Beaulieu - photos by Johnatan Somirs (LUCA)

blake kathryn

Andulka
TVSTRANGERTHINGS
Aqua Utopia|海の底で記憶を紡ぐ

★

Kiana Khansmith

No title available
cherry valley forever
Cosimo Galluzzi
Mike Driver

@theartofmadeline
Fai_Ryy
official daine visual archive

Discoholic 🪩
sheepfilms

PR's Tumblrdome
d e v o n

izzy's playlists!

⁂
2025 on Tumblr: Trends That Defined the Year

seen from Russia
seen from Germany
seen from United States

seen from United Kingdom
seen from United States

seen from United States

seen from Germany

seen from United States

seen from United States
seen from Türkiye
seen from Germany

seen from Malaysia

seen from Singapore
seen from United Kingdom

seen from Malaysia
seen from United States

seen from Finland
seen from South Africa
seen from Germany
seen from United States
@metro5be
Beaulieu - photos by Johnatan Somirs (LUCA)
Ketsu ga aoi
Interview par Lukas Jäger / Photo par Pieter Verhaert (LUCA)
Il y a deux ans qu’elle venait de Kyoto à Bruxelles, passionnée par d’autres cultures. Si je demande des questions sur sa connexion avec ce nouvel habitat, ça ne prend pas beaucoup de temps avant que nous parlons des différences culturelles. Que pense-t-elle par exemple d’un baiser sur la joue, habitude locale pour se saluer? «Alors, la première fois que je l’ai rencontrée, c’était un peu bizarre. Dans ma période initiale de travaille, il y a eu un homme complètement étranger qui m’a rapproché dans la rue. Il me donnait un baiser sur la joue et me demandait «ça va?» Je pensais que c’était normale en Belgique, mais quand je le disais à mes collègues après coup, c’était clair que ce n’est pas l’habitude en Belgique de donner de baisers à tout le monde. Il se passe que j’interprète des actions d’une mauvaise façon, mais heureusement j’ai des collègues aimables sur qui je peux compter pour obtenir des explications supplémentaires.»
Si elle peut facilement nouer des contacts en Belgique, outre que ses collègues? «Oui bien sûr, je joue du basket chez une équipe japonaise, mais je ne suis pas vraiment une vedette et récemment j’ai aussi commencé le kendo, qui est un sport de combat avec des épées en bamboo. Je ne le connais pas au Japon, mais maintenant je l’apprends en Belgique. Mes amis du club sont très professionnels et ils sont surtout aimables. En outre, j’apprends aussi la langue française où j’ai rencontré beaucoup d’amis, dont beaucoup des Italiens et des Roumains.»
Qu’est-ce qu’elle apprécie à Bruxelles? Madame Kubo aime si les gens jouent de la musique dans le métro. «C’est un luxe puisque les trains et les métros sont toujours débordés au Japon. Alors, c’est une expérience totalement différente d’y prendre le transport publique. C’est la tâche des employés des sociétés de transport pour rassembler le plus grand nombre de gens dans un wagon que possible. Les femmes sont parfois y ennuyées par les hommes. Voilà pourquoi qu’il s’agit des wagons seulement pour des femmes. Il y a aussi des hommes qui prennent les poignées avec les deux mains pour montrer qu’ils sont distingués.»
Tout à coup, madame Kubo inverse les rôles. Elle me demande ma connexion avec le Japon. Je réfléchis un instant et dis: «J’ai travaillé volontairement dans une école en Thaïlande pendant un an. J’y ai travaillé et cohabité avec une Japonaise pendant cinq mois. Elle était comme une sœur aînée pour moi car j’étais encore bleue en ce temps-là.» Il est clair qu’elle ne connait pas cette expression. Après l’avoir expliqué, elle commence à rire et puis elle rigole. Elle me regarde et dit: «Ketsu ga aoi. Normalement nous la disons de quelqu’un qui n’a pas beaucoup d’expérience.»
Une fois rentrée à la maison, j’ai fais des recherches, et tout à fait, l’expression «Ketsu ga aoi» est l’équivalent japonaise pour une tache de naissance bleue temporaire. Donc littéralement ça veut dire «un derrière bleu» Je suis sûre que cette conversation restera dans ma pensée pendant quelques temps!
_____________________________________________________________________________________
Ketsu ga aoi
Interview door Lukas Jäger / Foto door Pieter Verhaert (LUCA)
Ter hoogte van de Oudergemse avenue Nippon sta ik op meer dan 9000 kilometer van Japan. Mijn reis naar het Verre Oosten begint aan een Brusselse schoolpoort. Mijn gastvrouw ontvangt me glimlachend aan de Japanse School. Mevrouw Kubo werkt er als onderwijzeres.
Twee jaar geleden kwam ze vanuit Kyoto richting Brussel, gedreven door haar interesse voor andere culturen. Wanneer ik peil naar haar connectie met deze nieuwe woonomgeving komen de culturele verschillen dan ook al snel ter sprake. Wat vindt ze bijvoorbeeld van een kus op de wang, een plaatselijke manier om elkaar te groeten? “Wel, de eerste keer dat ik dat meemaakte was nogal vreemd. In de beginperiode dat ik hier werkte kwam er eens een wildvreemde man op straat naar me toe. Hij gaf me een kus op de wang en vroeg ‘ça va’? Ik dacht, dit is België, dit is normaal. Maar toen ik het er achteraf met m’n collega’s over had bleek al snel dat er toch niet zo los met kussen gegooid wordt. Ik heb het wel eens voor dat ik een handeling verkeerd interpreteer, gelukkig genoeg kan ik terugvallen op lieve collega’s voor wat extra uitleg, ze helpen me veel.’’
Of ze naast haar collega’s ook gemakkelijk nieuwe contacten kan leggen in België? “Ja hoor, ik speel basketbal bij een Japanse ploeg, maar ik ben niet echt een topspeler, hoor. Onlangs ben ik ook gestart met kendo, een gevechtsport met bamboezwaarden. Ik kende dat niet in Japan, maar nu leer ik het hier in België. Mijn clubmaats zijn er zeer goed in en het zijn bovenal fijne mensen. Daarnaast volg ik ook Franse les, daar ontmoet ik heel wat nieuwe vrienden, dat zijn dan weer Roemenen en Italianen.’’
Wat apprecieert ze zoal in Brussel? Mevrouw Kubo houdt ervan dat mensen muziek spelen in de metro. Dat is een luxe, in Japan zitten treinen en metrostellen immers overvol. Het openbaar vervoer nemen is er dan ook een heel ander gegeven. Vervoersmaatschappijen hebben werknemers wiens taak het is om zoveel mogelijk reizigers in een wagon te persen. In die overvolle metrostellen worden vrouwen dan ook wel eens lastig gevallen door mannen. Daarom heb je aparte wagons voor vrouwen. Sommige mannen houden de handgrepen vast met beide handen, om te tonen dat ze fatsoenlijk zijn.”
Dan draait mevrouw Kubo de gespreksrollen om. Ze vraagt me wat mijn connectie is met Japan? Ik denk een momentje na: “Wel, ik heb een jaar als vrijwilliger gewerkt in een school in Thailand. Ik woonde en werkte er gedurende vijf maanden samen met een Japanse. Ze was als een oudere zus voor mij, ik was immers nogal groen achter de oren, toen.” Die uitdrukking kent ze duidelijk niet. Na wat uitleg begint ze te giechelen en barst dan in lachen uit. Ze kijkt me aan en zegt: “Ketsu ga aoi. In het Japans zeggen we dat over iemand zonder al te veel ervaring.”
Eens thuisgekomen doe ik wat opzoekingswerk. En inderdaad, het gezegde ‘Ketsu ga aoi’ is het Japanse equivalent, verwijzend naar een blauwe geboortevlek van tijdelijke aard. Letterlijk vertaald gaat het om een blauw achterwerk. Dit gesprek blijft heus op een leuke manier nazinderen!
De vele gezichten van Brussel
Interview Kristel Vandenbrande door Dzenita Ferizovic / Foto door Lisa Haesevoets (LUCA)
In haar laatste jaar aan de VUB besloot ze dat Brussel een deel was van haar en ging ze met haar (toen toekomstige) man op zoek naar een huis in Oudergem. “Er zijn heel veel soorten Brussel, het is gewoon afhankelijk van de persoon aan wie je het vraagt. Er is ook heel veel veranderd over de jaren heen. De laatste vijftien jaar is er meer groen verschenen dan men ooit had kunnen denken.” Kristel beschrijft het Brussel dat ze kent als een cosmopolis waarin de internationale gemeenschappen groeien en bij de randen een beetje samensmelten. “In een bepaalde straat kan het heel rustig zijn, maar vijf meter verder word je overspoeld met geluiden en beelden. Je kan ook een heel mooi stukje rustige natuur vinden, als je het cement en vuilnis ernaast er kan uitfilteren.”
Kristel ziet zichzelf als een echte Brusselse. “Toen ik een tiener was en we op vakantie gingen naar zee antwoordden we ook altijd dat we van Brussel waren als het ons gevraagd werd, hoewel we in Vilvoorde woonden.” Als Vlaamse in dat plaatje passen kan voor sommigen moeilijk zijn, maar zij doet het met plezier. “Het is schipperen tussen Nederlands en Frans, ja. Mijn man is Franstalig en we voeden onze kinderen tweetalig op. De buurt waarin ik woon neigt meer naar het Frans. Het is nu eenmaal een tweetalige stad, en ik ben blij dat die twee talen deel van mij zijn.” Op school had zij al veel Frans geleerd maar het was in de buurt van Vilvoorde dat ze het écht leerde. “Ik vind het geweldig om mijn kinderen in Brussel op te voeden. Ik voed ze niet alleen tweetalig op, maar ze horen ook meer talen. Ze leren van jongs af aan verscheidene culturen kennen en ik zie dit enkel als een stimulans voor hen.”
Kristels raad om Brussel te verkennen houdt in dat je simpelweg de tijd moet nemen. “Het zijn allerlei verschillende verhalen die zich dicht naast elkaar afspelen. Zoveel verscheidene werelden laten zich niet makkelijk ontdekken. Neem dus je tijd… en de metro! Op twintig minuten hoor je al talen die je niet kent en zijn je culturele ervaringen al een stuk rijker. Dwaal rond en verken elke hoek.”
_______________________________________________________________________________________________________________
Les multiples facettes de Bruxelles
Interview Kristel Vandenbrande par Dzenita Ferizovic / Photo par Lisa Haesevoets (LUCA)
Kristel Vandenbrande est originaire de Koningslo et même si Bruxelles n’était pas loin de chez elle, c’était un autre monde. Comme la plupart des filles, Kristel a acquis ses premières expériences à Bruxelles lors des excursions de shopping avec sa maman chérie. «Je me souviens encore de la première fois où on est allé à Bruxelles. Comme ce viaduc était laid! En plus, la plupart des choses que nous y avons rencontrées n’étaient pas attrayantes du tout… Ce n’est que dans mes années d’études que j’ai commencé à découvrir les coins charmants de Bruxelles.»
Dans sa dernière année d’études à la VUB, elle a décidé que Bruxelles faisait partie de sa vie et qu’il fallait qu’elle et son futur mari cherchent une maison à Auderghem. «Le temps a tellement changé ces dernières années. Dans les quinze dernières années, plus de vert est apparu à Bruxelles que je ne l’aurai jamais pensé.» Aux yeux de Kristel, Bruxelles est une ville cosmopolite où les communautés internationales grandissent et s’intègrent l’une à l’autre dans les périphéries. «Alors que l’une rue respire la tranquillité, l’autre, située à même pas cinq mètres de là, te submerge de sons et d’images nouvelles. Et si on arrive à ignorer le macadam et les immondices, une belle et tranquille parcelle de nature s’offre à nous.»
