opdracht 7: de roos van leary
TVSTRANGERTHINGS
Keni
trying on a metaphor
No title available
Jules of Nature

JBB: An Artblog!
DEAR READER
Lint Roller? I Barely Know Her
Acquired Stardust

No title available
art blog(derogatory)
Today's Document

pixel skylines
Monterey Bay Aquarium
Claire Keane
tumblr dot com
I'd rather be in outer space 🛸

Kaledo Art
RMH
Three Goblin Art
seen from United States
seen from United States

seen from Canada

seen from Brazil

seen from United Kingdom
seen from Mexico
seen from United States
seen from Germany
seen from United States
seen from Lithuania

seen from United States

seen from Germany
seen from United States
seen from United States
seen from Maldives
seen from T1
seen from United States

seen from United States

seen from Germany
seen from Greece
@annsfs4
opdracht 7: de roos van leary
opdracht 6
In mijn presentatie kan ik niet, momenten aanwijzen die 100% goed zijn en waar niks aan te verbeteren valt en daarom zou ik liever de algehele presentatie willen beoordelen. Bovendien gebeurt er vanbinnen een heleboel dat aan de buitenkant absoluut niet, of anders, getoond wordt.
Het was voor mij een eigenaardige presentatie: van te voren, voelde ik totaal geen stress, maar toen ik eenmaal in de zaal stond en de camera op ons gericht, voelde ik me plotseling bijna nietig, alsof alles wat ik zou zeggen er niet toe deed, omdat het toch al verprutst was. Een compleet irrationele gedachte, maar op dat moment werd ik zo verschrikkelijk zenuwachtig van. Zweetoksels en een brok in mijn keel en trillende vingers en niet stevig in mijn schoenen. Alles voelde raar: de ruimte waar we als groepje stonden was ineens claustrofobisch klein, maar het klaslokaal zo ontzettend groot en mijn ademhaling totaal niet onder controle. Zo gek, dat presenteren voor de klas dan zo’n heftige reactie oproept, terwijl ik daar eerder nooit last van heb gehad.
Dit is wat er in mijn hoofd gebeurt, maar je ziet gelukkig niets aan mijn gezicht. Ik vind dat wel een sterk punt. Een ander sterk punt, is dat het aan mijn houding lijkt alsof ik weet waar ik over praat. Het is een hele open houding. Bovendien was ik prettig verrast door het volume van mijn stem - ik praat luid genoeg om verstaanbaar te zijn achterin het lokaal.
Maar: ik articuleer slecht, dat had absoluut beter gekund. En de telefoon in de hand is een afweging die ik op dat moment maakte, omdat ik simpel gezegd niet dacht dat ik de tekst uit mijn strot zou krijgen van de zenuwen en wat een klasgenoot daarvan vind kan ik gemakkelijk laten gaan.
Voor de volgende keer zou ik graag willen werken aan mijn zelfvertrouwen: het probleem is namelijk niet mijn gebrek aan voorbereiding, zoals het nu lijkt. Ik kan dertig keer de tekst doorlezen en nog eens dertig keer de presentatie voorbereiden, maar mijn hoofd zal altijd blijven zeggen dat het niet goed genoeg is en daardoor blijf ik me maar tegen laten houden door allerlei irrationele gedachten. Dus, door te werken aan mijn zelfvertrouwen wordt mijn volgende presentatie een stuk beter. Bovendien wil ik graag werken aan mijn articulatie
opdracht 4: het schema
opdracht 3: constructivisme
De leertheorie van het constructivisme gaat ervan uit dat leerlingen hun eigen kennis construeren - opbouwen/samenstellen: kennis wordt niet kant-en-klaar in de leerling gegoten. Het omvat een groep van kennistheorieen, waardoor er niet zoiets bestaat als één constructivistische leertheorie: sommigen leggen de nadruk op de sociale constructie van kennis en anderen op de manier waarop voorkennis wordt geactiveerd. In beide gevallen zijn een rijke leeromgeving noodzakelijk.
Constructivistische uitgangspunten / fundamentele basisprincipes:
Leerling bezit van zichzelf de wens om dingen uit te zoeken: intrinsiek gemotiveerd om informatie te zoeken
Begrijpen is meer dan informatie uit je hoofd leren: begrijpen is een kwestie van herstructureren / herorganiseren.
Mentale voorstellingen worden in de loop der tijd vervangen door nieuwe ervaringen of spontane ontwikkelingen.
Begrijpen is nooit definitief en kan steeds verfijnder worden
Wat iemand kan leren, hangt samen met zijn ontwikkeling en vaak ook met de rijping, die per leeftijd verschilt
Reflectie, zelfcorrectie, en feedback van anderen stimuleren het leren.
