In mijn herinneringen is elk stukje appeltaart een stukje hemel op aarde. Er was geen hoger genot. Vandaag is er vooral geen enkele andere taart die zo door de bakkers verwaarloosd wordt. Dus gingen we op zoek naar de beste familierecepten. De mensheid kan er maar gelukkiger van worden.
Het begon met een werkbezoek aan Rotterdam. Charmeloze stad, vinden veel mensen, maar het moet gezegd: ze heeft appeltaartcultuur. Het hart daarvan is Dudok, een levendig koffiehuis met indrukwekkend hoge ramen en plafonds. Dudok is waar iedereen appeltaart gaat eten, hoorde ik op mijn eerste dag in Rotterdam. Makkelijk raden dus waar ik het vrije uurtje op mijn laatste dag doorbracht.
De reputatie van Dudok bleek verdiend: de appeltaart was hoog, gevuld met grote stukken appel en rozijnen, en bedekt met een deegdakje. Kaneelsmaak, maar niet te veel. Niet te nat, niet te droog. Net een beetje te week, misschien. Net niet zo hemels als de huisgemaakte taart die ik als kind in grote stukken binnenschoof bij mijn beste vriendinnetje van de lagere school. Toen besefte ik het nog niet, maar dat was de appeltaart van mijn leven.
Waar kun je bij ons nog zulke lekkere appeltaart krijgen, vroeg ik me af daar bij Dudok. En zo begon een lange zoektocht.
Bij bakkers, zo leerde ik al snel, vind je meer dan eens appeltaart die er uitstekend uitziet. Een beetje bruter vormgegeven dan de andere taarten, een beetje meer van die ambachtelijke toets die gebak zo onweerstaanbaar kan maken voor mij. Ik heb dus best veel bakkers op hun appeltaart getest, het afgelopen jaar, en niet zomaar de eerste de beste.
Heerlijke taartjes met frambozen op citroencrème verkoopt mijn buurtbakker, maar zijn Normandische appeltaart viel saai en kleffig uit. In een hippe Brusselse zaak kreeg ik dan weer charmant nostalgisch ogende exemplaren mee, maar ze smaakten net als hun industriële soortgenoten: te zoet en met een waterige, platgekookte vulling. De meest gastronomische bakker van de Koekenstad, de oudste en ambachtelijkste, de op goed geluk gekozen dorpsbakker in de Kempen: nee, nee, nee. Te zoet, te droog, te weinig appelsmaak. Te veel gecamoufleerd met een stroperig geleisausje. Soms proefde ik synthetisch amandelaroma. En altijd weer die golden, het saaiste appelras ter wereld, hooguit geschikt voor kinderen met lange tanden.
De enige appeltaart die mijn geld waard bleek, was die van de joodse bakkerij Kleinblatt in Antwerpen. Appeltaart van het noordelijke type, zoals ik ze graag heb: met veel stukken lichtzure appel onder een kruimelig deegdeksel. Lekker tussendoortje met een grote mok thee. Maar goed genoeg om de zoektocht af te sluiten? Nee.
Brigitte, de mama van het schoolvriendinnetje, is niet zo verbaasd wanneer ik haar bel voor haar appeltaart. Ja, ze bakt ze nog altijd. En ja hoor, ik mag gerust eens komen kijken. De weg ken ik vast nog wel.
En zo sta ik op een doordeweekse voormiddag in een keuken vol herinneringen, mijn balpen en notitieboekje in de aanslag. Brigitte doet heel gewoon over haar taart. ‘Ik haalde ze ooit eens uit een kookboek van Oetker', vertelt ze. ‘Al zeker 25 jaar geleden. Gaandeweg heb ik er wel wat aan veranderd. Ik maak ze nu wat minder zoet, en de appels snijd ik in schijfjes in plaats van stukken. Anders wordt het zo'n pratsch.'
Het is een wat bewerkelijk recept, zegt ze, en als ze zelf kan kiezen, bakt ze liever chocoladetaart. Maar haar appeltaart is intussen befaamd, ze kan er niet onderuit. ‘Het begon rond te gaan toen een van mijn zonen in een restaurant werkte. Als dessert serveerden ze daar warme appeltaart met ijs, maar mijn zoon vond er weinig aan. ‘Dat kan mijn moeder beter', zei hij. En vanaf dan mocht ik de appeltaarten leveren. Een beetje trots was ik daar natuurlijk wel op.'
