How to live a structured life and get the job done
Are you chaotic and have a hard time getting a job done? Then my new method will work for you as well.
It is so easy that everyone can do it. And even better, it's free.
Here it is: you must learn to think in taglines!
Every event in your life can be brought back to one single sentence that covers it all: the tagline. The tagline is the summary of a story or period. Writing good taglines brings the world back to its basics.
The world is nothing more than a collection of taglines.
The collection of taglines that you create for yourself should be the premise for every project that you're involved in. And it should be the starting point for every decision you make.
Stop letting yourself get put down by too much information, too many options, and too many distractions. Write a tagline for everything that's relevant to you, and stick by it.
You will always be organized, and will always have an overview of the situation - no matter how complex!
It's really easy. It has helped me, and it will help you.
Sarah Morris heeft in 2004 een mooi portret van L.A. gemaakt, de week voor de Oscars. Erik Lieshout liet deze als keuzefilm zien in het kader van Zomergasten. Veel plezier.
In de zomer van drieënnegentig bouwde ik een boot nadat ik gehoord had dat het behoorlijk zou gaan regenen. Ik sprokkelde hout bij elkaar, leende wat spijkers en een hamer van mijn vader, en begon met de constructie van het schip. Het moest een behoorlijk groot ding worden want ik had een missie. Zodra het af was zou ik verschillende dieren vangen en erop zetten, het liefst twee van iedere soort; een mannetje en een vrouwtje. Ik begon hoopvol en enthousiast, maar toen ik mijn eerste stel koeien op het vlot wilde lokken begon ik in te zien dat de missie weinig kans van slagen had. Natuurlijk was ik teleurgesteld, in mezelf, in de koeien, maar bovenal ook in God. Het moest wel van twee kanten komen.
Iedere ochtend pakte mijn meester het grote boek en begon te vertellen over Jezus, Noah, en al die andere gasten. Naarmate ik de vertellingen vaker hoorde begonnen ze een soort superhelden te worden. Ze verrichtten wonderen maar het maakte hen niet arrogant, dat laatste was schaars en bewonderenswaardig. Ik had wel eens een man op tv gezien die lepels kon buigen met zijn ogen, dat was knap, en dat vond hij zelf ook. Hij vond zichzelf en zijn kunstje zo bijzonder dat het een arrogante kwal werd. Jezus, die veel meer kon dan het buigen van een lepel, bleef altijd koeltjes onder zijn prestaties, en onder de populariteit die hij daardoor genoot.
Naar de kerk gingen we niet vaak. Die enkele keer dat we er kwamen viel er vaak wat te vieren, de geboorte van Jezus, zijn dood, of zijn wederopstanding. Hoewel je zou verwachten dat de kerk voor mij een paradijs zou zijn, moet ik bekennen dat het vies tegenviel. Er gebeurde gewoon niet veel. Het was er suf, en de meeste bezoekers waren saai en ingetogen. Twee uur lang zat ik naar de rug van iemand te kijken terwijl ik naar de langzame monotone stem van de voorganger probeerde te luisteren. Om me heen hoorde ik gelovigen op pepermunt kauwen en zag ik bejaarden aan hun kunstgebit friemelen. Dat leidde me dusdanig af dat ik verder weinig van de dominee zijn verhaal meekreeg. Vanaf het moment dat ik oud genoeg was om mijn ouders weerstand te bieden regelde ik daarom dat ik niet meer mee hoefde naar dat huis van God. Ik kreeg het geloof wel binnen via school en liet God mijn gezicht even zien wanneer ik bidde voor het eten. Daarmee was mijn belijden wat mij betrof in kannen en kruiken.
