mijn leven is een kamer waar licht en schaduw zonder kloppen binnenwandelen.
pijn zet zich neer aan tafel, geluk schenkt koffie in. liefde legt haar hand op mijn schouder, angst fluistert dat ik niet genoeg ben.
ik weet niet of het de nachten zijn die zich als mist om mijn hoofd wikkelen, of de stille, haast achteloze beslissing om de pillen los te laten die mij jaren droegen — maar de beelden zijn terug.
ze dragen maskers van dagdromen, komen zacht binnen, nemen het stuur over alsof ik slechts passagier ben in mijn eigen gedachten.
en dan kijk ik in zijn ogen — helder, open, alsof hij de wereld nog niet wantrouwt —
en naast een dankbaarheid die mijn borst bijna doet barsten, ligt een zwaar, donker schuldgevoel.
was het egoïstisch om moeder te worden? heb ik hem geroepen in een hart dat nog barsten draagt?
ben ik te gebroken om hem heel te houden?
maar misschien is gebroken niet het einde van iets, misschien is het waar het licht binnenvalt.
misschien is liefde niet de afwezigheid van schaduw, maar het blijven staan terwijl ze langs je heen trekt.