Ik kijk hoe ze moeiteloos haar wonder weer voltrekt, twee appeltaarten tegelijk, en probeer te achterhalen wat nu net het geheim is. Het lijkt 'm te zitten in een hele reeks handigheden, en in een zuinige dosering van alles wat geen appel is. Eén lepeltje rozijnen die in rum geweekt zijn. Tien hazelnootjes. ‘Ach, ik weet eigenlijk niet of dat allemaal zoveel uitmaakt, hoor', zegt Brigitte.
Ik weet van wel, nog voor ik het eindresultaat geproefd heb. Ik zie gewoon dat het dezelfde perfecte appeltaart wordt van weleer. De volgende ochtend eet ik mijn stukje op, met een lepel zure room erbij. Het is als luisteren naar Bach en even denken: perfectie bestaat wel degelijk.
Enkele maanden later op een verjaardagsfeestje van een nichtje. Niet het soort gelegenheid waar je een smaakorgasme verwacht, veeleer ben je voorbereid op cakemix met discobolletjes. Maar het nichtje is de dochter van Roeland, ex-banketbakker en vandaag operator in de petrochemie. Roeland heeft appeltaart en bosbessentaart gebakken, ik kies die laatste, want hoe vaak komt er bosbessentaart op tafel?
En zo miste ik op een haar na Roelands appeltaart. Maar het lot geeft je soms een herkansing, las ik eens, en ik weet nu dat dat waar is. In mijn geval zat de herkansing in een tupperwarepotje dat ik de ochtend na dat verjaardagsfeestje in de koelkast vond. Overschot van de appeltaart. Een beetje verfrommeld. Maar. Wat een knapperige taartkorst, wat een flinke stukken appel en vooral: wat een behaaglijke taartvulling. Het was geen cake, het was geen frangipane, het was geen pudding. Het was een beetje van alles. Zomaar op een zondagochtend in een tupperwarepotje.
Roeland kan me het recept wel even bezorgen. Het is niet echt ‘zijn' appeltaart, zegt hij, het is gewoon zijn versie van een uitgeknipt receptje voor perentaart uit de Tip Culinair. ‘Mijn vrouw houdt zo'n knipselmap bij en ik probeer daar dan af en toe iets van uit. Altijd weer iets anders.' Nee, Roeland, voortaan bak je voor familiefeesten altijd weer die appeltaart.
Pelez huit pommes, zo heet het recept dat mijn collega Peter me aanraadt. Het staat in een boekje dat zijn grootmoeder heeft samengesteld en dat in de familie nog altijd gebruikt wordt. Wel negen appeltaartrecepten zijn erin verzameld, uitgeschreven door een vrouw die duidelijk wel wat beters te doen had dan de taal te beeldhouwen, met hier en daar een onvertaald stuk Frans of dialect.
‘Mijn moeder noemde de taart “schilachtappelen”', vertelt Peter. ‘Het duurde jaren voor ik besefte dat dat geen woord op zich was, maar gewoon betekende: schil acht appels.'
Acht appels, dat is veel. ‘Je kunt er dan ook meteen een taart zo groot als een bakplaat van maken. Mijn grootmoeder had negen kinderen, zo'n grote taart kwam van pas. Maar ik vermoed dat ze acht kleine appels voor ogen had; het soort appeltjes dat mensen in hun tuin raapten en op allerlei manieren moesten opgebruiken.' Pelez huit petites pommes, dus. Peter heeft gelukkig ook een appelboom in zijn tuin.
Ik krijg een kopietje van het recept mee. ‘1/2 bierglas melk' voor 100 gram bloem, en daar nog eens een flike kom appelschijfjes bij: vreemde verhoudingen. Ik spreid het allemaal uit over een grote bakplaat, schuif die in de oven en weet niet goed wat ik moet verwachten. Het is anders dan cake, heeft Peter me gezegd. Ook anders dan flan. Iets als clafoutis, dan? Nee, dat ook niet. En ook geen harde koek. Het is pelez huit pommes en niets anders.
Het is een platte, zachte taart die aan de randen lekker gekaramelliseerd is. Meer een dessert dan een ontbijt en meer iets voor bij koffie dan voor bij thee. Licht, fruitig en melkig. En fijn, dat een mens op haar 33ste nog een nieuwe soort appeltaart kan ontdekken.
Dorien Knockaert, De Standaard