mijn mobiel valt uit en daarbij de muziek in mn hoofdtelefoon stil - ik hoor de geluiden van de buitenwereld weer. ik was zelfs bijna vergeten dat ik in de bus zat. wat gedesoriënteerd kijk ik om me heen. een oudere man, een vrouw, een jongen. sint-jacobstraat. we stoppen en er stapt als eerste een vrouw de bus in. ze kan haar chipkaart niet vinden en hindert de rij achter haar. het lijkt haar niet veel te doen. ze zoekt en zoekt en zoekt. een lange zwarte jas en korte zwarte haren. met warmhartige ogen kijkt ze naar de buschaffeur, die ondertussen al bijna bij de volgende halte was aangekomen: “meneer ik hoef maar twee haltes, mag ik misschien gratis mee?”. ik hoor of zie de buschaffeur niet, maar met een dankbare lach loopt ze de bus in. voor ik het doorheb, zit ze opeens naast me. haastig graai ik de onderkant van mijn jas van de stoel en laat ik bijna mijn boek vallen, “ho, sorry” mompel ik verslagen. ik kijk op en zie haar ogen op het boek gericht. “wat een leuk boek lees je”, zegt ze.
“oh ja, ik uh, ben er net in begonnen eigenlijk”.
“het was mijn lievelingsboek als kind, echt een geweldig boek”.
“oh echt? het is niet eens van mij eigenlijk, ik heb het net opgepakt bij de boekenleen op het station. mijn mobiel was bijna leeg en dit was het enige nederlandse boek wat op de plank lag daar”
“wat een geluk dat het daar zomaar lag, ik heb dit boek zo veel gelezen en kan er nog geen genoeg van krijgen, het is zo mooi.”
ik weet niet wat ik moet zeggen en nog steeds staar ik naar mijn handen met daarin het boek, alsof de jongen op de kaft dit allemaal tegen me zegt.
”vertel me erover,” zeg ik voorzichtig maar nieuwsgierig. dit keer kijk ik haar wel aan.
door een kleine glimlach breken de woorden “wat leuk” en “het leukste aan dit boek is-“ en door een plotseling wat angstiger gezicht de woorden “bus drie?” en “zit ik nou echt in de verkeerde bus?”
ik had niet eens door wat er in die enkele seconden gebeurde en voor ik t wist stond ze alweer bij de deuren van de bus. een luide “buschauffeur! mag ik er misschien nog uit!” naar voren en een wat zachtere “doeg meissie!” mijn richting op. ik zwaai, en blijf me afvragen, wat toch dat leukste zou zijn aan het boek, en of ik er achter zal komen als ik verder lees.














