Van naturalisme naar abstractie
Mondriaan behoort aan het begin van de twintigste eeuw tot de grootste talenten onder de Nederlandse landschapsschilders. Vanaf 1897 exposeert hij regelmatig en ontvangt hiervoor veel waardering. Vanaf 1908 begint hij af te wijken van zijn naturalistische palet. Mondriaan gaat schilderen in felle onnatuurlijke kleuren en krijgt hierop veel kritiek. Het is de eerste verandering in zijn werk die uiteindelijk zal leiden tot de kenmerkende, voorstellingsloze schilderijen met zwarte lijnen en primaire kleurvlakken.
Piet Mondriaan, Avond aan het Gein(A463), ca. 1906. Collectie Gemeentemuseum Den Haag
'Ik schilderde […] nooit in een romantische trant; maar van begin af aan was ik altijd een realist.' Deze uitspraak doet Mondriaan in 1942, als hij terugkijkt op zijn vroege werk. Omstreeks 1908 komt hij tot de conclusie dat het schilderen van landschappen in naturalistische kleuren niet toereikend is. Omdat hij het gevoel heeft de kleuren van de natuur niet voldoende te kunnen benaderen, gaat hij op zoek naar nieuwe manieren om de schoonheid ervan uit te drukken. De eerste stap in dit proces is de natuurlijke kleuren in te ruilen voor pure, ongemengde kleuren. Mondriaans verblijf in de Zeeuwse badplaats Domburg speelt een belangrijke rol bij deze verandering in zijn kleurgebruik. Tussen 1908 en 1916 zou Mondriaan hier steevast de zomermaanden doorbrengen. Het heldere kustlicht en de aanwezigheid van modernistische schilders als Jan Toorop en Jacoba van Heemskerck werken als katalysatoren voor het nieuwe kleurgebruik. Tussen 1908 en 1911 is er heel duidelijk een intensivering in het palet van Mondriaan waar te nemen.
Piet Mondriaan, Duin IV (A707), 1909. Collectie Gemeentemuseum Den Haag
1911-1914: Kennismaking met het kubisme In 1911 maakt Mondriaan kennis met het werk van de Parijse kubisten. Deze kennismaking zal de volgende drie jaar zichtbaar zijn sporen achterlaten in zijn schilderijen. Hoewel hij het kleurrijke werk van Fauvisten als Matisse en Kees van Dongen bewondert, zijn het de kubisten die volgens Mondriaan de ‘juiste weg’ hebben gevonden. Gaandeweg realiseert hij zich echter dat de kubisten niet de logische consequenties van hun eigen ontdekkingen accepteren. Voor Mondriaan is dit: de uitdrukking van ‘zuivere realiteit’. Wat hij overneemt van de kubisten is het abstraheren van de werkelijkheid en het gebruik van een sober palet van afgezwakte kleuren. In plaats van de heldere, zuivere tinten uit de luministische periode (1908-1911), kenmerken de schilderijen zich tussen 1912 en 1914 door omber-, oker- en beigetinten. Naast oude thema’s als landschappen en bomen gaat ook de stad Parijs een rol spelen in zijn werk. Façades van huizen, gevelreclames en het uitzicht vanuit zijn atelierraam worden door Mondriaan verwerkt tot abstracte composities, waarin de werkelijkheid nog nauwelijks te herkennen is.
Piet Mondriaan, Het grote naakt (B7), 1912. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.
Wat Mondriaan in zijn werk tot uitdrukking wil brengen, zijn de ‘universele verhoudingen’ die volgens hem ten grondslag liggen aan de zichtbare werkelijkheid. Hij verwoordt het zelf zo: 'het kostte me veel tijd om te ontdekken dat specifieke vormen en natuurlijke kleur subjectieve gevoelssferen opleveren, die de zuivere realiteit aan het zicht onttrekken. De verschijning van natuurlijke vormen verandert, maar de realiteit blijft onveranderlijk.'
