Een poëtisch eerbetoon aan de stadionspeaker, de stille stem achter elke wedstrijd. Over ritueel, sfeer en voetbalcultuur op Nederlandse spo
seen from Maldives
seen from United States

seen from United States

seen from Germany

seen from Kazakhstan
seen from Maldives

seen from United States

seen from United States
seen from Brazil

seen from United States

seen from United States
seen from Türkiye
seen from Germany
seen from United States

seen from United Kingdom
seen from United States
seen from United States

seen from United States

seen from United States
seen from Uzbekistan
Een poëtisch eerbetoon aan de stadionspeaker, de stille stem achter elke wedstrijd. Over ritueel, sfeer en voetbalcultuur op Nederlandse spo
‘Het Marokkanenprobleem’
Het Marokkanenprobleem van mijn vrienden
In discussies met mijn Leidse studentenvrienden kom ik altijd in de positie terecht waarbij ik het gevoel heb dat ik het de ene keer op moet nemen voor Badr Hari en de andere keer voor ‘de Marokkanen’ in het algemeen. Dit komt volgens mij omdat: a) sommige van mijn vrienden een bijzonder beeld over ‘de Marokkanen’ hebben en b) mijn vrienden mij (onterecht) als Marokkanendeskundige bestempelen vanwege mijn Goudse jeugd. Gouda, de stad die volgens Geert voortdurend gebukt gaat onder Marokkaans straatterreur. Tip: kijk voor een iets genuanceerder beeld de Argos –TV reconstructie van het Goudse bussenincident.
De meeste van mijn vrienden hebben nooit bij een Marokkaan in de klas gezeten of in hetzelfde voetbalteam gespeeld. Het beeld dat zij over Marokkanen hebben komt van Geert en zijn kornuiten en de sporadische real-life ervaring die zij met een Marokkaan hebben gehad. Niet dat ze de uitspraken van Geert nu zo serieus nemen, integendeel. Toch blijft het lastig een uitspraak als: “… onze stranden worden geteisterd door rovend en gewelddadig Marokkaans tuig …” om te buigen tot iets positiefs. Helemaal met een tegengeluid als: “Badr is een parel voor de Nederlandse samenleving”. Daarbij komt dat die sporadische real-life ervaringen zich vaak in en rondom het centraal station van Leiden afspelen en daarmee per definitie niet positief kunnen zijn. Zo is één van mijn vrienden na het pakken van zijn fiets weleens achterna gezeten door twee rebellerende mocro’s. Een gebeurtenis die zeker invloed heeft gehad op zijn beeld over ‘de Marokkanen’. Het probleem van mijn vrienden is dat ze hun beeld over ‘de Marokkanen’ ontlenen aan gebrekkige mediaberichten en de niet erg representatieve real-life ervaringen.
Mijn Marokkanenprobleem
In tegenstelling tot mijn Leidse studentenvrienden ben ik wel op jonge leeftijd in contact gekomen met Marokkaanse leeftijdsgenootjes. Tussen mijn vijfde en zevende jaar was mijn beste vriendje Abdulhak. Op mijn zevende verhuisde ik naar de Beringlaan, een buurt met vooral blanke jongetjes (en dus blanke vriendjes). Wel had ik nog een paar Marokkaanse klasgenootjes en zat ik bij S.V. Gouda in een team met zowel Nederlandse als Marokkaanse jongens.
Met mijn vriendjes op de Beringlaan voetbalde ik en speelde ik busjetrap, een soort verstoppertje, alleen dan met een bal. Tijdens één van de potjes busjetrap bleek de bal opeens verdwenen te zijn. Mijn vriendje Tom beweerde dat hij mijn vroegere vriendje Abdulhak langs had zien komen fietsen met onze bal in zijn handen. Diezelfde avond belde de moeder van Tom bij mij en mijn ouders aan. Ze had van Tom gehoord dat ik Abdulhak kende en dat mijn ouders wisten waar hij woonde. “Kunnen jullie niet bij Abdulhak langs gaan om de bal van Tom terug te vragen?”. Een op het eerste gezicht eenvoudige vraag met een eenvoudige oplossing. De bal is van Tom, wij weten waar Abdulhak woont, waarom dan niet even langs fietsen om de bal terug te vragen? Toch zag ik de vertwijfeling al op het gezicht van mijn vader verschijnen.
Met enige tegenzin vertrokken mijn vader en ik richting het huis van Abdulhak. We belden aan en de vader van Abdulhak deed open. Hij was erg verheugd ons na lange tijd weer te zien en nodigde ons direct uit voor een glaasje Marokkaanse thee. Abdulhak was niet thuis en wat ongemakkelijk zaten ik en vooral mijn vader op de bank met een glas thee in onze handen. Mijn vader kennende heeft hij het nog subtiel proberen te brengen door te vragen of Abdulhak misschien een bal ‘gevonden’ had die toevallig van een vriendje van mij was. De vader wist van niets. Iets later stonden we weer buiten, allebei met een kutgevoel. Dit gevoel werd er even later niet beter op. Eenmaal thuis aangekomen werd aangebeld. Abdulhak stond voor de deur met tranen in zijn ogen en de bal van Tom in zijn handen. Het leek erop dat hij thuis een flink pak slaag van zijn vader had gekregen.