Het besef dat leren plaatsvindt als de leerling actief met de leerstof aan de slag gaat, maar het constructivisme biedt echter niet uitsluitend voordelen. Een bezwaar is dat de leerkracht veel tijd kwijt is en ook van de leerlingen vraagt de methode veel: niet alle leerlingen zijn in staat om altijd intrinsiek gemotiveerd + actief construerend aan de slag te gaan: het vraagt om betrokken leerlingen die in staat zijn om de verantwoordelijkheid te nemen voor hun leerproces. Bovendien kan een leerling foute constructies kan maken, maar je zou dit kunnen opvangen door kennis te expliciteren en uit te wisselen. Leraar en leerling hebben dan zicht op de juistheid van concepten en misconcepten kunnen worden rechtgezet.
Sleutelkenmerken:
De lerende heeft een actieve rol: de leerling moet uit zichzelf informatie zoeken en zelf acitiveiten verrichten om de leerstof voortdurend constructief te verwerken.
Voorkennis is het vertrekpunt voor nieuwe informatie: nieuwe leerstof wordt gekoppeld aan een bestaande voorkennis van leerlingen.
Het leerproces is een individueel project: altijd uniek, omdat voorkennis bij iedereen anders is doordat ervaringen verschillen en daarmee is het leren ook een invidivudeel proces: iedere leerling creëert een eigen mentaal beeld van de werkelijkheid. Door zelfreflectie in staat om zijn mentale beelden bij te schaven.
Leren is een sociale ervaring: als een leerling zijn eigen kennis spiegelt aan de kennis van anderen, wordt zijn eigen kennis niet alleen verrijkt, maar ook toegankelijker en makkelijker inzetbaar. Een ander sociaal aspectt, is dat er ook geleerd wordt door waar te nemen: door te kijken hoe iemand handelt die het vak verstaat, kan de leerling voor zichzelf construeren hoe hij het moet aanpakken (daar is dus een rijke leeromgeving voor nodig).
Meerwaarde
Voornamelijk in het expliciteren van kennis door de leerlingen: wanneer leerlingen vertellen wat ze weten, opschrijven of het vastleggen in schema’s en beelden.
Je zou het constructivisme terug kunnen zien in een les waarin een docent begint met een korte presentatie over bijvoorbeeld kunstperiodes en daarna de uitleg van de opdrachten. Leerlingen worden daarna opgedeeld in kleine groepjes en krijgen een kunstperiode die ze gezamenlijk moeten gaan onderzoeken en daarna maken ze een mindmap. Door de mindmap activeren de leerlingen hun voorkennis. Omdat ze het samen doen, leren ze van elkaar en worden hun concepten genuanceerd.
opdracht 2: cognitivisme
Lev Vygotsky (1896-1934) is een Russisch psycholoog van Joodse afkomst. Hij studeerde in 1917 af aan de Staatsuniversiteit van Moskou. Later bezocht hij het Instituut voor Psychologie in Moskou (1924-34), waar hij werkte aan onderzoeken over de cognitieve ontwikkeling van kinderen, in het bijzonder de verhouding tussen taal en het denken. Zijn publicaties benadrukten de rol van historische, culturele en sociale factoren in de cognitieve ontwikkeling en hij benadrukte dat de taal het belangrijkste symbolische hulpmiddel dat door cultuuroverdracht wordt verstrekt.'
Hij stelt dat de cultuur wordt overgedragen op het kind via de taal en noemt dat de cultuurhistorische theorie. Zijn theorie over mentale handelingen past binnen het concept van de handelingspsychologie. Hij begreep dat het omzetten van uitwendige naar mentale handelingen een gecompliceerd proces is. Volgens zijn theorie is de kwaliteit van die dialoog bepalend voor het tempo waarin de leerling zich ontwikkelt. Om deze dialoog in het onderwijs een plek te geven, zijn een viertal principes geformuleerd:
interionisatie: uitwendige handelingen moeten omgezet worden in mentale handelingen
zone van naaste ontwikkeling: het onderwijs moet zich richten op wat de leerling net uit kan.
centrale volwassene: rol van de volwassene is essentieel, zorgt ervoor dat de leerling zelfstandig werkt.
sociaal-communicatieve achtergrond van mentale handelingen: de dialoog tussen leerlingen onderling.
Het uitgangspunt van de theorie van de zone van naaste ontwikkeling is dat alleen de juiste uitdaging zorgt voor het optimale leerproces bij de leerling: de stof moet aansluiten op wat de leerling al weet. Hij onderscheidt daarbij drie zones:
de zone van actuele ontwikkeling is de comfortzone, duidt aan wat de leerling al weet en kan.
de zone van naaste ontwikkeling is de meest ideale zone wat betreft leren, omdat deze voldoet aan de voorwaarden die nodig zijn om tot leren te komen: de leerlingg moet een inspanning leveren maar het doel is haalbaar.
