“Ik heb nooit geweten dat ik het mislukte exemplaar was, totdat ik Dorbeck ontmoette.
Toen wist ik het. Toen wist ik dat hij het geslaagde exemplaar was, dat ik in vergelijking met die man geen reden van bestaan had, dat ik mijzelf alleen aanvaardbaar maken kon, door precies te doen wat hij zei.”
Osewoudt, Donkere kamer van Damokles, bladzijde 169
De donkere kamer van Damokles vertelt over de negentienjarige Osewoudt, die zijn geld verdient door te werken in de oude sigarenwinkel van zijn vader. Hij leeft met het gevoel dat hij alle mogelijke obstakels in zijn leven al overwonnen heeft.
Dan ontmoet hij Dorbeck. Dorbeck lijkt als twee druppels water op Osewoudt, afgezien van zijn donkere haar. Vanaf hun eerste ontmoeting belandt Osewoudt in een neerwaartse spiraal door zijn gehoorzaamheid aan Dorbeck, die eindigt met zijn eigen nederlaag.
De donkere kamer van Damokles is geschreven in november 1958, door Willem Frederik Hermans. Willem Frederik Hermans wordt samen met de twee andere imposante schrijvers Gerard Reve en Harry Mulisch gezien als “De Grote Drie”, de drie belangrijkste en grootste schrijvers in de naoorlogse literatuur. Willem heeft de Prijs der Nederlandse Letteren uit 1977 op zijn naam staan, net zoals de boeken “Nooit meer slapen” en “Ik heb altijd gelijk”. De donkere kamer van Damokles is een kroonjuweel uit de Nederlandse literatuur en een echte aanrader. Het boek is vlot leesbaar door de schrijfstijl, heeft een krachtige opbouw en eindigt met een meesterlijk plot.
Het boek is goed leesbaar door de schrijfstijl.
De donkere kamer van Damokles heeft sinds de eerste ontmoeting eigenlijk een dreigende spanning en de gebeurtenissen die zich in de loop van het verhaal afspelen, zoals martelingen, ontvoeringen en moorden, zijn heftig. Het verhaal zou een ‘actie-om-actie’ effect hebben gekregen, ware het niet dat Hermans met de schrijfstijl het verhaal op een prettige manier afzwakt. Als je het boek leest wordt een heftig moment verteld alsof er gesproken wordt over het weer. Ook zijn er dikwijls momenten waarop er een vleugje humor door de drama heen is verweven:
Osewoudt wordt door zijn overbuurman opgehaald nadat er een fiasco is gebeurd in zijn vaders sigarenwinkel:
‘ -Geef mij gauw een hand, Henri! Je moet met mij meekomen. Je kunt niet naar huis! Er is een ongeluk gebeurd, een afschuwelijk ongeluk!
Osewoudt zei niets, gaf hem een hand en liet zich meetronen. De mensen versperden bijna de hele straat. Turlings trok hem zo snel mee, dat hij niet kon verstaan wat er gezegd werd, al wist hij zeker dat het over hen ging.
-Is er een ongeluk gebeurd met moeder?
-Jongen, hoe durf je dat te vragen. Het is vreselijk! Vreselijk! ’
Een paar zinnen later, de vrouw van Turlings:
‘ -Het is verschrikkelijk! Hoe is het mogelijk dat iemand zoiets doet! Arme jongen! Arme, arme jongen!
Osewoudt nam een dropje uit de rol die hij gekregen had.
-Hoe heeft moeder het gedaan?
-Hoe is het mogelijk! Hoe weet hij dat!...zei de vrouw tegen de drogist.
Hij huilt er niet eens om! ’
Donkere kamer van Damokles, bladzijde 10
Het gaat er hier om dat de moeder van Osewoudt haar man heeft vermoord.
Het boek heeft een krachtige opbouw.
In het begin merk je hier niet veel van, maar naarmate je naar het einde toe gaat merk je hoe goed het boek is opgebouwd. De titel alleen al is hier een voorbeeld van. De titel van het boek, De donkere kamer van Damokles, verwijst naar het zwaard van Damokles, een zwaard boven het hoofd dat een voortdurende spanning uitdrukt. Met de donkere kamer wordt een kamer om foto’s te ontwikkelen bedoeld. De donkere kamer van Damokles verwijst weer naar de ontwikkelingskamer van Osewoudt, ergens in het midden van het verhaal. In deze kamer mislukt een foto met Dorbeck erop. Aan het einde van het verhaal is Dorbeck verdwenen. Osewoudt zijn enige kans om zijn onschuld in verband met tientallen daden te bewijzen zijn twee foto's: een foto die mislukt was en nog een foto samen met Dorbeck later in het verhaal, die verdwenen blijkt. De mislukte foto’s hangen dus een groot deel van het verhaal als een onzichtbaar zwaard boven Osewoudt zijn hoofd, zonder dat de lezer dit beseft. Dit bewijst dus maar weer hoe goed de opbouw is.
Tot slot: het boek eindigt met een meesterlijk plot.
Ik heb in de vorige alinea al verteld dat Dorbeck verdwijnt aan het einde van het boek.
Alle mensen die hem hebben gezien of gekend buiten Dorbeck zijn dood, alle bewijzen zijn verdwenen of onbruikbaar. Op het einde blijkt zelfs het bijna tastbare bewijs van een foto verdwenen. Op het einde weten de lezer, de mensen om Osewoudt heen en Osewoudt zelf niet meer of Dorbeck echt bestaan heeft of dat Osewoudt Dorbeck zelf bedacht heeft. Dit geeft het boek een ondenkbaar goed plot en zet de lezer aan het denken over wat er nou eigenlijk is gebeurd. Dit geeft het verhaal een grotere diepgang, een tweede dimensie.