"Soms stelde Mira er een wreed genot in haar minnaar te plagen: verbood hem haar aan te kijken, dwong hem de ogen dicht te houden terwijl ze zich in zijn aanwezigheid verkleedde, - liet hem huiselijke bezigheden verrichten, - kreeg de zotste kuren en invallen om zijn geduld op de proef te stellen. Hij volbracht alles, blijde zich te mogen vernederen om alzo in haar gunst te komen. Ander keren was zij al vuur en vlam, opgewonden, geweldig. Bij 't binnenkomen snapte zij hem vast en riep uit: ‘'k Ben ziek van op u te wachten!’ Zij bestormde hem, drukte hem tegen zich aan, worstelde en wrong tot hij onder lag. Doch in haar felste bevliegingen van hartstocht en drift, scheen zij nooit te vergeten met wie zij te doen had, wist zo goed als hij zelf, altijd binnen de grenzen te blijven, zodat zij hem nooit door een onwelvoeglijk gebaar of aanraking deed schrikken, - hij nimmer enige aanstotelijkheid van haar ondervinden moest; alles bepaalde zich tot wellustig kattenspel, met de druistige doening van een jongen: 't genot om hem met haar stalen spieren te bedwingen en te overmeesteren - argeloos gepraal met haar macht. Dan viel het spel stil en zaten ze beiden door 't venster uit te staren."
Stijn Streuvels, De teleurgang van de Waterhoek (1927)