Kristel s’identifie comme une vraie Bruxelloise. «Même si on vivait à Vilvorde, lorsque j’étais adolescente, à chaque fois que quelqu’un nous demandait, pendant nos vacances à la mer, d’où l’on venait, on répondait de Bruxelles.» Alors que certains Flamands ont du mal à se sentir Bruxellois, elle, le fait avec plaisir. «Ce qu’il faut, c’est alterner sans cesse entre le néerlandais et le français. Mon mari est francophone et nous donnons une éducation bilingue à nos enfants. Le quartier où j’habite est plutôt francophone. On ne peut dès lors pas nier que la ville est bilingue et je suis fière que ces deux langues fassent partie de moi.» Elle avait déjà appris le français à l’école mais ce n’est qu’en habitant à Vilvorde qu’elle a réellement appris à parler cette langue. «Je trouve vraiment formidable d’élever mes enfants à Bruxelles. Ils n’ont pas seulement une éducation bilingue, ils sont en contact avec bien plus de langues. Dès l’enfance, ils apprennent à connaître plusieurs cultures et, selon moi, cela ne peut que les stimuler.»
Le conseil de Kristel pour explorer Bruxelles est tout simplement de prendre son temps. «Ce sont des milliers d’histoires qui se produisent l’une à côté de l’autre et tant de mondes différents ne se laissent pas découvrir si facilement. Il est donc important de prendre son temps… et le métro! En même pas vingt minutes, on y entend toutes sortes de langues inconnues et on acquiert par conséquent une nouvelle expérience culturelle. Vas-y et explore chaque coin de Bruxelles!»
A rebel with(out) a cause
Interview Jeroen Peters par Dirk De Ceulaer / Photo par Annabella Schwagten (LUCA)
Hyde Park Bruxelles est la création de Jeroen Peters, artiste, jardinier, cuisinier talentueux, bénévole, homme politique alternatif, activiste et avant tout un homme aimable. Le fait qu’il soit enfant d’artistes explique selon lui pourquoi il est inclassable dans le schéma fixe de la faune et la flore humaine. Par ailleurs (en tout cas), à l’Hôtel de ville bruxellois, il n’est plus un inconnu. A l’occasion des élections communales de 2012, il a fondé son propre parti politique, Politikart, ayant comme programme la légalisation du cannabis et de la prostitution, mais également l’ouverture publique des jardins clos que les autorités possèdent. C’était un projet ambitieux, puisqu’il visait même le jardin du Palais Royal.
Mais l’action la plus médiatisée de Peters s’est déroulée il y a quelques années, lorsque notre doux révolutionnaire a squatté un bâtiment du CPAS à la rue de Flandre l’a rénové pour y installer une galerie d’art et y héberger quelques sans-abris. Le bâtiment devenait un lieu de rencontre pour passants et visiteurs venus de partout. Riche ou pauvre, blanc ou noir, grand ou petit, peu importe, tout le monde était le bienvenu. Et tout le monde venait. Lorsque le CPAS fit connaitre sa volonté d’évacuer l’espace, l’artiste-squatteur Peters enleva une dalle derrière la porte d’entrée pour y creuser un trou. Il y mit son pied droit, qu’on coula ensuite dans le béton. Ce fut le point de départ d’un sit-in de sept longues semaines, une nouvelle occasion pour la politique bruxelloise de faire connaissance avec un personnage quelque peu dérangeant.
Le parc à la Gare de l’Ouest est le nouvel endroit où Jeroen Peters a fait un acte social. Comme avant, il s’agit d’un espace inoccupé, et de nouveau il a créé un endroit où il se moque joyeusement, et d’une façon originale, de l’ordre établi. Avant, le terrain était parsemé de tas d’ordures. C’était le point de rendez-vous de nombreux consommateurs de drogues et un lieu propice à différentes formes de «nuisances urbaines».
Jeroen Peters a transformé cette friche en bijou urbain. Le petit morceau de terre a été retourné et des tonnes de déchets ont été évacuées. Un potager a été installé, ainsi que des fleurs et des buissons. Un poulailler apporte des caquètements, et il y a de vrais poissons dans le vivier. Un sentier et un parcours vélo pour les enfants complètent le tableau. Des œuvres d’art embellissent le tout. A présent, il y règne aussi un certain ordre social. Il y a des grilles d’entrée, et des heures d’ouverture. Tout n’est pas permis, mais beaucoup est possible, tel est la devise. Un nouveau biotope, dans le vrai sens du terme, a pris forme. Jeroen Peters y est le régisseur de service. Il y habite également, et comme gardien de parc, il ouvre et ferme sa petite oasis. Il y reçoit des visiteurs, les guide dans son jardin, il aide les enfants sur leur vélo et organise des événements artistiques. L’année passée, il a invité tout le voisinage à son premier barbecue public: une fête «gay» soutenue volontiers par les voisins, dont la plupart est musulman. Ces rassemblements sont importants pour lui et sont basés sur le respect mutuel. Ils rassemblent des personnes de tous horizons. Ainsi, le quartier a désormais un endroit où l’on peut rassembler du potentiel humain, tant en paroles qu’en images. «On est les personnes avec lesquelles on vit», explique Peters. D’où la grande importance de son écosystème social pour le développement du quartier.
Tout près de l’endroit où le métro 5 prend l’air et permet à ses voyageurs de jeter un coup d’œil dehors, même si ce n’est que brièvement, il est bon de sortir et de découvrir Hyde Park Bruxelles, pour rencontrer de beaux personnages et y serrer la main de Jeroen Peters ou lui faire un câlin, le rebelle sans, ou plutôt avec une cause.
______________________________________________________________________________________
A rebel with(out) a cause
Interview Jeroen Peters door Dirk De Ceulaer / Foto door Annabella Schwagten (LUCA)
Vlakbij een punt waarop Metrolijn 5 als een mol naar lucht hapt, het Weststation, en bovengronds haar reizigers eindelijk een korte blik naar buiten gunt, ligt het ‘Hyde Park’ van Brussel. Uiteraard loopt iedere vergelijking met het beroemde park uit de Britse hoofdstad mank. Het park aan het Weststation heeft veeleer de envergure van een uit de kluiten gewassen tuin en mist vanzelfsprekend ook de ‘royale’ geschiedenis van een imperium. Niettemin is ook dit Madurodam van het Londense park het resultaat van een soort toe-eigening door een hoogst opmerkelijke man – het was Hendrik VIII die in 1536 Hyde Park inpikte van Westminster Abbey om er een jachtgebied van te maken - en kan ook dit park bogen op een vijver(tje), een ‘Speakers’ Corner’, veel speelruimte voor jong en oud en biedt het ruimte voor aardig wat publieke attractie en cultuur.
Hyde Park Brussel is de creatie van Jeroen Peters, kunstenaar, tuinier, begenadigd kok ook, vrijwilliger, alternatief politicus, activist en vooral aimabel manspersoon. Hij is het kind van kunstenaars, wat volgens hem verklaart waarom hij nauwelijks binnen een gangbaar patroon van de menselijke fauna of flora te plaatsen is. Op het Brusselse stadhuis is hij alvast lang geen onbekende meer. Naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 richtte hij een eigen politieke partij op, Politikart, dat naast het legaal maken van cannabis en prostitutie ook van het openstellen van overheidstuinen voor het publiek een programmapunt maakte. De ambitie reikte ver, want ook de tuin van het Koninklijk Paleis, hoorde zonder pardon voor het brede publiek toegankelijk te worden gemaakt.
In de kijker liep deze zachte revolutionair alleszins toen hij enkele jaren geleden op de Vlaamsesteenweg een pand van het OCMW kraakte, het opknapte, er een kunstgalerij opende en enkele daklozen huisvestte. Het pand werd een ontmoetingsplaats voor passanten en lieden van verschillende komaf. Arm of rijk, wit of zwart, groot of klein. Het maakte niet uit. Iedereen was welkom. En iedereen kwam er ook. Toen het OCMW te kennen gaf het pand te willen ontruimen, werd net achter de voordeur van het pand een tegel uit de gang gelicht en een put gegraven. Kraker-kunstenaar Peters stak er zijn rechtervoet in en liet daarover emmers beton gieten. Hij was daarmee vetrokken voor een sit-in van zeven lange weken en politiek Brussel was meteen een luis in de pels rijker.
Het park aan het Weststation is de nieuwe plek waar Jeroen Peters een maatschappelijk statement heeft neergezet. Opnieuw ging het om een braakliggend terrein en opnieuw heeft hij er een oord gecreëerd waarmee hij het establishment op zachte maar originele wijze een vrolijke neus zet. Het terrein werd ontsierd door bergen afval, stond bekend als ruige ankerplaats voor druggebruikers en kreunde onder de vele vormen van wat ‘urbane sociale hinder’ heet.
Jeroen Peters maakte van deze zogenaamde brownfield een ‘landjuweeltje’. Het stukje grond werd afgeboord en tonnen rommel weggevoerd. Er kwam een moestuin. Ook bloemen en struiken. Een kippenren bracht gekakel en in een vijver wonen nu echte vissen. Een wandelpad werd aangelegd en kinderen maken vandaag toertjes op een eigen fietsparcours. Kunstwerken sieren het geheel. Ook werd sociale orde gecreëerd. Er kwam een voor- en een achterhek, alsook toegangsuren. Niet alles kan, maar er mag wel veel, zo luidt het devies. Een nieuwe biotoop, in de echte betekenis van dat woord, kreeg vorm. Jeroen Peters is er de rentmeester van dienst. Hij woont er ook. Als parkwachter opent en sluit hij zijn kleine oase. Hij ontvangt er de bezoekers, leidt ze rond in de tuin, helpt kinderen op hun fiets, organiseert kunstevenementen en bood vorig jaar voor de hele buurt zijn eerste publieke barbecue aan. Een gay-feestje met de bereidwillige hulp van buurtbewoners waarvan de meesten moslim waren. Die bijeenkomsten zijn belangrijk voor hem. Ze brengen mensen van diverse pluimage samen op grond van respect voor elkaar. De buurt krijgt op die wijze een plaats waar menselijk potentieel ‘verzameld’ kan worden, zowel met woorden als met beelden. “Je bent de mensen waarmee je leeft”, zegt Peters daarover. Vandaar het grote belang van zijn sociaal ecosysteem voor de ontwikkeling van de buurt.
Vlakbij de plek waar Metrolijn 5 als een mol naar lucht hapt en bovengronds haar reizigers eindelijk een korte blik naar buiten gunt, is het dus ook goed om even uit te stappen, Hyde Park Brussel in te lopen, er mooie mensen te ontmoeten en er Jeroen Peters, the rebel with(out) a cause, de hand te schudden of kortstondig maar gemeend te omarmen…
Une histoire polonaise
Interview Michal Szczepura par Mateusz Pinczuk / Photo par Marie Wynants (LUCA)
Ce qu’il aime à cette ville, c’est sa taille. Elle n’est pas trop grande, mais pas trop petite non plus, et tout est facilement accessible. Quand je suis arrivé ici en 2007, j’étais attiré par la mentalité des gens, qui est tout à fait différente de celle des Polonais. En général, les gens à Bruxelles semblent plus détendus et heureux. Même s’ils sont toujours occupés, ils n’ont pas l’air pressé.
«Ce que j’aime vraiment dans cette ville, ce sont les liens vers d’autres métropoles européennes, comme Paris ou Londres. Il est facile de voyager à tous les «vieux pays européens». On pourrait dire que lorsqu’on voyage à l’est de Varsovie, on peut également voir beaucoup de beaux endroits, mais j’ai grandi dans la République populaire communiste de Pologne. L’Occident exerce une attraction magique et mystérieuse sur nous. Ce sentiment, je l’ai jusqu’à aujourd’hui», explique Michal.