Op weg naar het neoplasticisme: 1914-1921 De oorlogsjaren 1914-1919 brengt Mondriaan door in Nederland. Hij schildert hier bijna volledig abstracte schilderijen van huizen, kerken en bomen, maar heeft het gevoel nog steeds op een impressionistische manier te werken. In plaats van de onveranderlijke, zuivere realiteit geeft hij naar zijn eigen idee teveel een specifieke sfeer weer. In deze periode begint Mondriaan de gebogen lijnen uit zijn schilderkunst te verbannen. Wat overblijft, zijn korte, op zichzelf staande horizontale en verticale lijnen die elkaar kruisen. Door de zee, lucht en sterren te observeren, wordt hij zich bewust van de aanwezigheid van horizontale en verticale lijnen in de natuur. Het in balans brengen van deze constante factoren wordt vanaf dat moment het uitgangspunt. Zelf omschrijft Mondriaan dit als het ‘weergeven van de beeldende functie’ van onderwerpen als zee, lucht en sterren.
Piet Mondriaan, Pier en oceaan 4(B70), 1914. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.
Naast de vorm, die wordt verbeeld door het in evenwicht brengen van horizontale en verticale beeldelementen, speelt ook ruimte een grote rol in zijn werk. Mondriaan beseft dat realiteit een combinatie is van vorm en ruimte. Hij ziet in dat alles ruimte is: de vorm zelf, maar ook de lege ruimte rondom die vorm. Om hierin eenheid te bereiken, zoekt hij naar manieren om de factoren ruimte en vorm in balans te brengen. Hiermee experimenteert hij vanaf 1917, door rechthoekige vlakken te schilderen tegen een witte achtergrond (B89). De volgende stap is het groeperen van de vlakken, hij drukt ruimte uit door witte, grijze of zwarte rechthoeken en vorm door rode, blauwe of gele vlakken (B115). De elkaar kruisende horizontale en verticale zwarte lijnen zorgen voor het nodige contrast en bepalen de vorm van de rechthoeken. De basis van het neoplasticisme is daarmee gelegd.
De eerste jaren van het neoplasticisme: 1921-1930 In 1920 publiceert Mondriaan zijn theorie van het neoplasticisme in een Franstalige brochure. Hoewel hij ook in de daaropvolgende jaren zijn schilderkunstige theorie regelmatig toelicht in publicaties, verkoopt hij nauwelijks werk. Hij blijft echter stug doorwerken aan de ontwikkeling van zijn stijl, al is hij gedwongen om af en toe ook bloemen te schilderen om wat geld te verdienen.
Piet Mondriaan, Compositie met groot rood vlak, geel, zwart, grijs en blauw(B130), 1921. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.
In de Parijse avant-gardekringen krijgt Mondriaan langzaam maar zeker waardering en meer mogelijkheden om te exposeren. In zijn werk maakt hij belangrijke keuzes, door de lijnen vanaf circa 1927 altijd door te laten lopen over de randen van het doek, in plaats van deze op te laten houden vlak voor de rand van het doek. Hierdoor worden de kleurvlakken ook duidelijk van elkaar afgescheiden. Dit betekent ook dat hij deze niet in elkaar hoeft te laten overvloeien, zoals in werken uit 1921 nog het geval is. Vanaf de tweede helft van de jaren twintig gaat Mondriaan steeds minder kleur gebruiken. Hij wil de nadrukkelijke aanwezigheid van de rechthoeken daarmee doorbreken. Door het grote vlak van het doek te doorsnijden met lijnen, lukt het hem om diepteverschillen tussen lijn en vlak te elimineren. Dit geeft Mondriaan het gevoel zich dynamischer te kunnen uitdrukken. In deze jaren gaat hij ook zijn atelier aan de rue du Départ vormgeven volgens de theorie van het neoplasticisme. Dit draagt bij aan de bekendheid van zijn theorieën, omdat hij veel bezoekers ontvangt in zijn atelier en hij foto’s ervan publiceert in diverse internationale tijdschriften.
Neoplasticisme tussen 1930 en 1940 In 1932 introduceert Mondriaan de dubbele lijn in zijn schilderijen. Dit stelt hem in staat de factor ritme een grotere rol te laten spelen. Het werk aan zijn neoplastische oeuvre brengt Mondriaan tot de conclusie dat elke specifieke vorm moet worden vernietigd om een werkelijk nieuwe kunst te creëren. Kunst waarin de realiteit op de meest zuivere manier wordt weergegeven: ‘neoplastische kunst laat zien wat de wetenschap ontdekte: tijd en subjectieve visie versluieren de ware realiteit.'
