Ik weet niet meer hoe we er kwamen. We doolden door kamers totdat jij kwam.
Je nodigde iedereen uit in bed, de wildste gedachten spookten door je hoofd.
Niet de seksuele, maar alles wat je eens fout hebt gedaan.
De barbie die zichzelf zonder haren terugvond, bobje die je vergat te verschonen. De grote woorden die je gebruikte, het abstracte wat daarachter zat.
Ooit zal ik je bevrijden van je zonden.
Voor nu zijn wij een sleutel zonder deur. We dragen alle kennis, maar de uitvoering laat op zich wachten.
De stoelen in je slaapkamer zitten vol. Er staan mensen te bonken op de muren. Roepend naar de ziel in mij.
Zo groot als mijn zonden, zo groot mijn ziel maar bukken zonder te kotsen kan ik niet nu ze op straat op apengapen ligt.
De muren hebben geen deuren. Ik kan haar niet pakken. Meenemen. In een doosje doen. Haar bevrijden van haar zonden.
Ik kijk naar de nacht en zet jullie allemaal buiten. Ik heb geen deur nodig om mijn zonden uit te laten. Ik zet ze denkbeeldig bij het grof vuil. Stuk voor stuk, ieder mens dat mij kapot heeft willen maken.
Het word tijd dat jullie verdwijnen. Mijn bed is gemaakt voor 1 persoon.