Qu’en est-il de ses loisirs à Bruxelles? «Quand je suis arrivé ici, j’appréciais vraiment la propreté des parcs. À ce moment-là, j’ai décidé d’aller courir. Ce sport m’aide à me détendre, et ça va même au-delà de ça: J’ai déjà participé à deux semi-marathons de Bruxelles. Oui, aujourd’hui, je prends mon hobby au sérieux», il riait.
«Pourtant, ma plus grande passion, n’est pas mon hobby, mais c’est ma famille: ma femme et mes deux enfants. Mes deux enfants sont nés à Bruxelles. C’était toute une expérience. J’admire le proffesionalisme du système des soins de santé belge. Je suis également content que mes enfants aient ici, dès le début de leur formation, la possibilité d’apprendre trois langues: le français, le néerlandais et le polonais.»
Considériez-vous jamais de retourner en Pologne? «Hmm, ça dépend de plusieurs facteurs, mais le plus important, c’est le standard de vie. J’aimerais bien retournerà la Pologne, à condition que je puisse garder mon poste et mon salaire actuels, et que mon salaire me permet de vivre au même standard qu’en Belgique. Toutefois, pour l’instant, c’est impossible.»
Oui, la vie à Bruxelles offres de nombreuses possibilités. Il n’est pas évident pour les étrangers de tout comprendre immédiatement dans cette ville, mais l’expérience de Michal et ma propre expérience, me font croire qu’il devient, petit à petit, plus facile. Ça vaut vraiment la peine de vivre à Bruxelles.
______________________________________________________________________________________
Een Pools verhaal
Interview Michal Szczepura door Mateusz Pinczuk / Foto door Marie Wynants (LUCA)
Michal Szczepura is een dagelijkse bezoeker van het metrostation Beaulieu. Elke dag brengt hij zijn dochter naar een kinderdagverblijf in de buurt. Ik ontmoet hem in zijn kantoor gelegen op de Tervurenlaan. Michal staat aan het hoofd van de Regionale Zetel van Podlaskie Voivodeship in Brussel.
Wat hij zo leuk vindt aan deze stad is de omvang ervan. Ze is niet al te groot maar ook niet heel klein en je kunt er overal makkelijk geraken. Toen ik hier in 2007 aankwam, werd ik aangetrokken door de mentaliteit van de mensen hier, die heel verschillend is van die in Polen. Mensen in Brussel lijken door de band genomen meer ontspannen en gelukkiger. Ook al zijn ze contant bezig, toch maken ze geen opgejaagde indruk.”
“Waar ik in deze stad echt van hou, zijn de verbindingen met andere Europese metropolen zoals Parijs of Londen. Het is gemakkelijk om naar alle ‘oude Europese’ landen te reizen. Je zou kunnen stellen dat wanneer je ten oosten van Warschau reist, je ook veel mooie plaatsen kunt zien, maar ik ben opgegroeid in de communistische Volksrepubliek Polen. Het Westen oefende een geheimzinnige en magische aantrekkingskracht op ons uit. Dat gevoel heb ik tot vandaag”, legt Michal uit.
Hoe zit het met zijn hobby’s in Brussel? “Toen ik hier aankwam, waardeerde ik echt hoe netjes de parken hier waren. Op dat ogenblik heb ik beslist om te gaan hardlopen. Dat helpt mij om te ontspannen en zelfs meer dan dat: ik heb er ook al twee Brusselse halve marathons op zitten. Ja, ik neem mijn hobby tegenwoordig zeer ernstig”, lacht hij.
“Maar mijn grootste passie is niet mijn hobby maar mijn familie – mijn vrouw en twee kinderen. Mijn beide kinderen zijn in Brussel geboren. Dat was nogal een ervaring. Ik bewonder de professionaliteit van de Belgische gezondheidszorg. Ik apprecieer ook het feit dat mijn kinderen hier de mogelijkheid hebben om van bij het begin van hun scholing drie talen te leren – Frans, Nederlands en Pools.”
Zou u er ooit aan denken om terug te keren naar Polen? “Hmm, dat hangt van veel factoren af maar de belangrijkste is de levensstandaard. Ik zou graag naar Polen terugkeren als ik mijn huidige positie en salaris kan behouden en als mijn loon mij in staat stelt om op hetzelfde niveau te leven als hier. Op dit moment, echter, is dat onmogelijk.”
Ja, in Brussel wonen biedt veel mogelijkheden. Het is niet makkelijk om als buitenlander alles in deze stad meteen te begrijpen maar uit de ervaring van Michal, en mijn eigen ervaring, kan ik afleiden dat het eenvoudiger wordt met de tijd. Het is het echt waard om in Brussel te wonen.
Eigentijdse strijder
Interview Monique de Gryse par Caroline Jordens / Photo par Caro Deraedemaeker (LUCA)
Monique kijkt terug op een rijk verleden. “Ik verhuisde van Nieuwpoort naar het landelijke Oudergem. Iedereen kende iedereen, we wisselden zoveel dingen uit en deelden zoveel. Maar ik heb ook wel hard moeten werken. Als traiteur deed ik soms werkdagen van twintig uur. Ik werkte ook op zaterdag en zondag. Nadat ik klaar was met mijn dag, nam ik de restjes mee naar huis en deelde ze met mijn buurt.”
Ze herinnert zich als de dag van gisteren het eerste huis dat ze in Brussel kochten. Het huis was omringd door prei-, aardappel- en tarwevelden. In hun achtertuin stonden in de lente de fruitbomen volop in bloei. Ze hield van de verse eieren die haar kippen voor zonsopgang legden.
Maar het geluk bleef niet duren. In 1960 huurde de gemeente Etterbeek arbeiders in om de huizen in de wijk af te breken en zo plaats te ruimen voor de bouw van metrostelplaats Delta op metrolijn 5. Levensomstandigheden verslechterden, daken lekten, huizen dreigden in te storten. De huizen links en rechts van hen werden met de grond gelijk gemaakt. Mensen die jaren lang buren waren, vertrokken. Monique kwam met hart en ziel op tegen wat er gebeurde.
Te midden van de uitgestrekte velden, tussen het puin, bleef het huis van Monique en haar man als laatste overeind. Uit solidariteit brachten de arbeiders hen hout om het haardvuur brandende te houden. Maar de omstandigheden werden dag na dag slechter. Uiteindelijk werd de situatie ondraaglijk. Hun thuis was hetzelfde lot beschoren als dat van hun buren. Er zat niets anders op dan alles achter te laten en hun intrek te nemen in een appartement in de Oudergemse Transvaal-wijk. Het was hen door de gemeente aangeboden ter compensatie. Ze bleven er een jaar. Nadien kochten ze een nieuw huis op de Mulderslaan, wat verderop in de gemeente. Monique woont er vandaag nog.
“Hoewel ik uit m’n huis gezet ben om plaats te ruimen voor de metro, gebruik ik die vandaag toch elke dag. Ik woon op slechts vijf minuten lopen van het station. Het is de plaats waar ik mijn kleinzoon van 10 jaar oppik. Hij wordt er meermaals per week door mijn zoon afgezet wanneer die gaat werken. Ik ben dan babysit van dienst.”
Het interview was ten einde. Ik schakelde mijn opnameapparaat uit en lette er goed op dat ik niet op de uitwisknop drukte. Door het tuinraam kon ik zien dat het nog steeds sneeuwde. Ik deed mijn pantoffels uit en stapte in mijn schaapsleren laarzen. We wensten elkaar nog een goede avond. Ik zwaaide een laatste keer en wandelde langzaam in de richting van Beaulieu, terwijl ik in de spierwitte sneeuw kraakverse voetafdrukken achterliet.
_______________________________________________________________________________________________________________
Guerrière des temps modernes
Interview Monique de Gryse par Caroline Jordens / Photo par Caro Deraedemaeker (LUCA)
Monique de Gryse m’invite à m’asseoir dans le divan à côté d’elle. Au moment où j’allume l’enregistreur, elle prévient: «Je veux juste dire que j’ai une voix rauque parce que j’ai toussé beaucoup.»
Monique parle du passé avec lyrisme. «Tout le monde connaissait tout le monde, nous échangions et nous partagions tellement de choses. Je travaillais dans la restauration. Parfois, je faisais des journées de 20 heures. Je bossais aussi le samedi et le dimanche. À la fin de ma journée, je ramenais les restes et je les partageais avec mes voisins.»
Elle se souvient très bien aussi de la première maison qu’ils ont achetée à Bruxelles. Elle était entourée de champs de poireaux, de pommes de terre et de blé. Dans leur arrière-jardin, des arbres fruitiers étaient en fleur pendant la saison plus chaude. Elle aimait les œufs frais que ses poules pondaient avant le lever du soleil.
En 1960, la commune d’Etterbeek engage des ouvriers pour démolir les maisons du quartier en prévision de la construction de la station de métro Delta (ligne 5). Monique s’y oppose. Leurs conditions de vie commencent à se dégrader à cause de l’eau qui fuit à l’intérieur de la maison et du danger d’effondrement.
La maison de Monique et de son mari est la dernière à rester au milieu des décombres et des champs. Une cheminée orne leur salon. Par solidarité, les ouvriers leur apportent tous les jours du bois pour alimenter le feu. Malheureusement, leurs conditions de vie s’aggravent de jour en jour et finissent par devenir insupportables. En guise de compensation, la commune leur offre un appartement dans le quartier du Transvaal à Auderghem. Ils y resteront un an. Ensuite, ils achètent une nouvelle maison, également à Auderghem, dans l’avenue des Meuniers, où Monique vit toujours maintenant.
«J’ai travaillé dur, vraiment dur de mes mains. Et j’ai une maison, ma maison. Aujourd’hui, on trouve deux types de jeunes: ceux qui acceptent de travailler beaucoup et ceux qui ne l’acceptent pas. Malheureusement, on trouve plus de jeunes qui n’ont pas envie de travailler dur. Oui, c’est mon avis sur la jeunesse actuelle», dit-elle avec un léger sourire.
«Même si j’ai été expulsée de ma maison en raison du métro, j’emprunte celui-ci tous les jours maintenant. Je vis quasiment dans le métro parce que c’est là que je rencontre mon petit-fils. La station de métro n’est qu’à cinq minutes de marche de la maison.»
L’entretien touche à sa fin. J’éteins mon enregistreur délicatement en veillant à ne pas appuyer sur le bouton «effacer». Par la fenêtre donnant sur le jardin, je vois qu’il neige encore. J’enlève mes pantoufles, j’enfile mes bottes en peau lainée et nous nous souhaitons une bonne soirée. Je fais un dernier signe de la main et je marche doucement en direction de la station Beaulieu, en laissant derrière moi des traces de pas dans la neige fraîche et immaculée.
Beaulieu - photos by Calixte Poncelet (LUCA)
Thuis in Molenbeek
Interview Fatima door Monaly Agwabi / Foto door Estelle Vastenaekel (LUCA)
We nemen plaats op een bankje en beginnen te praten. Ik realiseer me maar al te goed dat ik op een plaats ben waar ik anders niet gekomen zou zijn. Ik besef ook ten volle dat ik iemand ontmoet die ik anders niet ontmoet zou hebben. Het project Metro 5 laat me toe Molenbeek en zijn bewoners op een andere manier te leren kennen. En ik geniet ervan.
Fatima blijkt een jonge studente te zijn die aan het Imelda-Instituut studeert, een school die dit jaar haar 75ste jaar bestaan viert. Groot feest voor Fatima en haar vriendinnen! Van kindsbeen af woont ze in Molenbeek.
Ze apprecieert Molenbeek en houdt vooral van de oudere inwoners die steeds aardig zijn en altijd vragen of alles goed gaat met iedereen. Ze lijken zichzelf niet meer zo te moeten bewijzen. Bij hen voelt ze zich comfortabel en op haar gemak. Ze lijken voor haar de enige personen met wie ze een serieuze discussie kan voeren. “Ik heb de indruk dat oudere mensen echt goed kunnen luisteren, de ruimte geven om je te laten vertellen wat je vertellen wil”, glimlacht ze. “Wat is het fijn om in alle openheid te kunnen zeggen wat je denkt, waar je in gelooft, zonder dat daar onmiddellijk een oordeel over geveld moet worden. Gewoon mijzelf zijn, dat kan ik bij hen.”