Pas later realiseerde ik me dat het ook anders kon, en dat ik eenvoudigweg bij het verkeerde team was ondergebracht. Jarenlang leefde ik in de veronderstelling dat de wereld in tweeën was opgedeeld; mannen en vrouwen, Pepsi en Coca Cola, gelovigen en niet-gelovigen. Dat er meerdere soorten geloof waren was nog nooit bij me opgekomen, en toen ik heel wat jaren later van het katholicisme hoorde, wist ik dat er een onvermijdelijke transfer aan zat te komen. ‘Ik mag van mijn ouders alleen wijn drinken wanneer ik in de kerk ben,’ was de zin die mijn ogen op mijn veertiende opende. Het was Joey, een jonge Limburger, die me op de camping een en ander bijbracht over hun kerk. Hij vertelde over Maria, over het biechten, de hosties, en de wijn die rijkelijk uit kannen en kruiken vloeide. De katholieke kerk sloot een stuk beter aan bij de fantasieën die ik als kind had, toen ik de Bijbelverhalen levendig op me in liet werken.
Bij ons gereformeerden gebeurde gewoon weinig en veel eer viel er niet te behalen. Onze kerk was zo’n suffe middenmoter die zich nooit zorgen hoeft te maken over een mogelijke degradatie, maar die tegelijkertijd ook nooit mee zal doen voor het kampioenschap. Bij ons gereformeerden viel weinig te winnen. Bij hun katholieken kon je de doen wat je wilde, soms won je en soms verloor je, maar met de biecht had je een fantastische ‘reset’ knop waarmee je weer opnieuw kon beginnen. De enige voorwaarde was dat je op vrijdag verplicht even naar de viskraam liep voor een harinkje. En dat klonk als muziek in de oren. Vanaf dat moment heb ik altijd meer affiniteit met de katholieke kerk gehad, dan met ons eigen gereformeerde club.
Mijn vrienden en ik zijn een paar keer samen op vakantie geweest. We leenden dan een auto van iemands ouders en trokken erop uit, we reden wat over de Europese snelwegen en lieten onszelf leiden door impulsieve driften en verlangens. We planden eigenlijk niets. De dag voordat onze reis zou beginnen gingen we met elkaar rond de tafel en maakten we een paar afspraken. We keken wat het budget was, en spraken een windrichting af. Het kwam voor dat iemand naar Parijs wilde, dat een ander naar Praag wilde, en dat we daarom maar in Barcelona belandden. Op deze reizen ontstond er een nieuwe waardering voor de kerk in mij.
Wanneer met z’n vijven dagen achtereen in een warme auto doorbrachten, en ‘s avonds ook nog eens bij elkaar in de tent lagen, kwamen er vanzelfsprekend momenten van irritatie. Dat hoorde erbij en de meesten van ons lieten zich er niet meteen door op de kast jagen. Soms echter, was de saamhorigheid van de groep ver te zoeken en had je een moment van rust en eenzaamheid nodig. Op die momenten liet je de groep voor wat het was, en ging je op eigen houtje de stad verkennen. Wanneer je weer bij was gekomen, en jezelf weer had opgeladen, zocht je de rest weer op, en ging je samen naar het café om de lokale meisjes de stuipen op het lijf te jagen. Het kwam ook voor dat iemand verdwaalde terwijl hij de stad in z’n eentje verkende, maar de gezamenlijke speurtocht in een onbekende stad versterkte de vriendschapsbanden op zo’n overtuigende manier dat we die ellende voor lief namen.
Wat de anderen deden op hun afzonderingsmiddag weet ik niet, maar ik gebruikte de tijd om op eigen houtje door de stad te sjokken en wat toeristische attracties te bekijken. Meestal hield ik de route van de toeristenbussen in de gaten, en volgde ik hun pad in mijn eigen tempo. Op die manier zag ik architecturale schoonheid, kwam ik in de beste musea, en belandde ik zonder er echt over na te denken in de mooiste kerken. Die kerken waren een baken van onovertroffen rust. Het waren ideale plaatsen om de hitte en drukte van toeristische Europese steden - zoals Rome en Barcelona - te ontvluchte, daarom zat ik er graag.
