Op zaterdagochtend wordt de aanleiding van dit bezoek mij pijnlijk zichtbaar. Tien jaar en een beetje zijn wij een voetbalteam en als ik de zestien jongens hier op een straathoek in Napels een voor een even bekijk, zie ik wat diepere inhammen, haar dat soms wat dunner is, en hier en daar een grijze slaap. (Ik moet zeggen: herken ik de tekenen van ontluikend ouderdom.)
Gisteravond, toen ik iedereen weer kon omhelzen nadat ik vanuit een ander buitenland invloog, zag ik dat nog niet; we dronken bier op een donker plein, lachten, spraken over voetbal, maakten een grap over seks, en alles was net als vroeger.
Napels is grijs, goor en grauw. Maar prachtig: niet vaak gebeurt het meer dat je compleet verrast wordt door een stad, en je constant afvraagt waar je doorheen loopt.
In die tien jaar zijn spelers gekomen en gegaan. Gekomen: 'in m'n college zat ik naast een voetballer', 'het achtste heeft nog een speler over', 'mijn vriendin heeft een collega die zegt te kunnen voetballen'.
Gegaan: door brakke knieën, een verhuizing naar Brazilië, Engeland, Finland, of een stad in eigen land te ver van de thuisbasis. Zelf heb ik al meer dan twee seizoenen moeten missen door een verblijf in het buitenland. Maar als ik vraag hoe het ervoor staat, is alles hetzelfde als het eerste seizoen (met het verschil dat we toen echt negentig procent van de tijd verloren, en nu vijftig, middenmoot zonder al te veel uitschieters).
Eerder liepen we hetzelfde in Londen, in Brussel, in Newcastle. Hele dagen door een stad, met iedere keer als hoogtepunt gesprekken die zo grappig, mooi of verslavend waren dat ze ons dwongen op een willekeurige plek plotseling stil te staan - en daar soms tien minuten vasthielden. (Dat realiseerden we zelf pas nadat een keer twee meisjes uit ons hostel een half dagje met ons de stad gingen bekijken en zich afvroegen waarom wij steeds stilstonden op plekken waar niets te zien was.)
Op zaterdagavond zitten we bij Napoli - Lazio Roma. In een Italiaanse bak, met sintelbaan en halflege tribunes. Als de spelers het veld opkomen en de warming-up starten met Life is Life, lijkt het bijna alsof ik kippenvel krijg. Een open wedstrijd vol fouten eindigt in 1-1. We leren er allerhande gebaren die horen bij het Italiaans voetbal kijken. Tijdens een busrit terug naar de stad staan we als haringen in een ton en zien we hoe bij één halte jongens van 15 de bus aanvallen als de deuren niet meer open gaan (omdat er zelfs geen bezemsteel meer bij kan). Slaan, schreeuwen, schoppen. Eén jongen klimt via een raampje van dertig centimeter hoog naar binnen. Naast me voel ik hoe een man zijn telefoon uit zijn broekzak probeert te frommelen. Hij belt de politie.
Eén seizoen viel alles op z'n plek. We wonnen, wonnen en wonnen en realiseerden dat we na precies vijf seizoenen kampioen konden worden. De andere seizoenen bekijkend lijkt ons enige succes steeds meer op het verhaal van Leicester.
Anders dan eerder hoor ik gesprekken over hypotheken, over een container vol met luiers, over het pak voor een aanstaande bruiloft.
Op zondagavond kunnen we Napels nog niet loslaten als we om twaalf uur uit het restaurant worden gezet. De straten worden schoongespoeld door een zware regenbui. We schuilen in een gigantische hal waar jongens op een gladde marmeren vloer onder het mooiste dak van de stad voetballen. We kunnen ze niet overtuigen een interland Italië - Nederland te spelen, en als we aandringen worden we weggestuurd. Ze zijn hooguit vijftien.
De kroeg die ons was aangeraden vinden we niet, en de enige club van Napels die volgens een korte internetsearch op zondagnacht nog open moet zijn blijkt - als we in een kleine steeg het eindpunt van de navigatie bereiken - niet meer te bestaan.
In het hostel hangen we wat op een vierpersoonskamer met de laatste blikjes bier uit de automaat.
Hoeveel van dit soort teams zijn er wel niet? En wanneer komt het moment dat een politicus voorstelt dit verplicht onderdeel te zijn van ieder leven om iedere vorm van ongeluk weg te nemen?
Als mijn vliegtuig opstijgt herbeleef ik alleen (de rest vliegt naar Nederland, eentje nog wat verder door naar het noorden en ik naar het westen) het weekend. Een baby naast mij begint te huilen. Ik doe mijn oordopjes in en druk op play.
Ik dommel langzaam weg en hoor nog net de tekst van een random nummer. I don't think that it's the end, and I know we can keep going.