Van kindsbeen af ging ze naar het Marie José park. Zo herinnert ze zich nog goed dat ze samen verstoppertje speelde met haar vader. Het tellen tot honderd, het zoeken tussen struiken en achter bomen, de opwinding bij het vinden. En ook nu, zoveel jaren later is het een fijne plek. Een plaats om tot rust te komen, te vertoeven met vrienden. Ze is vertrouwd met haar park, ze voelt zich goed in haar Molenbeek. “Het zou mij zeker niet storen om in Molenbeek te wonen tot het einde van mijn leven, ik ben hier zo graag”, zegt ze. “ Ik voel mij hier veilig ook al wordt het hier beschouwd als een van de gevaarlijkste gemeenten in Brussel. Het is een gemeente die beweegt! De sfeer is aangenaam en je hoeft niet rijk te zijn om hier een comfortabel leven te leiden.”
______________________________________________________________________________________
Thuis in Molenbeek
Interview Fatima door Monaly Agwabi / Foto door Estelle Vastenaekel (LUCA)
Bij mijn aankomst in Weststation word ik warm onthaald door Fatima, een jonge Brusselse studente. Zij heeft duidelijk zin om met mij een gesprek te voeren over haar gemeente: Molenbeek. We wandelen naar een plek waar zij graag vertoeft: een parkje in het midden van de stad, vier hectaren groen tussen de Machtens-, Baeck- en De Rooverelaan. Het park wordt bewoond door reigers, witte en zwarte zwanen en wilde ganzen. De vijvers worden er gevoed door de Molenbeek. Nu weet ik ook onmiddellijk hoe de gemeente aan haar naam is gekomen. Aan de ingang van het Marie-José park wacht Mahatma Gandhi ons op.
We nemen plaats op een bankje en beginnen te praten. Ik realiseer me maar al te goed dat ik op een plaats ben waar ik anders niet gekomen zou zijn. Ik besef ook ten volle dat ik iemand ontmoet die ik anders niet ontmoet zou hebben. Het project Metro 5 laat me toe Molenbeek en zijn bewoners op een andere manier te leren kennen. En ik geniet ervan.
Fatima blijkt een jonge studente te zijn die aan het Imelda-Instituut studeert, een school die dit jaar haar 75ste jaar bestaan viert. Groot feest voor Fatima en haar vriendinnen! Van kindsbeen af woont ze in Molenbeek.
Ze apprecieert Molenbeek en houdt vooral van de oudere inwoners die steeds aardig zijn en altijd vragen of alles goed gaat met iedereen. Ze lijken zichzelf niet meer zo te moeten bewijzen. Bij hen voelt ze zich comfortabel en op haar gemak. Ze lijken voor haar de enige personen met wie ze een serieuze discussie kan voeren. “Ik heb de indruk dat oudere mensen echt goed kunnen luisteren, de ruimte geven om je te laten vertellen wat je vertellen wil”, glimlacht ze. “Wat is het fijn om in alle openheid te kunnen zeggen wat je denkt, waar je in gelooft, zonder dat daar onmiddellijk een oordeel over geveld moet worden. Gewoon mijzelf zijn, dat kan ik bij hen.”
Van kindsbeen af ging ze naar het Marie José park. Zo herinnert ze zich nog goed dat ze samen verstoppertje speelde met haar vader. Het tellen tot honderd, het zoeken tussen struiken en achter bomen, de opwinding bij het vinden. En ook nu, zoveel jaren later is het een fijne plek. Een plaats om tot rust te komen, te vertoeven met vrienden. Ze is vertrouwd met haar park, ze voelt zich goed in haar Molenbeek. “Het zou mij zeker niet storen om in Molenbeek te wonen tot het einde van mijn leven, ik ben hier zo graag”, zegt ze. “ Ik voel mij hier veilig ook al wordt het hier beschouwd als een van de gevaarlijkste gemeenten in Brussel. Het is een gemeente die beweegt! De sfeer is aangenaam en je hoeft niet rijk te zijn om hier een comfortabel leven te leiden.”
Weststation / Gare de l'Ouest - photos by Lisa Haesevoets (LUCA)
Biodiversiteit in Brussel: iedereen kan iets doen
Interview Martine Wauters door Ingrid Molderez / Foto door Gaïa Kaboukos (LUCA)
Biodiversiteit neemt een heel belangrijke plaats in haar leven in. Toen zij tien jaar oud was, schreef zij al in een brief aan Graaf Leon Lippens, initiatiefnemer van het Zwin Natuurreservaat in Knokke, dat zij ornitholoog wilde worden. Die passie voor vogels kreeg zij mee van haar vader. Martine woonde met haar ouders in Schaarbeek. In de weekends gingen zij geregeld op stap in de natuur. Na school was Martine vaak in het Josaphatpark zodat zij al heel vroeg natuur in de stad leerde kennen. Martine studeerde voor vertaalster, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: haar specialiteit was vertaling van alles wat te maken had met milieu. Na dertien jaar vertalen, besloot zij om het creatieve en sociale te verenigen. Zij volgde een opleiding om deel uit te kunnen maken van de Milieuraad en begeleidde boottochten voor scholen onder de koepel van Coördinatie Zenne om de jongeren te wijzen op de water- en milieuproblematiek. Daarna vond zij haar vaste stek in Molenbeek. Zij organiseert nog steeds rondleidingen en wandelingen, zoals ‘Vogels in gebouwen’, en is betrokken bij projecten rond het thema biodiversiteit in Brussel. Wie kent er niet de observatiepost ‘Valken voor iedereen’, een project van KBIN, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen? Martine was er gedurende bijna drie jaar vrijwilligster. Al tien jaar op rij bouwt een koppel slechtvalken zijn nest op de top van de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal in Brussel. Via een camerasysteem kan de evolutie in het nest van de slechtvalken worden bekeken. Volgens Martine bewijst deze observatiepost dat biodiversiteit ook belangrijk is voor de sociale samenhang. “De slechtvalken zijn op zich al fantastische vogels, maar door naar de slechtvalken te kijken, zie je dat er daar veel meer vogels leven of rondvliegen. Mensen uit alle geledingen komen speciaal naar de kathedraal om de slechtvalken te observeren. Iedereen is zo gepassioneerd voor deze vogels in de stad dat de mensen met elkaar beginnen te praten, ongeacht hun afkomst.”
“En er is zoveel te zien in de stad.” Martine verwijst naar de gierzwaluwen, de huismussen en de roodstaarten die in gebouwen leven. Alleen al in Molenbeek heeft zij 122 verschillende soorten vogels waargenomen. En in de zomer ontdekte Martine een nieuwe soort vlinder die nog niet eerder was gespot in het Brusselse Gewest, het Boswitje. Heel veel vogels zijn terug te vinden in het Scheutbos, haar favoriete plek, maar ook aan het kanaal zijn er soorten die alleen daar werden waargenomen, zoals de grote gele kwikstaart. “Het kanaal in Brussel is voor vogelliefhebbers in de winter heel fascinerend wanneer watervogels, zoals tafeleenden en soms zelfs grote zaagbekken, hier komen overwinteren, ondermeer in Anderlecht aan de Biestebroekkaai. Het kanaal speelt in het leven van de trekvogels, zoals zeearenden en ooievaars, een belangrijke rol als herkenningsteken. Aan de Beco-kaai loopt momenteel een proefproject met een vlottend eiland om vogels te kunnen laten broeden. Als er meer eilanden komen, kunnen de planten zelfs voor zuiverder water zorgen. Dergelijke eilanden zijn voorraadplaatsen voor voedsel, vogels kunnen er broeden, vissen kunnen in de wortels van de waterplanten eieren leggen. Ook Nederoverheembeek, vlakbij het waterzuiveringsstation, is een geliefkoosd terrein voor zeldzame vogels.”
“Mensen zijn zo ver van de natuur verwijderd geraakt dat zij schrik hebben gekregen van de natuur. Mensen zitten opgesloten zodat zij niets meer zien van het leven in de stad.” Tijdens de wandelingen die Martine begeleidt, toont zij wat iedereen kan doen voor de biodiversiteit in Brussel. “Ik wijs op de vogels in gebouwen en maak duidelijk dat mensen een rol kunnen spelen door bijvoorbeeld de steigergaten aan hun gevel een beetje open te laten staan. Vogels kunnen dan daar hun nest in bouwen. Een steigergat werd vroeger gebruikt om dwarsbalken van een steiger aan te bevestigen. Het gat werd vaak met een smeedijzeren sierdeksel afgedekt.” Martine toont het allernieuwste op de markt van nestkastjes. Het vogelhuisje is gemaakt van baksteen, zodat het niet opvalt in de rest van de muur. Een drietal stenen is op elkaar gestapeld. In het midden is een gat met daarachter een holle steen waarin de vogel zijn nestje kan bouwen. Het product komt uit Engeland. “Overal waar er gaatjes zijn of kleine plaatsjes, kan diversiteit heel vlug komen”, zegt Martine. “Terrassen kunnen wilde planten herbergen waar insecten op afkomen. Ieder jaar is er trouwens een beurs in Brussel waar wilde planten worden verkocht. Je kan ook natuurverenigingen helpen, een groendak laten plaatsen, klimplanten zetten of moestuintjes aanleggen. Er moet geen park zijn om iets aan de natuur te doen.” Ook bedrijven kunnen iets positiefs doen zonder dat het veel moet kosten. Er wordt volgens Martine te vaak gedacht dat de industrie niet compatibel kan zijn met de biodiversiteit. “Een compromis à la Belge is wel mogelijk. De oppervlakte in Brussel is niet zo groot, maar ieder bedrijf kan kleine acties ondernemen die ten goede komen aan de biodiversiteit.” Martine geeft het voorbeeld van Solvay. “Het bedrijfsterrein in Nederoverheembeek is zo beheerd dat er plaats blijft voor biodiversiteit. Er is een wilde plas, bepaalde delen van het gazon worden minder vaak of niet gemaaid zodat wilde bloemen en planten kunnen groeien en allerlei insecten kunnen aantrekken. Biodiversiteit kan immers niet alleen in natuurreservaten blijven.”
Eén van de grote voorbeelden van Martine is Dr. Jane Goodall, de wereldbekende Britse primatologe die aan haar acties voor de natuur vooral ook een sociale dimensie koppelt. Volgens Goodall staat alles in connectie met elkaar: mensen, dieren en de omgeving. “In haar projecten in Afrika wist Goodall de lokale bevolking te overtuigen om de bomen niet meer te kappen, maar er koffie te planten en de oogst te verkopen zodat er nog steeds een inkomen is voor hen én bomen. Goodall ijverde ook voor het concept van netwerken in natuurbehoud. Wanneer een soort geconcentreerd zit op één plaats, dan sterft ze uit. Een natuurcorridor om de natuur met elkaar te verbinden, zorgt voor vers bloed. Leefmilieu Brussel werkt zo al jaren”, zegt Martine. “Met ‘De Groene Wandeling’ bijvoorbeeld worden verschillende delen natuur met elkaar verweven. Er is een vermazing tussen de vlekjes groen zodat een groot geheel ontstaat. Ook in Molenbeek is er een project om de groene ruimtes te hechten aan groene corridors.”
“Jane Goodall stelt ook dat de prioriteit bij lokale initiatieven ligt. Goodall’s ‘roots&shoots’ project is daar een goed voorbeeld van. Netwerken van jongeren detecteren de problemen in hun omgeving en bekijken samen oplossingen die goed zijn voor de natuur, dier en mens. Zo wordt duidelijk dat iedereen iets kan doen om de wereld beter te maken. In Molenbeek bestaat al drie jaar het project waarbij mensen meter of peter kunnen worden van een boomvoet. De boomvoeten worden dan van bloemen en planten voorzien zodat bijen, insecten, vogels van de ene naar de andere bloem of plant kunnen vliegen.”