Hoewel ik al jaren geen gelovige meer was kwam ik naar de kerk en beleefde ik daar een moment van contemplatie op mijn eigen manier. Die waardering groeide later uit tot een gewoonte, ook terug in Nederland stapte ik regelmatig kerken binnen om daar een uurtje te zitten en het leven te overdenken. Ondertussen keek ik naar de andere bezoekers, en luisterde ik naar de ruzies die jonge ouders met hun kinderen hadden. ‘Ik snap niet dat we altijd maar naar die stomme kerken moeten, ze zijn allemaal hetzelfde,’ leken de meeste kinderen te zeggen. Waarop de ouders doorgaans antwoordden dat de kinderen stiller moeten zijn in het huis van God. Als ik die ellende aan me voorbij zag schuiven keek ik begripvol naar de bungelde Jezus die voorin de kerk de toon zette. ‘Ze draaien wel bij,’ mompelde ik binnensmonds zijn kant op.
Kerken zijn overigens ook een goede plek om een kater uit te zitten. Niets is lekkerder dan met een brakke kop plaats te nemen op een houten kerkbank. De ruimte in de klassieke bouwwerken zorgen ervoor dat je je gebalanceerd voelt, en de rustige muziek, die bij veel kerken de hele dag door te horen is, draagt eraan bij je langzaamaan beter gaat voelen. Een fles whiskey die ik op de voorgaande avond gedronken had was dan ook de reden dat ik in Luik de kerk binnenstapte om mijn eigen geloof te belijden.
Luik heeft een klassieke kerk die zo’n achthonderd jaar oud is. In de tussentijd is hij een paar keer afgebrand en geplunderd, maar over het algemeen mag dat de pret niet drukken. Het hangt er vol kunst en heeft genoeg stille hoekjes om in je eentje bij te komen van een nacht drinken. De dag waarop ik er binnenstapte was een beroerde. Als een zondaar zocht ik mijn heil in het huis van God.
Ik nam plaats op een bankje, het was er rustig. Ik staarde wat voor me uit, luisterde naar een cd van Bach die op de achtergrond draaide, en keek naar de mensen de mensen om me heen. Er waren enkele oudere mensen die werkelijk voor hun geloof kwamen, maar de meesten waren waren binnengestapt uit nieuwsgierigheid. Een half uur zaten Jezus en ik tegenover elkaar, me echt beter voelen deed ik niet. Toen hoorde ik een Nederlands gezin binnengekomen. De kinderen werden meteen door de ouders teruggefloten toen ze enthousiast door de gangen gingen rennen. ‘Een beetje respect!’ hoorde ik de vader zeggen op een manier die als fluisterend was bedoeld, maar toch een behoorlijk volume met zich droeg. Terwijl ze een rondje liepen viel me op dat de vrouw steeds naar me keek, wat ze precies moest wist ik niet maar ze hield me wel degelijk in de gaten.
Toen ze dichterbij kwamen hoorde ik de moeder ‘moet je daar eens zien, zo’n jongeman die nog echt naar de kerk gaat,’ tegen haar man zeggen. Haar man begon ook te gluren. Dat moet het moment zijn geweest waarop de vader bedacht dat het wijs zou zijn mij aan zijn kinderen aan te wijzen, opdat ze ervan konden leren. Leren hoe het was om eerbiedig en respectvol te zijn. Het liefst wilde ik vluchten, maar bij iedere onverwachte beweging voelde ik een slok whiskey naar boven komen, en daarom bleef ik maar verankerd op mijn plaats.
‘Kijk eens jongens,’ zei hij tegen zijn kroost, ‘daar kun je zien waar zo’n kerk voor bedoeld is. Daar kunnen jullie nog wat van leren.’ Dat ik Nederlands sprak en kon verstaan was helemaal niet bij hen opgekomen. Ze gingen er maar domweg vanuit dat iedereen in Luik aanwezig Franstalig was, en dat ze konden zeggen wat ze wilden.