Ik twijfel nu nog steeds of mijn vader en ik er goed aan hebben gedaan de bal terug te halen. Ook vraag ik me af wat het betekent dat de situatie voor mij minder pijnlijk zou zijn als Tom de bal van Abdulhak zou hebben meegenomen en mijn vader en ik bij de moeder van Tom langs zouden zijn gegaan om de bal terug te halen. Dat is denk ik mijn Marokkanenprobleem.
Het Marokkanenprobleem van mijn voetbaltrainer
Mijn voetbalteam was een mix van Nederlandse en Marokkaanse jongetjes. Mijn ploeggenootjes heetten Koen, Jeroen, Rob, Paul en Richard, maar ook Nabil, Joëd, Tarik en Aziz. Onze trainer noemde mij en mijn Nederlandse ploeggenootjes stuk voor stuk bij naam, “Ward, kaatsen”. Mijn Marokkaanse ploeggenootjes kregen allemaal dezelfde naam, niet Mohammed maar Ali, wellicht nog makkelijker te onthouden en uit te spreken.
De trainer mag me Ward noemen, Wardiola (mijn voetbalnaam) mag ook. Minder mooi vind ik het als hij me Kees of Piet noemt. Nog minder mooi vind ik het als ik niet de enige Kees of Piet ben en het grapje is echt voorbij als ik het hele jaar Kees of Piet genoemd wordt. Toch blijft het gissen wat dit met mij gedaan zou hebben. Ik heb in tegenstelling tot mijn Marokkaanse ploeggenootjes namelijk nooit meegemaakt hoe het is om door je trainer niet bij je echte naam genoemd te worden. Wat betekent het voor een 12 jarige jongen als structureel (het hele seizoen) (een deel van) zijn identiteit miskend wordt?
Wees gerust, ik zal jullie de moralistische conclusies besparen en het bij deze drie voorbeelden houden die laten zien dat ‘het Marokkanenprobleem’ misschien ook wel voor een deel ligt bij mij, mijn vrienden en mijn voetbaltrainer.
Over mijn vaarwel aan het Engelse amateurvoetbal
Hieronder de brief die ik naar de aanvoerder van mijn team ga sturen (uiteraard wel in het Engels;)). "Beste Dave, Je bent een aardige gast. En ik vind het nog steeds tof dat ik afgelopen drie maanden mee heb kunnen spelen met het College team van Claire. Het leek in eerste instantie best een goede deal. Jullie zochten een middenvelder, ik ben een middenvelder. Vandaag heb ik echter ingezien dat vraag en aanbod toch niet zo goed op elkaar aan blijken te sluiten. Een Nederlandse middenvelder is misschien toch niet hetzelfde als een Engelse middenvelder. Daarom heb ik besloten vanaf nu geen wedstrijden meer te spelen voor het Claire College voetbalteam. Een korte uitleg is misschien wel netjes. Ik weet eerlijk gezegd niet zo goed waar ik moet beginnen. Wellicht wat aan de late kant, maar laat ik beginnen wat over mezelf te vertellen. Ik heb leren voetballen op de pleintjes van Gouda, een middelgrote stad in het westen van Nederland. Naast de doelpunten was ook het esthetische aspect van het voetbal voor ons van goot belang. Mijn Marokkaanse leeftijdsgenootjes waren vaak technisch nog net wat begaafder, maar zelf had ik ook geen slechte balcontrole. Het leuke aan voetbal vind ik het snel en veel rond laten gaan van de bal, met af en toe een lekkere actie tussendoor. Op een groot veld speel ik dan ook het liefste 4-3-3 (of iets dat er op lijkt). Volgens Johan Cruijff kun je op deze manier het beste positiespel spelen. Je moet weten Dave, dat ik het natuurlijk begrijp dat je niet het hele systeem gaat omgooien voor één Nederlander die pas net is aan komen waaien. Ik was allang blij dat ik centraal op het middenveld mocht staan, dan maar in een (Engels) 4-4-2 systeem. De eerste voortekenen waren echter niet al te best. Lachend stond mijn vriendin tijdens de eerste wedstrijd langs de kant. Ze had me nog nooit negentig minuten van de ene naar de andere kant van het veld zien rennen zonder de bal aan te raken, of er ook maar bij in de buurt te komen. De wedstrijden die volgden werden er helaas niet beter op. Er was zelfs een moment waarop ik me misschien meer met vliegtuigspotter Mat Herben, dan met een willekeurige voetballer kon identificeren. De ballen bleven maar over mijn hoofd zoeven. In de rust werd vaak gezegd dat de middenvelders sterker moeten zijn in het (lucht)duel. Misschien was ik dat in eerste instantie vergeten te vertellen Dave, maar ik kan ondanks mijn één meter drieënnegentig niet koppen. Ik heb een complexe oogafwijking waardoor ik minder goed diepte zie. In de jeugd kopte ik dan ook vaak mis. Vanaf mijn veertiende droeg ik lenzen, maar toen was ik