Volgens Martine is het al ‘een echte safari in Brussel’. “Tussen de stenen, in gebouwen, overal is er leven. Als je kijkt is er heel veel te zien en te horen. Mensen moeten dan niet meer naar het buitenland om op vakantie te gaan, maar komen tot rust in hun eigen gemeente.” Martine maakt de vergelijking met het liedje van de Franse zanger Francis Cabrel. In ‘Les Murs De Poussière’ zingt hij over een man die de wereld wil rondreizen op zoek naar iets beters, en het uiteindelijk vindt in zijn vertrouwde omgeving: “Il rêvait d’une ville étrangère … Il voulait trouver mieux que son lopin de terre, que son vieil arbre tordu au milieu. … Il a fait tout le tour de la terre …Il n’a pas trouvé mieux. Que son lopin de terre. Que son vieil arbre tordu au milieu.”
____________________________________________________________________________________
La biodiversité à Bruxelles: tout le monde peut y contribuer.
Interview Martine Wauters par Ingrid Molderez / Photo par Gaïa Kaboukos (LUCA)
Je prend le métro direction Gare de l’Ouest jusqu’à la station Comte de Flandre, en passent le canal, au cœur de Molenbeek. La raison de ma visite: Martine Wauters. En tant que conseillère à la Cellule Biodiversité à la commune de Molenbeek, coordinatrice du projet «La Maison de la Nature» et membre de différentes associations de protection de la nature, elle répond complètement à la définition d’une «amie de la nature», pas de manières, habillée en pantalon et veste polaire de teintes marron, chaussures de marche et un sourire chaleureux.
La biodiversité occupe une place très importante dans sa vie. Déjà à l’âge de dix ans, elle a écrit une lettre au comte Léon Lippens, le fondateur de la réserve naturelle «le Zwin» à Knokke, lui disant que plus tard, elle voulait devenir ornithologue. Elle a hérité cette passion pour les oiseaux de son père. Martine vivait avec ses parents à Schaerbeek. Pendant les weekends, la famille entreprenait souvent des excursions dans la nature. Après l’école, Martine allait souvent au Parc Josaphat, de telle manière que, très jeune, elle a découvert la nature dans la ville. Martine a fait des études de traduction, mais bon sang ne peut mentir: sa spécialité était la traduction des textes qui portaient sur la nature. Après treize ans de traduction, elle a décidé de combiner l’aspect créatif et l’aspect social. Elle a suivi une formation pour pouvoir entrer dans le «Conseil de l’Environnement». Sous la direction de «Coordination Senne», elle a organisé des excursions en bateau pour écoles afin d’attirer l’attention des jeunes sur la problématique de l’eau et de l’environnement. Ensuite, elle s’est installée à Molenbeek. Elle organise toujours des visites guidées et collabore à des projets sur la biodiversité à Bruxelles. Qui ne connait pas le poste d’observation «Faucons pour tous», un projet de l’Institut royal des Sciences naturelles de Belgique? Martine y était bénévole pendant presque trois ans. C’est la dixième année consécutive qu’un couple de Faucons pèlerins niche au sommet de la Cathédrale des Saints Michel et Gudule à Bruxelles. Un système de caméra permet de suivre l’évolution dans le nid des Faucons pèlerins. Selon Martine, ce poste d’observation prouve que la biodiversité contribue aussi à la cohésion social. «Les Faucons pèlerins sont des oiseaux magnifiques, et en les observant de plus près, on peut voir qu’il y encore d’autres espèces d’oiseaux qui y vivent.» Des gens de toute la Belgique viennent à Bruxelles uniquement pour observer les Faucons pèlerins. Ils sont tous tellement passionnés par la présence de ces oiseaux dans une ville comme Bruxelles, qu’ils commencent à se parler, sans se connaître au préalable.»
«Il y a tellement à voir dans la ville.» Martine mentionne les Martinets noirs, les Moineaux domestiques et les Rouges-queues qui vivent dans des édifices. Rien qu’à Molenbeek, elle a déjà observé 122 espèces d’oiseaux différentes. Cet été, Martine a vu pour la première fois à Bruxelles une nouvelle espèce de papillon: la Piéride de la moutarde. On peut trouver beaucoup d’espèces ornithologiques dans le Scheutbos, son endroit préféré, mais aussi près du canal, le seul endroit où l’on peut voir par exemple la Bergeronnette printanière. «Pendant l’hiver, le canal de Bruxelles est fascinant pour les amateurs d’oiseaux. Souvent, des oiseaux aquatiques comme des Fuligule milouin et même des Grand Harles y viennent hiverner, par exemple à Anderlecht au quai de Biestebroeck. Le canal occupe une place importante dans la vie des oiseaux migrateurs, comme les aigles de mer et les cigognes, étant donné qu’il constitue un point de repère pour eux. Pour l’instant, près du quai de Béco se déroule un projet test avec une île flottante pour pouvoir laisser couver les oiseaux. Si les îles se multiplient, les plantes pourront même faire en sorte que l’eau s’épure. De telles îles constituent des lieux d’approvisionnement en nourriture, les oiseaux peuvent y couver et les poissons peuvent y pondre leurs œufs dans les racines des plantes aquatiques. Neder-Over-Heembeek, une commune tout près de la station d’épuration, est également l’un des endroits préférés des espèces ornithologiques rares.»
“De nos jours, les gens sont tellement éloignés de la nature qu’ils commencent à en avoir peur. Les gens s’enferment dans leur maison, et de ce fait, ne voient plus rien de la nature dans la ville.» Lors de ses visites guidées, Martine attire l’attention des visiteurs sur ce qu’ils peuvent faire pour la biodiversité à Bruxelles. «Je leur montre les oiseaux dans les édifices et je leur fais comprendre qu’ils peuvent contribuer à la biodiversité, par exemple en laissant ouverts les trous de boulin de la façade de leur maison, dans lesquels les oiseaux peuvent faire leur nid. A l’époque, les trous de boulin étaient utilisés pour fixer les traverses d’un échafaudage. Le trou est souvent couvert par un couvercle en fer forgé.» Martine montre les dernières nouveautés du marché des nichoirs. Le nichoir est fait de briques, de manière à ce qu’il n’y ait presque pas de différence avec le reste du mur. Il est constitué de trois pierres empilées. Au milieu, il y a un trou, et là derrière se trouve une pierre creuse dans laquelle l’oiseau peut faire son nid. Le produit provient d’Angleterre. «Des trous ou des petits espaces peuvent rapidement stimuler la diversité», dit Martine. «Par exemple sur des terrasses, on trouve souvent des plantes sauvages qui attirent des insectes. D’ailleurs, à Bruxelles, on organise chaque année une foire où l’on vend des plantes sauvages. Il y a beaucoup de moyens pour contribuer à la biodiversité: soutenir une association de protection de la nature, placer une toiture verte, mettre des plantes grimpantes ou faire un jardin potager. Vous ne devez pas disposer d’un parc pour aider la nature.» Les entreprises peuvent également faire quelque chose de positif sans dépenser beaucoup d’argent. Selon Martine, on pense trop souvent que l’industrie ne peut pas être compatible avec la biodiversité. «Un compromis à la belge est bien possible. Bruxelles ne dispose pas d’une surface très grande, mais chaque entreprise peut quand même initier des actions en faveur de la biodiversité.» Martine donne l’exemple de Solvay à Neder-Over-Heembeek. Le terrain de l’entreprise est organisé de telle façon qu’il contribue à la biodiversité. On y trouve une grande mare et certaines parties de la pelouse sont tondues moins fréquemment que d’autres pour que des fleures et des plantes sauvages puissent y pousser et ainsi attirer des insectes. La biodiversité ne se limite pas aux réserves naturelles.»
L’une des personnes que Martine admire le plus, est la Dr. Jane Goodall, la primatologue britannique renommée qui a ajouté une dimension sociale à ses actions de protection de la nature. Selon Jane Goodall, tout est connecté: les gens, les animaux et l’environnement. «Pendant ses projets en Afrique, Jane Goodall a réussi à convaincre les habitants d’un village de ne plus couper les arbres, mais d’y planter des arbustes de café et de vendre la récolte, pour préserver les arbres et pour générer des revenus. Elle a également milité pour le concept des réseaux de sauvegarde de la nature. Quand une espèce végétale est concentrée exclusivement dans un endroit, elle s’éteint. Un corridor écologique sert à faire communiquer les différents espaces naturels. Bruxelles Environnement travaille de cette façon depuis des années», dit Martine. Grâce au projet de la «Promenade verte», différentes zones naturelles communiquent. Ainsi, tous les espaces verts forment un grand ensemble. A Molenbeek se déroule un projet qui a comme objectif de rattacher les espaces verts aux corridors écologiques.»
«Jane Goodall affirme également que les initiatives locales constituent la priorité. Son projet «Roots&Shoots» en est un bon exemple. Des jeunes analysent des problèmes qui se posent dans leur propre environnement et cherchent ensemble des solutions qui sont à la fois au profit de la nature, des animaux et des gens. Ainsi, ils comprennent qu’on peut tous agir pour un monde meilleur. A Molenbeek, il existe depuis trois ans un projet qui permet aux gens de devenir parrain ou marraine d’un arbre. Des fleurs et des plantes sont mises autour de l’arbre pour que les abeilles, les insectes et les oiseaux puissent voler d’une plante ou d’une fleur à l’autre.
Selon Martine, Bruxelles est déjà devenue «un vrai safari». Entre les pierres, dans les édifices, il y a de la vie partout. Si on regarde bien, il y a énormément à voir et à entendre. Les gens ne sont plus obligés d’aller à l’étranger pour passer leurs vacances. Ils peuvent se ressourcer dans leur propre commune. Martine fait la comparaison avec la chanson de Francis Cabrel. Dans «Les Murs de poussière», il parle d’un homme qui veut faire le tour du monde à la recherche de quelque chose de meilleur, mais qui finalement trouve son bonheur dans son entourage familier. “Il rêvait d’une ville étrangère … Il voulait trouver mieux que son lopin de terre, que son vieil arbre tordu au milieu. … Il a fait tout le tour de la terre …Il n’a pas trouvé mieux. Que son lopin de terre. Que son vieil arbre tordu au milieu.»
Le Pythagoras. Mon chemin de la vie.
Interview Théo Pelardis par Karolina Aleksandrova / Photo par Bastiaan Van Aarle (LUCA)
Théo nous ramène à la fin de l’année 1987, quand Le Pythagoras a été ouvert par son père et son oncle. Cela n’a pas été une mince prestation pour des étrangers à Bruxelles. Le choix de donner au restaurant le nom d’un mathématicien grec était symbolique. L’oncle de Théo est issu de Rhodos, où il travaillait dans un restaurant qui portait le nom Pythagoras.
Lors de sa jeunesse, quand il était encore au lycée, Théo et son frère aîné étaient impliqués dans l’entreprise familiale. En 1989, l’année dans laquelle il avait 17 ans, Théo a pris une décision qui changerait sa vie: il a quitté l’école afin d’aider son père dans le restaurant.
Quand je lui demande s’il a des doutes ou des regrets face à cette décision dure, Théo me répond: «Le restaurant était la première affaire de mon père, donc j’étais d’avis que je devais l’aider. Exploiter une affaire n’est pas un travail unipersonnel. C’était mon devoir en tant que fils de le soutenir. Il ne m’a jamais forcé à prendre cette décision. Elle était pour une moitié la mienne, et pour l’autre moitié le sort.»