De hele familie nam plaats op een paar stoelen aan de zijkant, een plek vanaf waar ze me goed in de gaten konden houden. Ineens werd ik een object van studie, ik werd de belichaming van al die miljoenen gelovigen die nog met volle overtuiging naar de kerk gaan. Het oudere vrouwtje dat voor ons op de grond lag te bidden deed er niet toe. Het was hen om mij te doen, ik was de gelovige in het huis van God.
De vader begon uit te leggen wat het inhield om te bidden. Dat je God kon bedanken voor al het goeds dat er in je leven was gebeurd, of steun bij hem kon vinden voor de tegenslagen die op je pad waren gekomen. Voor de gelovige, zo vertelde de vader, was God alles, had hij alles gemaakt, en was hij het antwoord op iedere vraag.
‘Hoe kom ik hier verdomme weg?’ vroeg ik me af. Ikzelf had nog wel het gevoel dat ik in de oude vrouw een medestander had gevonden, maar toen ze een paar minuten later opstond en kruis sloeg, wist ik dat ik de enige was, en dat het nog wel even zou duren voordat ze me weer met rust zouden laten. ‘Wat straalt dat een rust uit, hè,’ zei de moeder.
Ze begonnen echt van me te houden. En ergens voelde dat goed. Hoewel ik nog steeds graag weg wilde gaan, voelde ik een verantwoordelijk ten opzichte van de kinderen in het gezin. Ik moest de illusie in stand houden, dat was zeker. Door hen moest ik terugdenken aan de keer dat ik een vlot bouwde om de dieren te redden van de storm, en aan de keren dat ik rolstoelen van bejaarden verstopte zodat ze wel móesten gaan lopen. Ik gunde die kinderen dezelfde fantasieën als die ik had gehad, en de werkelijkheid, nou ja, die zouden ze later zelf wel tegen het lijf lopen. Ik werd op die middag, speciaal voor hen, een evangelist van de illusie.
Timelapse - The City Limits is een fantastische film van Dominic Boudreault. Het is een portret van Montreal, Quebec, Toronto, Manhatten en Chicago. Zet het geluid van je pc op max en je scherm op HD, begin dan met dromen.
Veel van de mensen die ik ken zijn wel eens in Thailand geweest. De meesten van hen nemen een paar maanden vrij van hun studie en gaan op reis. Thailand is namelijk wel degelijk ‘op reis gaan’, en het is een toegankelijk land om voor het eerst in je leven eens niet ‘gewoon op vakantie’ in te gaan. Hoewel Thailand gestructureerd en veilig voor toeristen is, heeft het nog steeds een avontuurlijke uitstraling, en voedt het de backpacker zijn reislustigheid.
In een kort broekje en een hemd staan ze stuk voor stuk op een drukke markt in Bangkok, een populair onderschrift is ‘Ik op de drukke straten van Bangkok’. Daarna komt er een close up van het vreemde eten dat ze er hebben, de maag van een hond die net een inktvis heeft gegeten, of iets dat daarop lijkt. Vervolgens staan ze met een flesje water in de hand bovenop een klif voor een grote baai te poseren, en verderop in het fotoboek staat het onvermijdelijke portret met de tamme tijger aan een ketting. Die tijger heeft geen naam, terwijl ik hem al tientallen keren op foto’s voorbij heb zien komen.
Marieke, Tom, Daan, Eva, Evelien, Wiebe, Martijn en nog vele anderen heb ik allemaal poserend naast het naamloze beest zien staan, maar geen van hen heeft de moeite genomen mij te zeggen hoe het beest heet. Desnoods geven we het zelf een naam, maar dan kom je bij de vraag: wat is nou eigenlijk een geschikte naam voor een tijger? Madelief, Annie, Jorinde, Floris, en Bert zijn op zich prima namen, maar ik weet niet hoe zulke namen vallen in de tijgergemeenschap. Ik moet er niet aan denken dat ik verantwoordelijk zou zijn voor de pesterijen die in de dierentuin kunnen ontstaan op basis van een door mij bedachte naam. Vooralsnog valt er dus niets aan te doen, en blijft de getemde tijger de komende jaren anoniem.