Piet Mondriaan, Compositie met gele lijnen (B241), 1933. Collectie Gemeentemuseum Den Haag.
Voor zijn zestigste verjaardag in 1932 neemt de kunstenaresCharley Toorop samen met een groepje bewonderaars het initiatief om een werk van Mondriaan aan te kopen en dit te doneren aan een Nederlands museum. Speciaal voor deze gelegenheid schildert Mondriaan zijn Ruitvormige compositie met Gele Lijnen (B241) dat vanaf de opening in 1934 tot vandaag de dag te zien is in het Gemeentemuseum Den Haag. Het gebruik van gekleurde lijnen wijst vooruit naar de latere ontwikkelingen van het neoplasticisme, dat in de Verenigde Staten tot een hoogtepunt zou komen. De waardering voor zijn werk groeit in deze jaren gestaag en hij verkoopt doeken in onder meer Duitsland, Zwitserland en de Verenigde Staten.
Londen en New York: de laatste ontwikkelingen van het neoplasticisme De laatste belangrijke stijlontwikkelingen ontstaan nadat Mondriaan in 1938 Parijs heeft moeten verlaten vanwege de oorlogsdreiging. In Londen neemt Mondriaan opnieuw werk ter hand waaraan hij in Parijs is begonnen. Hieraan voegt hij gekleurde vlakjes toe, die niet worden begrensd door zwarte lijnen. Langzaam maar zeker komt het besef dat lijn en vlak in wezen niet van elkaar verschillen. Het laten samenvallen van deze twee is dan ook de logische consequentie van Mondriaans werkwijze. Hij bereikt dit echter pas vanaf 1940 in New York. Hij emigreert hierheen als de oorlog hem ook in Londen achterhaalt. In de Verenigde Staten krijgt Mondriaan voor het eerst de beschikking over gekleurde tape. De tape stelt hem in staat sneller te werken, maar doet hem ook inzien dat hij de zwarte lijnen niet nodig heeft om daarmee kleurvlakken af te bakenen. Hij kan lijn en kleur in elkaar laten opgaan, waardoor ruimte en vorm elkaars gelijke worden.
Piet Mondriaan, Victory Boogie Woogie (B324), 1942-1944. Collectie RCE. Langdurig bruikleen Gemeentemuseum Den Haag.
Aanvankelijk doet Mondriaan dit door gekleurde tape op een doek te plakken en de compositie definitief in verf over te zetten als deze naar zijn wens is. De snijvlakken van de lijnen vormen echter al snel een probleem. Op de punten waar de lijnen elkaar snijden, lijkt de ene lijn over of onder de andere lijn door te gaan. Hierdoor ontstaat een ongewenste illusie van diepte. Mondriaan weet dit probleem pas op te lossen in wat uiteindelijk zijn laatste twee schilderijen zouden worden: Broadway Boogie Woogie(B323) en Victory Boogie Woogie (B324). Bij deze twee werken breekt hij de gekleurde lijnen op in kleine kleurvlakjes. Het onvoltooide Victory Boogie Woogie, Mondriaans meesterwerk, blijft als stille getuige van deze ontwikkeling achter op de ezel in het atelier van Mondriaan na zijn overlijden in een New Yorks ziekenhuis op 1 februari 1944. Dit unieke schilderij laat dankzij de onvoltooide staat zien hoe Mondriaan te werk gaat. Het werk bevat op sommige plekken wel 7 lagen verf en tape. Mondriaans zoektocht naar de definitieve compositie lijkt nog niet ten einde te zijn geweest.•
bron: http://www.mondriaan.nl/articles/view/van_naturalisme_naar_abstractie
Piet Mondriaan begon als traditioneel landschapsschilder en eindigde als volhardend neoplastisch schilder met kenmerkende zwarte lijnen en primaire kleurvlakken. Volgens Mondriaan gingen de horizontale en de verticale lijn een dialoog met elkaar aan. De verticale lijn staat, volgens Mondriaan, voor de geest en het mannelijke, terwijl de horizontale lijn staat voor het aardse, sociale en het vrouwelijke. Deze tegenstellingen moesten evenwichtig zijn, in harmonie met elkaar. Mondriaan wilde een beter wereld creëren en hoopte dat zijn evenwichtige harmonieuze schilderijen de kijker rust zou brengen.