«Mon père était complètement dévoué à son affaire», se rappelle-t-il. «Le restaurant, c’était sa vie, comme c’est aujourd’hui la mienne, et je ne le voyais guère. Il était tout le temps occupé avec son travail. Je le connaissais mieux dès que j’ai commencé à travailler dans son restaurant. Grâce à cela, nous avons créé les liens familiaux étroits que nous avons maintenant.
Aujourd’hui, Théo est seul à exploiter Le Pythagoras. Il avoue que «C’est un job exigeant et difficile. Je dois sacrifier beaucoup et souvent faire des compromis. Nous travaillons quand d’autres gens sont libres et c’est pourquoi ils viennent ici. Ce qui m’a gardé en cours toutes ces années et ce qui m’apporte beaucoup de satisfaction jour après jour, c’est de voir les gens heureux. Je rencontre des gens de près et de loin, de partout dans le monde, de tout âge. C’est une facette de mon job qui me plaît vraiment, c’est-à-dire la diversité culturelle à laquelle je suis exposé», dit-il, les yeux pétillants. «J’ai même fait la connaissance de mon épouse dans Le Pythagoras. C’était elle qui a mis le premier pas, et moi, j’ai accepté l’invitation», rit Théo.
A-t-il l’intention de passer l’entreprise familiale à ses enfants? Théo répond avec fermeté: «Le restaurant a été une tradition de deux générations. Il y a une fin à tout. Le Pythagoras est mon chemin de la vie, mais je ne veux pas que le restaurant devienne un jour le leur. J’essaie de les tenir à distance de mon affaire. Je les laisse choisir leur propre chemin.»
______________________________________________________________________________________
Pythagoras. Mijn levensweg.
Interview Théo Pelardis door Karolina Aleksandrova / Foto door Bastiaan Van Aarle (LUCA)
Zo’n honderd meter van het Weststation, op de De Rooverelaan, begint het verhaal van Theo Pelardis. We ontmoeten Theo op zijn werk in het midden van zijn voorbereiding voor het feestje van vanavond. Hij verwelkomt ons hartelijk en neemt ons mee naar een grote ruimte waar veel tafels staan met middenin een dansvloer.
Theo neemt ons terug naar eind 1987, het jaar waarin de Pythagoras werd geopend door zijn vader en oom. Dat was geen geringe prestatie voor buitenlanders in Brussel. De vernoeming van het restaurant naar een Griekse wiskundige was symbolisch. De oom van Theo is van Rhodos waar hij in een restaurant werkte dat trots de naam Pythagoras droeg.
In zijn jeugd, toen hij nog op de middelbare school zat, waren Theo en zijn oudere broer betrokken bij de familiezaak. In 1989, toen hij zeventien was, nam hij een beslissing die zijn leven zou veranderen: hij liet de school voor wat ze was en ging zijn vader in de zaak helpen.
Wanneer ik hem vraag of hij twijfels of spijt heeft van deze keuze, antwoordt Theo: “Het restaurant was de eerste zaak van mijn vader, dus vond ik dat ik hem moest helpen. Een zaak exploiteren is geen eenmanswerk. Het was mijn plicht als zoon om hem te steunen. Hij heeft mij nooit gedwongen om die beslissing te nemen. De beslissing was voor de helft de mijne, voor de helft het lot.”
“Mijn vader was helemaal toegewijd aan zijn zaak”, herinnert Theo zich. “Het restaurant was zijn leven, zoals dat vandaag het mijne is, en ik zag hem nauwelijks. Hij was heel de tijd met zijn werk bezig. Ik heb mijn vader beter leren kennen toen ik in zijn restaurant begon. Daardoor hebben we de hechte familieband opgebouwd, die we nu hebben.”
Vandaag baat Theo de Pythagoras alleen uit. “Het is een veeleisend en moeilijk beroep”, geeft hij toe. “Ik moet veel opofferen en vaak compromissen sluiten. Wij werken wanneer andere mensen vrij zijn en dat is waarom zij naar hier komen. Wat mij al die jaren aan de gang heeft gehouden en wat het voor mij elke dag de moeite maakt, is om de mensen gelukkig te zien. Ik ontmoet mensen van ver en dichtbij, van overal ter wereld, van elke leeftijd. Dat is iets wat ik echt leuk vind aan mijn werk - de culturele verscheidenheid waar ik aan blootgesteld word”, zegt Theo met fonkelende ogen. “Ik heb zelfs mijn vrouw leren kennen in de Pythagoras. Zij zette de eerste stap en ik aanvaardde de uitnodiging”, lacht Theo.
Heeft hij plannen om zijn kinderen de familiezaak verder te laten zetten? Theo antwoordt vastberaden: “Het restaurant is een traditie van twee generaties geweest. Elk pad eindigt ergens. Pythagoras is mijn levenspad, maar ik wil niet dat het dat van mijn kinderen wordt. Ik probeer hen weg te houden van mijn zaak. Ik laat hen hun eigen pad kiezen.”
Une porte ouverte
Interview Marie-Paule Moreau door Erica Mechelmans / Foto door Marie Wynants (LUCA)
Je sonne à la porte d’une maison modeste et discrète qui appuie de façon charmante contre les demeures dignes de la rue Tabora. A l’intérieur, les hautes armoires - pleines à craquer de livres et de magazines - respirent une atmosphère d’intemporalité et d’ambiance agréable. Le tapis contient des traces des personnes qui vont et viennent: ici, on a souvent la maison pleine. Le centre a bien mérité son nom: «Bruxelles Accueil Porte Ouverte». Le centre reçoit aussi des invités de marque: la reine Fabiola est venue admirer la crèche pendant le temps de Noël. Aujourd’hui je rencontre Marie-Paule Moreau, directrice du centre. Elle est une «vraie» Bruxelloise de souche. Elle s’engage quotidiennement pour l’avenir de Bruxelles.
La diversité et la ville de Bruxelles sont indissolublement liées. Marie-Paule nous raconte que Bruxelles était toujours ouverte à la différence. Après la Seconde Guerre mondiale, beaucoup de migrants sont venus à Bruxelles: des Italiens, des Espagnols, des Grecs et plus tard aussi des musulmans et d’autres groupes ethniques ou d’autres nationalités. Ces migrants s’établissaient souvent dans le quartier autour des stations de train et de bus. C’est ainsi que les quartiers typiques de Bruxelles comme autrefois Little Italy à la gare Bruxelles-Nord ou le quartier turc à la Chaussée de Haecht se sont formés. Parfois «l’épicentre» d’une culture particulière se déplace vers d’autre quartiers. Par conséquent, vous pouvez trouver un kaléidoscope culinaire de cuisines et de restaurants divers, répandus à travers toute la Bruxelles. Marie-Paule se souvient une tradition «pleine de goût» des années 60. Au début, beaucoup d’hommes italiens sont venus à Bruxelles sans famille. Et alors les mères italiennes cuisinaient des grands pots de pâtes et elles livraient ces repas à maison pour les hommes seuls: «Spaghetti della mamma per tutti».
Est-ce que tout le monde vit sur sa propre île? Marie-Paule se moque souvent de la solidarité. «Une enquête menée par Hans Vandecandelaere a démontré que 171 nationalités vivent en société à Bruxelles. Le plus souvent, ça se passe très paisiblement, et des liens de coopération surgissent régulièrement. De Polonais et des Libanais qui ouvrent un commerce automobile et qui se sont trouvés dans l’entrepreneuriat, ne font pas exception.»
Les routes d’innombrables personnes se croisent ici, au centre de Belgique. «Les gens de toutes sortes de traditions ont trouvé leur chemin jusqu’à Bruxelles. Cependant la porte est ouverte à chacun qui a des questions de nature sociale, familiale ou religieuse. Chrétien, musulman, juif ou bouddhiste: tout le monde est le bienvenu. Beaucoup de musulmans rendent visite au services sociaux parce qu’on les aide ici en arabe.»
Le centre fonctionne sur la base d’une vision humaniste et forge des liens au dessus des traditions. Une affiche titrée «Uit Abraham geboren» qui joint des éléments de la tradition juive, chrétienne et islamique illustre leur point de départ: malgré les différences, il y une solidarité essentielle. Le dialogue interreligieux ne se limite pas aux quatre coins de Bruxelles Accueil. Dans l’hôtel de ville on organise par exemple des célébrations pour ceux qui sont morts sur la route l’année dernière. De chaque tradition religieuse il y a un représentant présent. L’imam, le prêtre, le rabbin: ensemble ils disent adieu aux défunts. La foi ne connaît peu de limites ici, à Bruxelles.
________________________________________________________________________________
Een open deur
Interview Marie-Paule Moreau door Erica Mechelmans / Foto door Marie Wynants (LUCA)
Metro 5, halte Delta. Ik geraak er aan de praat met een man die in de Driebruggenstraat blijkt te wonen, vlak bij Delta. Metro 5 brengt hem op geregelde basis naar De Brouckere waar hij als vrijwilliger werkt bij ‘Brussel Onthaal Open Deur’. Na zijn boeiende verhaal besluit ik zelf een bezoekje te brengen aan het centrum.
Ik bel aan bij een onopvallend huisje dat gezellig leunt tegen de statige huizen in de Taborastraat. Binnen ademen de hoge kasten -tot de nok gevuld met boeken en tijdschriften- een sfeer van tijdloosheid en gezelligheid. Het tapijt toont sporen van het komen en gaan van mensen: hier krijgt men duidelijk veel volk over de vloer. Het centrum heeft haar naam niet gestolen: ‘Brussel Onthaal Open Deur’. Het centrum ontvangt ook hoog bezoek: Koningin Fabiola kwam hier rond de kersttijd de kerstkribbe bewonderen. Vandaag ontmoet ik Marie-Paule Moreau, directrice van het centrum. Zij is een echte Brusselse, geboren en getogen in Brussel. Dagelijks zet ze zich in voor de toekomst van Brussel.
Diversiteit en Brussel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Marie-Paule vertelt dat Brussel steeds openstond voor verschillen. Na de tweede wereldoorlog kwamen vele migranten naar Brussel: Italianen, Spanjaarden, Grieken en later ook moslims en andere bevolkingsgroepen en nationaliteiten. Migranten vestigden zich vaak in de buurt van trein- en busstations. Zo ontstonden de typische buurten in Brussel zoals Little Italy destijds aan het Noordstation of de Turkse buurt aan de Haachtsesteenweg. Soms verplaatst het epicentrum van een bepaalde cultuur zich naar andere wijken. Bijgevolg vind je verspreid over Brussel een culinaire caleidoscoop van diverse keukens en restaurantjes. Marie-Paule herinnert zich een ‘smaakvolle’ traditie uit de jaren 60. Vele Italiaanse mannen kwamen aanvankelijk zonder hun familie naar Brussel. De Italiaanse moeders kookten grote potten pasta en bezorgden deze maaltijden aan huis voor de eenzame mannen: ‘Spaghetti della mamma per tutti’.
Leeft ieder dan op zijn eigen eiland? Marie-Paule spot heel wat solidariteit. “Uit een onderzoek van Hans Vandecandelaere blijkt dat in Brussel 171 nationaliteiten samenleven. Doorgaans verloopt dat heel vredig. Er ontstaan zelfs regelmatig samenwerkingsverbanden. Polen en Libanezen die samen een autohandel opstarten en elkaar vinden in het ondernemen, zijn geen uitzondering.”
De wegen van ontelbare mensen kruisen in dit centrum. “Mensen van alle mogelijke tradities vinden hun weg naar hier. De deur staat echter open voor iedereen die vragen heeft op sociaal, familiaal of religieus gebied. Christen, moslim, jood, boeddhist: iedereen is welkom. Veel moslims bezoeken de sociale dienst omdat ze geholpen worden in het Arabisch.”