eigenlijk al te laat om te leren koppen. Toch kwam het echte besef te willen stoppen pas vandaag. Op een grote winderige vlakte in Chesterton stonden we te wachten totdat je de opstelling bekent ging maken. Oei! Rechtsachter! Dat is niet helemaal mijn favoriete plek, maar in het teambelang wilde ik er best een wedstrijd spelen. Ik deed mijn ogen dicht en beeldde me in hoe ik dit klusje wel even à la Hatem Trabelsi en Arie Jan vsn de Wetering stijl zou klaren. Gewoon lekker die hele flank bespelen. We hebben beide gemerkt dat daar weinig van terecht is gekomen. Dieptepunt was de 4-0. Door knullig balverlies van één van onze Spaanse ‘aankopen’ (Narceo) verloren we de bal op het middenveld. Ik was als vleugelverdediger al te ver opgekomen en in de counter scoorde mijn directe tegenstander een doelpunt. Narceo kwam me nog even mede delen dat het mijn fout was en dat ik mijn man had laten lopen. Als ik je dan toch nog een afsluitend advies mag geven Dave, ‘get rid of these Spanish guys’. Sinds Spanje zowel in het club als nationale voetbal heer en meester is hebben veel van die middelmatige Spaanse voetballers het hoog in hun bol gekregen. Ze denken allemaal Iniesta of Xavi te zijn. Alle ballen moeten dan ook bij hen worden ingeleverd, zodat zij de ballen vervolgens weer bij de tegenstander kunnen inleveren. Ik begrijp dat je als Engelsman weinig recht van spreken hebt, maar toch wil ik je adviseren er wel iets van te zeggen. De laatste twintig minuten van de wedstrijd heb ik besloten Hatem en Arie-Jan over boort te zetten. Het werkte gewoon niet. Stijf achterin ben ik blijven staan. Licht applaus was er nadat ik bij drie corners op rij de bal met mijn hoofd wegwerkte. Toen ik thuis in de spiegel keek zag ik de aarde nog op mijn voorhoofd zitten. Tot slot wil ik je nog zeggen dat de rede dat ik stop niet is omdat we vandaag met 7-0 op de broek hebben gekregen. Het heeft misschien meer te maken met het feit dat 5 van de 7 doelpunten uit dode spelmomenten vielen. Doe de jongens de groeten van me en nog veel succes in het vervolg van de competitie, The non-heading Dutchman"
De kunst van het straatvoetbal
Precies twee jaar na mijn eerste bezoek zette ik deze week weer voet aan wal op Surinaamse bodem. In die twee jaar zijn een aantal dingen veranderd. Twee jaar geleden was ik nog een student die de straatjes in Paramaribo afstruinde op zoek naar voetbalveldjes om participerende observaties te verrichten. Nu ben ik een consultant voor een Nederlandse Sport for Development organisatie en houd ik me bezig met de invulling van een Sport, Culture en Development programma in Suriname.
Veel dingen zijn echter ook nog hetzelfde. Twee jaar geleden verliet ik Suriname (weliswaar in de business class) met een gescheurde enkelband door een overdosis straatvoetbal. Nu vlieg ik Suriname binnen met wederom een kapotte enkel. Dit keer is niet de overdosis straatvoetbal, maar een te grote portie ‘kick and rush’ voetbal de schuldige en zat het geluk van de business class er helaas ook niet in.
Suriname zelf riep voor mij vooral erg veel nostalgische gevoelens op. Helemaal nadat ik gisteren de voor mij heilige grond betrad van het zaaltje waar ik mijn mooiste (op camera vastgelegde) doelpunt ooit heb gemaakt. In de samenstelling van het team was ook nauwelijks wat veranderd. Wel waren er hier en daar wat extra kilo’s bijgekomen. Een niet geheel onverwacht resultaat van het jaar in jaar uit leven op Djogo’s, mierzoete vruchtensapjes en gefrituurde kip.
Nu ik hier weer even terug ben vroeg ik me opeens af waarom ik drie maanden van mijn leven gewijd heb aan het onderzoek doen naar straatvoetbal. Waar komt die fascinatie vandaan en wat vind ik er eigenlijk zo mooi aan …? De kern van het antwoord zit hem denk ik in het gesprek dat ik twee jaar eerder met Furgell Pinas heb. Op zijn 12e is Pinas nog uitgeroepen tot het grootste voetbaltalent van Suriname. Toch besluit hij vervolgens het veldvoetbal links te laten liggen om zich volledig te focussen op het straatvoetbal. Als ik hem vraag waarom hij straatvoetbal nu zo mooi vindt, geeft hij mij het volgende antwoord:
“Laat me het vergelijken met een zangvogel. Ik ben een goeie zangvogel, maar ik kan niet op een tak fluiten, want ik zit vast in een kooi. Maar als ik op straat voetbal speel … Ja, dan ben ik vrij. Niemand heeft je wat te zeggen daar. Je doet wat je wilt. Je hebt plezier. Het is echt alles …”
Tja, nu weet ik het weer, want wie is er op zijn 25e nu niet op zoek naar dit ultieme gevoel van vrijheid …