruikelijke objectieve benadering van ruimte op losse schroeven. In het werk van Van der Linden wordt ruimte net zo meerduidig en divers als er moods en mensen zijn. Bovenop haar feitelijke basis is een plek immers steeds de ervaring van een plek. En die verloopt via onze zintuigen. Verkennend, verglijdend, associatief en haast intiem persoonlijk. Hoe verscheiden de werken op deze tentoonstelling ook zijn, stuk voor stuk laden ze zich op aan de dagelijkse waarneming en peilen ze naar een essentie ervan. Die vinden ze in een compromisloze vorm van bemiddeling: tussen feit en verbeelding, buitenwereld en persoonlijke invalshoek, tussen concrete figuren en abstracte patronen. Waarnemen wordt er meer dan ooit een werkwoord, een actief deel uitmaken van de wereld als voortdurend proces. En dat biedt een onvermoede speelruimte. Want welk medium er ook aan te pas komt, uiteindelijk bepaalt onze blik in belangrijke mate de ruimte waarin we leven. En wie we zelf zijn in een steeds veranderlijke wereld. Want hoe wij onze omgeving of context zien heeft invloed op onszelf. Zienderogen. Geschreven in augustus n.a.v. de tentoonstelling Ik zie Ik zie – over toevallige en minder toevallige observaties 14 sept – 24 nov 2013 – CIAP Hasselt Meer info