Het centrum werkt op basis van een humanistische visie en smeedt banden over tradities heen. Een affiche ‘Uit Abraham geboren’ met vertakkingen van de joodse, christelijke en islamitische traditie illustreert hun uitgangspunt: ondanks verschillen is er een essentiële samenhorigheid. De interreligieuze dialoog beperkt zich niet tot de vier muren van Brussel Onthaal. In het stadhuis worden er bijvoorbeeld vieringen georganiseerd voor zij die het voorbije jaar op straat gestorven zijn. Van elke geloofstraditie is er een vertegenwoordiger aanwezig. De imam, de priester, de rabbijn: samen nemen zij afscheid van de overledenen. Geloof kent weinig grenzen hier in Brussel.
Weststation / Gare de l'Ouest - photos by Estelle Vastenaekel (LUCA)
Verhuisd op één april
Interview Alea Fairchild door Guoda Samaliangte & Gunda Dragasiute / Foto door Jonathan De Mont (LUCA)
Nadat ze afgestudeerd was, keerde Alea terug naar de Verenigde Staten, maar slechts voor korte tijd. Ze kwam terug naar België en bleef er. Waarom? Het antwoord is eenvoudig: vanwege de liefde. “Ik ben getrouwd met een aardige Belgische kerel. Eigenlijk heb ik het hele pakket gekregen, inclusief familie! Vandaag heb ik een Belgische echtgenoot, Belgische kinderen en Belgische kleinkinderen.”
Toch is Alea een beetje vreemd. Ze is niet alleen professor aan de universiteit, maar ook een professioneel atleet die voor België uitkomt. Welk soort sport kan men zich afvragen. Wielrennen, hardlopen of zwemmen? Niet echt. Het is gewichtheffen. Pardon? “Ik doe aan Olympisch gewichtheffen. Ik zit op masterniveau. Dat is voor mensen van 35+, dus eigenlijk voor oudjes”, lacht Alea. “Gewichtheffen is geen alledaagse sport, zeker niet voor vrouwen. In België zijn er zo’n zeven tot acht vrouwen competitief gewichtheffer. Mijn carrière als gewichtheffer is op mijn veertigste begonnen. Ik zat in een midlifecrisis. Sommigen kiezen dan voor een sportwagen of een nieuw lief. Ik koos voor gewichtheffen”, lacht Alea.
Alea traint vier dagen per week. Ze geniet ervan om naar de club te gaan en samen met andere mensen te trainen: “Ik zit in een groep van twintigjarige jongens, maar mijn man staat dat toe (gelach). Deze jonge kerels hebben echt respect voor mij omdat ik de leeftijd van hun moeder heb.”
Het is vrij duidelijk dat zo’n buitengewone vrouw als Alea niet in een ordinaire stad zou kunnen wonen, en dat is waarom ze zich in Brussel gevestigd heeft. “Het is een stad, maar niet bepaald met hoofdletter S. Ze is niet zo stedelijk. Het is hier niet alsof je in het midden van Manhattan zou wonen. Als je het openbaar vervoer neemt, heb je veel kans dat je iemand ontmoet die je kent. Brussel is meer een dorp. Iedereen kent iedereen.”
Het bijzondere van Brussel als multiculturele maatschappij heeft z’n eigen paradox. De mensen praten verschillende talen zelfs als dat lastig is voor hen. “Bijvoorbeeld: enkele dagen geleden nam ik de metro en ik hoorde twee mannen Frans praten met elkaar maar uiteindelijk bleken ze beiden van Ierland te zijn”, lacht Alea.
Net voor we afscheid nemen, geeft Alea een suggestie. “Waarom kom je niet bij mijn club? Denk eens na over gewichtheffen.” Ze knipoogt naar ons, lacht breed en neemt met een bulderlach afscheid!
____________________________________________________________________________________
J’ai emménagé à Bruxelles un 1er avril
Interview Alea Fairchild par Guoda Samaliangte & Gunda Dragasiute / Photo par Jonathan De Mont (LUCA)
«J’ai emménagé à Bruxelles un 1er avril. Ca veut dire quelque chose», s’exclame Alea Fairchild avec un grand sourire aux lèvres et un regard pétillant. Voilà un début de conversation très prometteur! Alea quitte les États-Unis en 1990 pour venir étudier à Bruxelles. Pendant ses études, elle se lance en parallèle dans une carrière internationale: elle travaille à Paris et vit à Bruxelles. «Ce n’était pas aussi pratique qu’aujourd’hui: le trajet simple prenait trois heures, il n’y avait pas d’ordinateurs portables ou de disques durs pour stocker les informations; du coup, on se baladait avec un tas de disquettes.»
Après ses études, Alea retourne aux États-Unis, mais seulement pour un temps. Elle revient en Belgique et y reste. Pourquoi? La réponse est simple: l’amour! «J’ai épousé un Belge très chouette. En fait, j’ai eu le lot: la famille et tout! Maintenant, j’ai un mari, des enfants et des petits-enfants merveilleux, et ils sont tous belges!»
Cela dit, Alea est un peu spéciale. Elle est non seulement professeur à l’université, mais aussi athlète professionnelle en compétition pour la Belgique. Quel genre de sport, direz-vous: cyclisme, course à pied, natation? Pas du tout. Haltérophilie. Pardon? «Je fais de l’haltérophilie au niveau international et olympique. Je suis dans la catégorie des masters, c’est pour les gens de 35 ans et plus. Les vieux, quoi», dit Alea en riant. «Ce n’est pas un sport habituel, surtout pour les femmes; en Belgique il n’y a que 7 ou 8 femmes qui font de l’haltérophilie en compétition. Ma carrière d’haltérophile a débuté quand j’avais 40 ans. C’était un peu comme la crise de la quarantaine: les gens achètent une voiture de sport, ils ont de nouveaux amoureux; moi, j’ai eu l’haltérophilie», lâche-t-elle en plaisantant.
Alea s’entraîne un jour sur deux. Elle aime aller au club et s’exercer avec d’autres gens: «Je côtoie des garçons de 20 ans, mais mon mari me laisse faire (rires). Ces jeunes-là ont vraiment du respect pour moi, parce que j’ai l’âge de leur mère et que je m’entraîne un jour sur deux.»
De toute évidence, une femme aussi extraordinaire qu’Alea ne peut pas vivre dans une ville ordinaire, c’est pourquoi elle vit à Bruxelles. «C’est une ville, mais pas avec un grand V. Elle n’est pas trop urbaine, ce n’est pas comme si vous viviez en plein cœur de Manhattan. Quand vous prenez les transports en commun, vous êtes susceptible de tomber sur une connaissance; c’est comme un village, tout le monde se connaît.»
Bruxelles, société multiculturelle exceptionnelle, a son paradoxe. Les gens parlent des langues différentes même si cela peut ne pas être très pratique pour eux. «Je vous donne un exemple: il y a quelques jours, en prenant le métro j’ai entendu deux types qui parlaient français, mais en fait, ils étaient… irlandais», dit-elle en riant.
Juste avant de prendre congé, Alea nous suggère ceci: «Cela vous plairait de venir au club? Pensez à l’haltérophilie», elle nous fait un clin d’œil avec un grand sourire et nous salue dans un rire bruyant.
Bruxelles: une ville changeante, vivable, européenne
Interview Michele Chang par Chatzi Aikaterini & Sofia Boutsouki / Photo par Rob Funcken (LUCA)
Ixelles, où elle vit maintenant, est son quartier préféré. «Ixelles a tout ce dont j’ai besoin: des boutiques, des cafés, des restaurants sympas, un accès aisé aux autres parties de la ville, un bon réseau de transport.» Comme elle n’a pas de voiture, elle trouve les transports publics très utiles. Elle utilise le métro et le train tous les jours pour aller au collège, à Bruges.
Son appartement est l’endroit idéal pour la découvrir. «Mon appartement est un petit tour du monde pour moi», dit-elle d’un air rayonnant. Dans chaque coin de la maison, il y a une myriade de souvenirs du monde entier. Un tapis de Turquie, une housse d’Indonésie, un cadre mural du Mexique, un miroir d’Égypte, des cadres d’Indonésie et du Kenya, un poster de Thaïlande et une peinture de Chine. Une immense collection d’aimants décore par ailleurs son frigo. «Les aimants sont de chouettes souvenirs: concrets, petits, compacts.»
En ce qui concerne ses loisirs, ce qu’elle préfère, c’est retrouver ses amis et leur préparer à manger. Elle fait aussi partie d’un club de cuisine où ils organisent une fois par mois une auberge espagnole sur des thèmes chaque fois différents. Michele est par ailleurs membre d’un club de fitness où elle suit les cours de yoga. Mais elle avoue détester ça. «Mon corps se sent mieux après, mais pendant le cours, je n’apprécie pas du tout!»
Michele adore voyager. Pendant ses deux premières années à Bruxelles, elle a profité de la situation géographique de la ville pour voyager beaucoup. Elle est allée un peu partout dans le monde. «L’Italie a été ma destination préférée pendant plusieurs années. Ce pays a tellement à offrir! Bruxelles est très différente. Tout ce qui me vient en tête concernant cette ville est lié à l’internationalisme et au multiculturalisme.» Elle ne peut s’imaginer vivre ailleurs que dans la capitale belge. «Ce n’est pas une grande ville très étendue, mais elle est très internationale. Les gens vont et viennent des quatre coins du monde. Bruxelles est une sorte de voie d’accès vers d’autres lieux. Je pense que le groupe de gens que je connaissais en 2009 n’a rien à voir avec les gens que je connais maintenant! La vie continue, comme ils disent…»
______________________________________________________________________________________
Brussel: verandering, leefbaar, Europees
Interview Michele Chang door Chatzi Aikaterini & Sofia Boutsouki / Foto door Rob Funcken (LUCA)
Michele Chang is professor aan het Europacollege in Brugge. Ze werd geboren in Michigan, waar ze haar jeugd doorbracht, en studeerde in Californië. Nadat ze afstudeerde aan de Universiteit van Californië in San Diego, werkte ze aan de Colgate University, een liberal arts college in het binnenland van de staat New York. Van daar verhuisde ze naar Brussel.
Haar favoriete gemeente is Elsene, waar ze nu woont. “Elsene heeft alles wat ik nodig heb: winkels, cafés, leuke restaurants, gemakkelijke toegang tot andere delen van de stad, goed vervoer.” Ze heeft geen eigen auto en vindt het openbaar vervoer dus heel nuttig. Elke dag gebruikt ze zowel de metro als de trein aangezien haar universiteit in Brugge gelegen is.
Haar flat is een ideale plaats om haar te leren kennen. “Mijn flat is als een kleine wereldreis voor mij”, straalt ze. In elke hoek van het huis staan er tal van souvenirs van over de hele wereld. Een tapijt uit Turkije, een losse meubelhoes uit Indonesië, een muurlijst uit Mexico, een spiegel uit Egypte, enkele kaders uit Indonesië en Kenia, een poster uit Thailand en een schilderij uit China. Bovendien siert een reusachtige collectie magneetjes haar koelkast. “Magneten zijn leuke souvenirs: concreet, klein en compact.”
Wat haar vrije tijd betreft, geeft ze de voorkeur aan vrienden ontmoeten en voor hen koken. Ze maakt ook deel uit van een kookclub waarvan de deelnemers eens per maand een etentje organiseren waar de gasten zelf hun eten meebrengen. Elk etentje heeft een thema. Bovendien is Michele lid van een fitnessclub en gaat ze naar de yogales. Maar die lessen haat ze, geeft ze toe. “Mijn lichaam voelt nadien beter, maar tijdens de les geniet ik er helemaal niet van.”
Michele houdt van reizen. De eerste twee jaar dat ze in Brussel was, profiteerde ze van de geografische ligging van de stad en reisde ze uitgebreid. Ze bezocht plaatsen over heel de wereld. “Italië is gedurende jaren mijn favoriet geweest. Het heeft zo veel te bieden. Brussel is heel anders. Alles waar deze stad mij aan doet denken heeft te maken met internationalisering en multiculturalisme.” Ze ziet zich nergens anders wonen. “Brussel is niet echt groot en uitgestrekt, maar toch heel internationaal. Mensen van over de hele wereld komen en gaan. Brussel is een soort poort naar andere plaatsen. Ik denk dat de groep mensen die ik in 2009 kende helemaal verschillend is van de mensen die ik nu ken. Het leven gaat verder, zoals men zegt.”