Dat mijn kennissen met dezelfde foto’s en verhalen terug naar Amsterdam komen is niet erg. Ikzelf ben nog nooit naar Azië geweest, maar ik ben ervan overtuigd dat ik in Thailand niet zal verdwalen. Mocht ik er, door welk misverstand dan ook, eens belanden, dan weet ik tenminste waar ik moet zijn als ik een ‘fantastisch strandfeest’ of een wat meer ‘laid back strandfeest’ wil bezoeken. Ook weet ik waar ik met een vlot de rivier af kan dwalen om ondertussen bij allemaal kleine barretjes aan te meren. Handig, gewoon voor het geval dat. De verhalen waarmee iedereen terugkomt zijn dezelfde, maar toch altijd vermakelijk. De gelijkheid van het avontuurlijke is romantisch op zijn eigen manier. En het doet me Jan zijn reisverslag meer waarderen.
Toen Jan terugkwam van zijn Grand Tour organiseerden we een klein dinertje om hem te verwelkomen. Met een baard die tijdens Jans Thaise maanden een eigen leven was gaan leiden, ging hij op de praatstoel zitten, en toen zijn glas was gevuld begon hij te vertellen over zijn buurman.
‘Ik weet niet waar ik moet beginnen,’ was het eerste dat hij zei, ‘het is een raar verhaal.’
We gingen er allemaal goed voor zitten. Het was lastig in te schatten waar de woorden vandaan kwamen, uit Jan zijn mond of uit de baard.
‘Ik heb, of eigenlijk had, een buurman hier in Amsterdam,’ begon Jan te vertellen. ‘Die man deed niet veel, hij leefde zuinig van zijn uitkering, en ging eens per jaar een paar maanden naar Thailand om daar zijn gespaarde geld uit te geven. Daar had hij inmiddels vrienden die hij opzocht waardoor het hem nooit veel geld kostte.’
‘Zo’n sekstoerist?’ wilden we weten.
‘Weet ik niet,’ lachte Jan, ‘waarschijnlijk... maar daar gaat het niet om. Die vent werd in ieder geval ziek. Hij kreeg kanker en had niet lang meer te leven. Toen de dokter hem nog maar drie maanden gaf vertrok hij naar Thailand, met het idee om daar te gaan sterven.’
‘Een mooi einde voor zo’n man,’ zei Tobias.
‘Ja,’ antwoordde Jan, ‘maar het probleem was dat hij nog in leven was op het moment dat zijn toeristenvisum was afgelopen. Hij moest dus terug naar Nederland.’
‘Konden ze niet wat regelen?’
‘Blijkbaar niet,’ zei de baard, ‘want hij vloog terug naar Amsterdam - en een week later was hij dood.’
De buurman was gecremeerd. Jans ouders waren naar de dienst gegaan omdat ze wisten dat er niet veel volk op af zou komen. Toen ze na afloop met de paar nabestaanden aan het borrelen waren geslagen kwam het gesprek op hun kinderen, en op hun oudste zoon Jan. In al hun onschuld vertelden ze dat Jan na het behalen van zijn bachelorsdiploma op reis zou gaan naar Thailand. Dat was het moment waarop de ogen van de nabestaanden licht begonnen te geven.
‘Hoe mooi zou het zijn,’ begonnen ze voorzichtig, ‘als Jan de urn nou eens mee kon brengen naar Thailand.’
Jans ouders deden of ze Indisch doof waren.
‘Het was zijn laatste wens,’ vervolgde de familie. ‘Jan kan de urn aan zijn vrienden in Thailand geven. Die strooien het dan uit in de zee.’
Jans moeder begon langzaam te bezwijken. Toen de familie besefte dat ze beet hadden voegden ze er nog gauw aan toe:
‘Het zou zo mooi zijn. Hoe vaak komt het nou voor dat een laatste wens de kans krijgt in vervulling te gaan?’
