Ze kust je niet zoals anderen je kusten, en dat ligt niet aan een tekort aan vergelijkend materiaal. Het is niet zozeer de handeling die verschilt maar de intensiteit. Als zij je kust lijkt het alsof ze onder je huid kruipt. Alsof ze haar vingers aan de binnenkant van je rug laat strelen. Als ze je kust voelt het alsof ze zich genesteld heeft in een plek die vroeger leeg was.
Ze praat niet met je zoals anderen met je praatten. Haar wenkbrauwen dansen, haar lippen springen, haar huid plooit en als ze lacht stort de stad die je in je gedachten aan het bouwen was, even tegen de vlakte. Ze plaagt je, intimideert je, treitert, vleit, fluistert. Ze drijft je tot waanzin en tot grootsheid. Alles wordt interessant. Niets mag stoppen.
Ze werkt zich in je leven, of je de deuren nu open zet of niet. Soms open je een ruimte en blijkt ze er al te zitten, in jouw overhemd, lezend in een boek waar je nog aan wilde beginnen. Ze gaat je er alles over vertellen omdat je er alles over wilt horen.
Ze vertrekt niet zoals anderen vertrokken. Ze scheurt zich los en neemt de helft van je mee. Je bent geen schim van wie je was en je komt resten overal tegen. Ze heeft er een puinhoop van gemaakt, en dag na dag ruim je op. Steeds weer sleep je jezelf uit het gat dat ze groef. In de nacht zoek je haar lichaam, in de ochtend is het eerste dat je voelt de teleurstelling.
Ze wordt geen verleden zoals de anderen verleden werden. Ze blijft bestaan. Voorgoed.