Een groen verhaal met ondergrondse roots
Interview Annemie Pijcke par Jurgen Quinteyn / Photo par Eva Beazar (LUCA)
Hoewel Annemie oorspronkelijk opgroeide in het nabijgelegen Sint-Lambrechts-Woluwe, woont ze al 20 jaar in de Josse Smetslaan, op wandelafstand van het metrostation. “Tot voor kort waren we niet in het bezit van een eigen wagen. Het was dus moeilijk voor ons om ’s avonds en ’s nachts een uitstapje te maken in de stad.” Hiermee geeft Annemie meteen het grote voordeel van de stelplaats prijs. “In tegenstelling tot andere haltes, rijden de metro’s hier tot veel later op de avond en hoeven we ons geen zorgen te maken over de terugreis.” Dit is dan ook de hoofdreden waarom Annemie en haar echtgenoot Werner hun oog lieten vallen op een rijwoning in Oudergem. “Rond de kerstperiode van 1993 botsten we toevallig op een woningadvertentie in een plaatselijk weekblad. We namen de fiets om een kijkje te gaan nemen en zowel wij als het huis waren dadelijk verkocht!”
De rustige, doch prijzige wijk wordt gekenmerkt door de multiculturele folklore en etnische diversiteit van de bewoners. “Toen we hier net onze intrek namen, werden de huizen en appartementen vooral bevolkt door oudere paren die hier geboren en getogen waren. In die tijd was een huisje hier nog betaalbaar. Doorheen de jaren zagen we zowel de omgeving als haar inwoners veranderen.” Deze stelling van Annemie wordt gestaafd door de aanwezigheid van de internationale en Japanse school in de buurt. “We zijn omringd door Spanjaarden, Fransen, Aziaten, noem maar op! Mensen die hun zaak of lucratieve bezigheid in de hoofdstad hebben en hier een thuis en school voor hun kinderen vonden. Zoveel verschillen en toch vormt deze wijk een hecht blok. Tal van evenementen en feestelijkheden worden jaarlijks georganiseerd waarbij ieder van ons zijn of haar steentje kan bijdragen. Zelfs in het plaatselijke jeugdhuis vinden we als oudere generatie onze gading, niemand die ervan opkijkt!”
Ook Annemies zonen zouden zich geen leven buiten de stad kunnen voorstellen. “We stellen onze twee zonen van 17 en 15 vaak de vraag of ze niet liever naar het platteland zouden trekken, dichter bij onze Vlaamse wortels en familie. Maar tot op de dag van vandaag was het antwoord unaniem negatief. Ze hebben hier hun vrienden, school, gewoonten en bezigheden. Omwille van de levendige sfeer en de bereikbaarheid van de grootstad zijn ze hier niet weg te slaan.”
Wat opvalt in het huis is de gang die tot ware fietsenstalling werd omgedoopt. “Zowel ik als de rest van het gezin zijn dol op fietsen. Het is zonder twijfel het belangrijkste vervoersmiddel en bepaalt een groot stuk van ons dagelijkse leven.” Annemie werkt sinds 2007 in de openbare bibliotheek van Hoeilaart, een Vlaamse gemeente niet ver van Oudergem. Als het weer en de werkuren het toelaten, neemt Annemie zonder aarzelen de fiets.“We zijn groene mensen en deinzen niet gauw terug voor een winterprik. Toen de kinderen wat ouder werden, waren we genoodzaakt een wagen aan te schaffen voor bepaalde activiteiten. Maar het liefst van al verplaatsen we ons op twee wielen in plaats van vier. Al kan een prik van Koning Winter ons soms tot de bus verleiden. We proberen te genieten van elk streepje groen dat de natuurlijke omgeving rond Oudergem ons biedt.”
Naast haar groene ‘mindset’, zet Annemie zich ook in voor de gemeenschap en doet ze iets terug voor de stad waar ze haar hart verloor. Ze is al 16 jaar lang actief bij de ‘BRAL’ (Brusselse Raad voor het Leefmilieu) waar ze zich inzet voor een beter woon- en leefmilieu. Ze ijvert ervoor de woningen betaalbaar te houden voor jonge gezinnen en de buurt ecologisch aantrekkelijker te maken met het oog op de toekomst. Naast haar vaste job als bibliothecaresse, geeft de Brusselse sinds 1990 ook rondleidingen als stadsgids voor de vereniging ‘Brukselbinnenstebuiten’. “Vorige week had ik nog studenten uit het Gentse over de vloer. Bepaalde plaatsen in Brussel vormden voor die gastjes een echte cultuurshock. Zo denk ik maar aan de culturele overgang tussen het Europees kwartier en de Matongé. Wat voor mij deel uitmaakt van het dagelijks reilen en zeilen in de grootstad, gaf hen het gevoel in een compleet nieuwe wereld te vertoeven. Zo zie je maar hoe Brussel toch net ietsje anders is.”
Op de vraag of ze ooit nog zou kunnen aarden buiten een stedelijke omgeving weet Annemie zelf niet meteen het antwoord. Ze lijkt moeilijk afstand te kunnen doen van de mogelijkheden en innerlijke rust die ‘de stad der Kiekefretters’ haar te bieden heeft. “Het klinkt paradoxaal, maar groene mensen zoals ik vestigen zich het best in de stad. Iedere plek, activiteit of bezienswaardigheid is te bereiken met het openbaar vervoer. Nergens wordt er meer voor de bewoners georganiseerd en mogelijk gemaakt dan hier. Enkel een klein boerderijtje dichter bij de familie zou me van gedachten kunnen doen veranderen. Misschien als de kinderen ooit het huis uit zijn? Nu ligt ons leven hier, in ons eigen huisje met tuintje, een oase van rust te midden van de drukte.” Wat wil een mens meer?
______________________________________________________________________________________
Une histoire verte aux origines souterraines
Interview Annemie Pijcke par Jurgen Quinteyn / Photo par Eva Beazar (LUCA)
Dès qu’on entre dans la station de métro Delta, l’atout de ce quartier saute aux yeux. Non seulement la station propose une correspondance avec le réseau ferroviaire, mais en plus elle possède l’un des principaux dépôts de métro dans l’arrondissement bruxellois. «C’est très important pour les gens qui aiment sortir le soir», me dit Annemie Pijcke, épouse engagée socialement et mère de deux adolescents.
Annemie a été élevée dans une commune proche (Woluwe-Saint-Lambert), mais elle habite depuis vingt ans déjà dans l’avenue Josse Smets à Auderghem, à proximité de la station de métro. «Il y a peu de temps encore, nous n’avions pas de voiture. Il était donc difficile de sortir en ville.» Ce problème révèle le grand atout du dépôt. «Contrairement à d’autres arrêts, ici, les métros roulent plus tard le soir et nous ne devons pas nous faire de soucis pour le retour.» Voilà la raison principale qui a suscité l’intérêt d’Annemie et de son époux Werner pour la maison mitoyenne qu’ils habitent à Auderghem. «En 1993, aux alentours de Noël, nous sommes tombés par hasard sur une annonce immobilière dans un hebdomadaire local. Nous avons pris le vélo pour aller voir et nous sommes tombés amoureux de la maison.»
Le quartier calme mais coûteux se caractérise par son folklore multiculturel et la diversité ethnique de ses habitants. «Lorsque nous nous sommes installés ici, les maisons et les appartements étaient surtout habités par des couples âgés, des personnes qui sont nées et ont grandi ici. À l’époque, une maison dans ce quartier était encore abordable. Au fil des ans, nous avons vu l’environnement et les habitants changer.» Cette thèse d’Annemie est renforcée par la présence à deux pas de chez elle de l’école internationale et de l’école japonaise qui attirent différentes nationalités. «Nous sommes entourés d’Espagnols, de Français, d’Asiatiques, etcetera! Ce sont des personnes qui ont une entreprise ou une occupation lucrative dans la capitale et qui y ont trouvé un domicile et une école pour leurs enfants. Il y a tant de différences! Pourtant, les habitants du quartier sont très proches les uns des autres. Chaque année, nous organisons une série d’événements et de festivités où tout le monde y met du sien. Même dans la maison des jeunes du quartier, les plus âgés trouvent des choses qui leur plaisent, personne ne s’étonne plus!»
Les fils d’Annemie n’imaginent pas non plus vivre hors de la ville. «Nous demandons régulièrement à nos fils de 17 et 15 ans s’ils ne préfèreraient pas aller habiter à la campagne, plus près de nos villages origines et de notre famille flamande. Mais jusqu’à présent, la réponse a toujours été négative. Ils ont leurs amis ici, leur école, leurs habitudes et leurs occupations. En raison de l’ambiance animée et de l’accessibilité de la métropole, ils ont pris racine ici.»
Ce qui frappe dans la maison de la famille d’Annemie, c’est le couloir qui a été converti en garage à vélos. «Toute notre famille adore faire du vélo. Pour nous, c’est sans aucun doute le moyen de transport le plus important, il détermine donc une grande partie de notre vie quotidienne.» Depuis 2007, Annemie travaille à la bibliothèque publique de Hoeilaart, une commune flamande proche d’Auderghem. Quand le temps et ses horaires de travail le permettent, Annemie prend le vélo. «Nous sommes des personnes «écologiques» et nous n’avons pas peur de l’hiver. Quand les enfants ont grandi, nous avons dû acheter une voiture pour certaines activités. Mais nous préférons nous déplacer sur deux roues au lieu de quatre, bien qu’une offensive de l’hiver puisse parfois nous inciter à prendre le bus. Nous essayons tout simplement de jouir de toute la nature que les environs d’Auderghem nous offrent.»
En plus de ses efforts écologiques, Annemie s’engage également pour la communauté et pour la ville qui a conquis son cœur. Depuis 16 ans déjà, elle est active au sein du BRAL (Brusselse Raad voor het Leefmilieu) où elle œuvre à un environnement meilleur. Elle s’investit en faveur de logements abordables pour les familles jeunes et d’un quartier écologiquement attrayant pour le futur. Une fois remisé son habit de bibliothécaire, notre Bruxelloise organise (depuis 1990) des visites guidées pour l’association Brukselbinnenstebuiten. «La semaine dernière, des étudiants gantois m’ont rendu visite. Certains endroits à Bruxelles ont provoqué un véritable choc culturel dans l’esprit de ces jeunes, par exemple la transition culturelle entre le quartier européen et Matongé. Ce qui, pour moi, fait partie du train-train quotidien de la métropole leur donnait le sentiment de se retrouver dans un tout autre monde, ce qui prouve que Bruxelles est tout de même un tout petit peu à part.»
À la question de savoir si elle pourrait encore vivre en dehors d’un environnement urbain, Annemie est incapable de répondre. Il semble qu’elle aurait du mal à s’éloigner des possibilités et de la tranquillité interne que lui offre la «ville des mangeurs de poulet» («stad der Kiekefretters», un des surnoms de Bruxelles). «Cela peut paraître paradoxal, mais les personnes sensibles à l’écologie comme moi se sentent mieux en ville. Chaque lieu, activité ou curiosité est accessible en transport en commun. Il n’existe pas d’autre endroit proposant autant de possibilités aux habitants. Une fermette plus proche de ma famille est la seule chose qui pourrait me faire changer d’avis. Peut-être quand les enfants auront quitté la maison? Aujourd’hui, notre vie est ici, dans notre maison avec jardin, notre oasis de calme au milieu de l’animation.» Que demander de plus?