Zonder verder overleg zei Jans moeder in een opwelling dat ze het thuis zouden bespreken. Als Jan het geen probleem vond, dan zou het misschien wel kunnen. En zo kwam het dat Jan met een urn onder de arm de laatste Thaise weerberichten stond te lezen, terwijl hij met een kop koffie op zijn vlucht stond te wachten.
‘Maar kende jij die buurman wel echt?’ vroeg ik aan de baard.
‘Nee, dat is het rare,’ zei Jan, ‘van mijn ouders mocht ik vroeger niet met hem omgaan.’
‘Geloof me,’ zei Tobias, ‘dat is niet het rare.’
Jan en de baard namen beide een slok wijn. Toen vertelde hij verder:
‘Dat vliegen was dus al raar. Je ziet iedereen rustig een tijdschrift lezen, en ondertussen denk je alleen maar “wat als iemand straks ziet dat er een urn boven ons hoofd ligt”. Natuurlijk waren alle papieren in orde, maar toch.’
‘Tijdens het vliegen kan iedere verwijzing naar de dood fataal zijn,’ zei ik.
‘Uren had ik zenuwachtig stilgezeten,’ zei Jan. ‘Toen ik in Bangkok aankwam was ik toe aan een avondje rust. Gewoon even rust, even niks doen. Maar het is daar druk, joh. Echt niet normaal. En stinken dat het daar doet! Het stinkt daar zo ontzettend, dat zie je normaal niet op die Facebook foto’s, maar neem maar van mij aan dat de lucht er niet te harden is. Je moet daar echt nooit naartoe gaan!’
‘Rustig maar,’ zei Tobias, zich tot de baard richtend, ‘ik was het ook niet van plan’.
‘Nou ja, de volgende dag ging ik uitzoeken waar ik moest zijn om die urn af te leveren. Ik kocht een kaartje van het land en ging met mijn vinger opzoek naar het dorp waar die vriend woonde. Het was op dat moment dat ik me realiseerde dat ik niet eens de naam van die man wist. Ik had alleen een adres, en vertrouwde er maar domweg op dat het inderdaad een vriend van mijn buurman was geweest. Het adres bleek een gehucht te zijn, ergens aan de kust, zo’n vier uur met de bus.’
De baard vertelde over de reis. Over de vreemde samenstelling reizigers in de oude wiebelende bus. Er waren arme locals, backpackers zoals hij, en een ouder groepje mannen waar de geiligheid van afdroop. Jan vroeg zich tijdens de reis af of zijn buurman misschien één van hen had kunnen zijn. Heel lang bleef hij niet in deze gedachten hangen, want de warme zachte wind die zich door de openstaande ruiten de bus binnenwurmde zorgde ervoor dat Jan zijn ogen zwaar werden, en dat hij eindelijk zijn welverdiende rust kon nemen. Hij werd pas wakker toen ze bij de eindhalte waren aangekomen en de chauffeur hem in drie talen duidelijk maakte dat het toch wel tijd werd om op te rotten. Jan pakte zijn spullen bijeen en verliet de bus, in paniek was hij bijna de urn vergeten. ‘Klote ding,’ had hij gemopperd.
Toen ik Tobias en mijn glas bij begon te schenken besefte Jan dat hij door zijn drukke vertellen nog geen slok wijn genomen had. Hij dronk lustig, alsof hij zich voor moest bereiden op de rest van zijn verhaal. Als voetnoot meldde hij nog gauw dat de wijn in Thailand niet te zuipen was, wel werden er flessen whiskey met een dode slang erin verkocht. Maar met die dode slang kon je verder ook teleurstellend weinig.
‘De schemer begon al in te vallen toen ik de bus uitkwam. Er was een kleine dorpsstraat met wat cafe’s en restaurantjes. Ik zocht een terras en bestelde een biertje. Terwijl ik van de zwoele avond genoot bedacht ik hoe ik het de volgende dag aan zou gaan pakken. Ik zou die man opzoeken, me keurig voorstellen en het verhaal vertellen, en dan zou ik hem achterlaten met de urn.’