de paniekzone is niet bevorderlijk voor het leren en leidt tot apathie, paniek of agressie.
De handelingspsychologie kan helpen om te begrijpen welke stap is misgegaan bij het aanleren.
opdracht 1: behaviorisme
Edward Thorndike toont aan dat het belonen van gewenst gedrag heel effectief is bij het tot stand brengen van gewenst gedrag, en door deze gedachte komt er een nieuwe stroming binnen de behavioristische theorie, met als belangrijkste vertegenwoordiger Burrhus Frederic Skinner (1904-1990). Skinner heeft veel gepubliceerd over zijn ideeën met betrekking tot het operant conditioneren. Hij neemt het spontane gedrag, dat wordt voorgebracht, als uitgangspunt: het gedrag dat zonder een gekoppelde stimulus plaatsvindt in een omgeving. De stimulus is hier geen oorzaak van het gedrag, maar onderdeel van de situatie waarin het gedrag plaatsvindt. Stimuli vormen een voorwaarde waaronder het gedrag kan optreden. Dergelijke stimuli heten discriminatieve stimuli. Met dit concept bouwt Skinner voort op Thorndikes wet van het effect.
Skinner onderzocht het operant conditioneren. Dit deed hij met behulp van zijn zelfontworpen Skinner-box. Hij had een muis in de Skinner-box gezet. Wanneer de muis op het verkeerde knopje drukte, kreeg hij een schok. Drukte de muis op het goede knopje, dan kreeg hij een beloning – dus door een proces van trial and error. Operant conditioneren is een manier van gedrag aanleren, waarbij positieve- en negatieve versterkers worden toegepast op spontaan gedrag. Een positieve versterker is een prikkel die volgt op een response in een bepaalde context, die het heroptreden van de reactie waarschijnlijker maakt, waar een negatieve versterker een prikkel is die het heroptreden van de reactie onwaarschijnlijker maakt. Het leren op basis van negatieve versterking wordt ook wel vermijdingsleren genoemd. De leerling leert bepaald gedrag te vermijden om straf te voorkomen. Om een optimaal leerresultaat te bereiken moeten versterkers aan een aantal voorwaarden voldoen.
Een versterker moet:
direct op de respons volgen; de timing is belangrijk in het begin van het leerproces.
voldoende impact hebben
bij de respons passen
Hoe krachtiger de leeromgeving (de discriminatieve stimuli), des te waarschijnlijker is het dat men zijn doelen bereikt, wat vaak weer een krachtige versterker is voor de andere betrokkenen.
Skinner heeft een vorm van onderwijs gepropagandeerd, die bekend staat onder de naam Geprogrammeerde Instructie. Het is vorm van operant conditioneren, omdat van alle mogelijke operante gedragingen alleen het geven van het goede antwoord wordt versterkt. Op die manier wordt het leergedrag naar het gewenste resultaat gestuurd: je maakt een som en komt tot het goede antwoord, en zo kom je op een hoger level. Je kunt het bijvoorbeeld toepassen bij een digitale rekentoets. Extinction is het verschijnsel dat de frequentie van gedrag dat niet meer wordt beloond geleidelijk zal afnemen. Partiële of intermitterende bekrachtiging wil zeggen dat het gewenste gedrag niet altijd wordt beloond: men beloont bijvoorbeeld maar 80% van de gevallen. In deze situatie zal het gewenste leereffect later optreden (het leerproces duurt langer). Een kenmerk van dit soort van gedrag is dat, als het eenmaal tot stand is gebracht, ook veel langer standhoudt, dus beter bestand is tegen uitdoving. Deze effecten spelen vermoedelijk ook een rol bij gokverslaving. Het gokspel heeft namelijk ook als kenmerk dat er maar zo af en toe een beloning of bonus wordt uitgekeerd.
Het systematisch opbouwen van complex gedrag met behulp van operante conditionering heet shaping. Shaping vindt plaats wanner er tijdens de les leerlingen uit zichzelf regelmatig gewenst gedrag vertonen, bijvoorbeeld door aan het begin van de les hun boeken al tevoorschijn te halen en de docent dit gedrag beloont met een compliment, om op die manier het positieve gedrag te versterken. Maar wanneer een leerling geen huiswerk maakt of niet oplet in de les en zo de les telkens verstoord, laat de docent de leerling na een aantal waarschuwingen nablijven. De negatieve versterking zorgt ervoor dat de leerling de volgende keer het negatieve gedrag zal mijden.
hij is nog onder constructie omdat ik de opdrachten nog aan het overzetten ben, maar volgende week heb ik alles online staan!