Ik ben bezig met het afronden van mijn studie en daar horen allerlei opdrachten bij. Dit is er eentje van, voor het vak slb.
Stel je voor: het is zover en je bent afgestudeerd aan de opleiding Journalistiek en het is de dag waarop je je diploma krijgt uitgereikt. Niet alleen (zijn) jouw docenten zijn gevraagd om een toespraak over je te houden, maar ook jouw mede-studenten.
De toespraak gaat over jou als persoon, jouw prestaties en bijdragen. De vraag natuurlijk is: wat zou je willen horen? Wat heb jij in de laatste vier jaar op school, op stage en buiten school gepresteerd en hoe heb je je ontwikkeld sinds jouw eerste jaar bij Windesheim? Wat voor stagiair(e), student(e) of medestudent(e) was je?
‘Nou, Bartje. Daar zit je dan. Na al die tijd. Ik heb even op moeten zoeken wat je ook al weer gedaan hebt, want, laten we eerlijk zijn: je hebt er wel iéts langer over gedaan dan nodig was. Iets langer dan je verwachtte, iets langer dan wij allemaal verwachtten. Het verwachtingspatroon lag dan ook hoog, zowel bij de docenten als bij je medestudenten. In je eerste jaar bleek dat ook volledig terecht, toen je bijna zonder herkansingen je propedeuse binnenhaalde. Het leek je niet veel moeite te kosten, al bleken veertien weken nieuwsberichten tikken iets te veel voor je. Je moest eruit, op pad en was vooral op zoek naar een stukje vrijheid binnen de uitgestippelde paden. Vrijheid die wij, de school, je niet konden geven en waardoor je misschien wel een stukje motivatie verloor. Wat ook niet hielp was die ene docent, we gaan geen namen noemen maar zijn achternaam is dezelfde als een voetballer uit Katwijk met de voornaam Dirk, die ooit ‘ns woest op je was omdat je de legendarische woorden ‘Ja, het is maar school’, uit durfde te spreken tijdens een tussentijds beoordelingsgesprek. De weken erop vond hij dat je het prima deed, om je uiteindelijk te belonen met een dikke vier. Da’s niet lekker op vakantie gaan.
Gelukkig was je er weer, vol goede moed, om te beginnen aan je major: Verhalen. Door velen gezien als laf en zweverig, maar je hield voet bij stuk: dit is was je nodig had. Je ontpopte je in de colleges tot een waardig student, maar wel eentje bij wie de ideeën vaak mooier waren dan de uitvoering. Misschien kwam het omdat er werd gezegd dat je een boel vrijheid had, maar dat dat in werkelijkheid toch vies tegenviel. Misschien ook wel omdat je vond dat de docenten wel erg hoog opgaven van zichzelf, en je dus niet iets speciaal voor hen wilde doen. Had toch eens wat vaker aan jezelf gedacht, man. Gelukkig, voor jou, want je grappen en grollen werden node gemist, vertrok je naar Zweden. Een halfjaar weg van het bekende, het diepe in. Een nieuw land, nieuwe mensen, nieuwe vakken, nieuwe ideeën: een heel nieuw leven. Je haalde je vakken met cijfers alsof je weer in je eerste jaar zat, dertig punten én een hoop levenservaring rijker keerde je terug in Zwolle.
Maar Zwolle was te klein. Je vertrok naar Amsterdam, met als hoofdreden de stage bij Ajax, die er nooit kwam. Je liet iedereen achter en had daar niet zo veel moeite mee: degenen die je echt wilde spreken en zien, die kwamen vast wel eens naar Amsterdam. Niet dus. Gaf niet: want je ging waterpoloën bij JAWS Amsterdam en hebt meer dan eens laten weten dat dat op ieder gebied een gouden zet was. Sociaal, sportief, je had en hebt een eigen kring met, waarschijnlijk, mensen die je de rest van je leven nog gaat zien en spreken. Die achterstanden uit jaar twee wegwerken, die deed je er zonder moeite tussendoor. Haha. Nee. Dat ging niet. Hier en daar rondde je iets af, er verschenen wat zesjes op je lijst en je slb’er schudde het hoofd: dit kan beter, dit kan hoger. Als-ie nou z’n best eens zou doen. Dat drong misschien wel tot je door, maar je deed er niets mee, behalve weglachen. De fraaie stage bij De Familie was leuk en leerzaam, al kreeg je er geen studiepunten voor. Weggegooide maanden? Volgens jou niet: je leerde er veel, moest voor het eerst écht solliciteren, verdiende geld en wist na afloop vooral dat het werken bij een productiehuis van documentaires niets voor jou was. Na de zomer begon je opnieuw met frisse moed aan achterstallig werk, richtte zelfs de legendarische facebookgroep ‘Kneuzenclub’ op, waar enorm veel studenten iets aan hebben gehad. Een bewijs dat het je aan ludieke ideeën niet ontbreekt. Helaas begon je nu echt met jezelf in de knoop te zitten en sprak je dat na een poosje eindelijk uit in de vorm van een zeer persoonlijk blog. Vanaf toen zijn er dingen gaan veranderen in je hoofd. Je dacht na, lang, vroeg mensen om je heen: wat te doen? Stoppen? Doorgaan? Als het financieel geen gevolgen had gehad, was je gestopt. Dat weten we. Nu weten we dat we blij zijn dat je dat niet hebt gedaan. Je nam zelf de stap naar school, vroeg om iemand die je vanaf dat moment zou kunnen begeleiden. Van dat moment totaan het afstuderen. Da’s nu gelukt. Eindelijk.
Bart, jongen. Het was een feest om je in colleges te hebben. Betrokken, aanwezig maar niet te, hier en daar een flauwe grap. Je klasgenoten leefden er van op. Je bewees bij vlagen dat je van alles in je had, maar dat het er niet uitkwam. Dat is jammer. Je vertelde uiteindelijk dat je deze opleiding volgde omdat het zo hoorde. Dat is vreselijk. Maar: je richtte je op, de kop ging omhoog, de knop om en uiteindelijk kunnen we allemaal meer dan blij zijn dat wij van jou af zijn, en jij van ons. Gefeliciteerd, luiwammes.’