Die nacht had Jan op het strand geslapen. Er was een klein hotelletje in het dorp, maar die zat al vol. De beheerders hadden hem aangeboden om de nacht op de bank door te brengen maar Jan had daarvoor bedankt. Hij wilde op avontuur. Jan was naar de zee gelopen en was onder een kleine deken gaan liggen. De urn had hij in een spijkerbroek gerold, en dat pakketje gebruikte hij als kussen.
‘En de volgende dag, hoe ging dat?’ vroeg Tobias.
‘Ik ging naar dat huis maar daar woonde niemand meer. De buurvrouw vertelde me dat ze die man al in geen maanden had gezien. Ze kwam moeilijk uit haar Engelse woorden maar ze brabbelde herhaaldelijk een geluid dat verdacht veel op poeliesss leek.’
‘Daar was je mooi klaar mee,’ zei ik.
‘Ik vervloekte mijn moeder,’ zei Jan, ‘en stond op het punt de urn met koker en al de zee in te flikkeren. “Godverdomme,” zei ik tegen mezelf. Op dat moment besloot ik mijn baard te laten staan om mijn moeder bij terugkomst de schrik van haar leven te geven.’
‘Ja, daar had je haar goed tuk mee,’ zei ik.
‘Na een half uur kokend van woede door het dorp te hebben gesjokt haalde ik een koud flesje bier. Ik trok mijn zwembroek aan en haalde de urn uit de spijkerbroek. Daarna ging ik de zee in, biertje in de ene hand en de urn in de andere. Toen ik tot mijn middel in het water stond was het moment daar. Ik tikte de laatste slokken bier naar binnen en begon de koker open te maken - dat ding zat verdomme goed stevig vast. Zodra het deksel eraf was begon de wind de as weg te blazen, de eerste klodders belandden natuurlijk vol in mijn gezicht. In mijn mond proefde ik iets dat op zand leek, maar waarvan ik zeker wist dat het geen zand was. Ik draaide me in de goede richting en liet mijn buurman vervolgens een paar minuten met de wind meewaaien naar het land dat hij - om welke dubieuze reden dan ook - zo lief had gehad.’
Graag had ik willen zeggen dat ik het mooi en poëtisch vond wat de baard mij die avond vertelde, maar eigenlijk vond ik het niet meer dan een raar verhaal. Helemaal nadat Jan eraan toevoegde dat hij nog een week lang as tussen zijn tanden had gevoeld. Poetsen had niet geholpen, en als laatste wanhoopspoging had hij geprobeerd de restanten in zijn gebit weg te drinken met wat authentieke slangenwhiskey. Ook toen werd wederom duidelijk dat je met die dode slang verder teleurstellend weinig kon.
Na afscheid van zijn buurman te hebben genomen begon Jan zijn echte reis. Na dit vreemde begin van zijn gewonnen vrijheid kon alles alleen nog maar meevallen. Hij voegde zich tussen de andere backpackers, en deed mee aan het circus van naamloze avonturiers die door het land razen alsof het van hen is. Als wilde beesten bedachten de backpackers plannen voor al die nachten van lust en overmoed. Ze gingen naar ‘wilde strandfeesten’, en op sommige avonden naar meer ‘laid back strandfeesten’. Jan en zijn lotgenoten deden eenvoudigweg waar ze zin in hadden. Iedere avond had hij andere vrienden om dronken mee te worden, gekke avonturiers die luisterden naar namen als Jorinde, Annie, Floris en Bert. Die drie maanden in hun leven waren ze zo rebels als ze maar konden zijn. Maar tegelijkertijd stonden ze keurig met z’n allen als getemde tijgers in de rij te wachten bij een bootverhuur, en bij het zwemparadijs, en bij het dierenpark, om daar vervolgens op de foto te gaan bij die inmiddels wereldberoemde getemde tijger.