Beaulieu - photos by Johnatan Somirs (LUCA)
seen from Iraq
seen from Georgia
seen from India
seen from United States

seen from Italy

seen from Russia
seen from Italy
seen from China
seen from Singapore
seen from Sweden

seen from United States
seen from Türkiye
seen from Australia
seen from Poland
seen from China
seen from Georgia
seen from China

seen from Sweden
seen from Netherlands
seen from Yemen
Beaulieu - photos by Johnatan Somirs (LUCA)
Ketsu ga aoi
Interview par Lukas Jäger / Photo par Pieter Verhaert (LUCA)
Il y a deux ans qu’elle venait de Kyoto à Bruxelles, passionnée par d’autres cultures. Si je demande des questions sur sa connexion avec ce nouvel habitat, ça ne prend pas beaucoup de temps avant que nous parlons des différences culturelles. Que pense-t-elle par exemple d’un baiser sur la joue, habitude locale pour se saluer? «Alors, la première fois que je l’ai rencontrée, c’était un peu bizarre. Dans ma période initiale de travaille, il y a eu un homme complètement étranger qui m’a rapproché dans la rue. Il me donnait un baiser sur la joue et me demandait «ça va?» Je pensais que c’était normale en Belgique, mais quand je le disais à mes collègues après coup, c’était clair que ce n’est pas l’habitude en Belgique de donner de baisers à tout le monde. Il se passe que j’interprète des actions d’une mauvaise façon, mais heureusement j’ai des collègues aimables sur qui je peux compter pour obtenir des explications supplémentaires.»
Si elle peut facilement nouer des contacts en Belgique, outre que ses collègues? «Oui bien sûr, je joue du basket chez une équipe japonaise, mais je ne suis pas vraiment une vedette et récemment j’ai aussi commencé le kendo, qui est un sport de combat avec des épées en bamboo. Je ne le connais pas au Japon, mais maintenant je l’apprends en Belgique. Mes amis du club sont très professionnels et ils sont surtout aimables. En outre, j’apprends aussi la langue française où j’ai rencontré beaucoup d’amis, dont beaucoup des Italiens et des Roumains.»
Qu’est-ce qu’elle apprécie à Bruxelles? Madame Kubo aime si les gens jouent de la musique dans le métro. «C’est un luxe puisque les trains et les métros sont toujours débordés au Japon. Alors, c’est une expérience totalement différente d’y prendre le transport publique. C’est la tâche des employés des sociétés de transport pour rassembler le plus grand nombre de gens dans un wagon que possible. Les femmes sont parfois y ennuyées par les hommes. Voilà pourquoi qu’il s’agit des wagons seulement pour des femmes. Il y a aussi des hommes qui prennent les poignées avec les deux mains pour montrer qu’ils sont distingués.»
Tout à coup, madame Kubo inverse les rôles. Elle me demande ma connexion avec le Japon. Je réfléchis un instant et dis: «J’ai travaillé volontairement dans une école en Thaïlande pendant un an. J’y ai travaillé et cohabité avec une Japonaise pendant cinq mois. Elle était comme une sœur aînée pour moi car j’étais encore bleue en ce temps-là.» Il est clair qu’elle ne connait pas cette expression. Après l’avoir expliqué, elle commence à rire et puis elle rigole. Elle me regarde et dit: «Ketsu ga aoi. Normalement nous la disons de quelqu’un qui n’a pas beaucoup d’expérience.»
Une fois rentrée à la maison, j’ai fais des recherches, et tout à fait, l’expression «Ketsu ga aoi» est l’équivalent japonaise pour une tache de naissance bleue temporaire. Donc littéralement ça veut dire «un derrière bleu» Je suis sûre que cette conversation restera dans ma pensée pendant quelques temps!
_____________________________________________________________________________________
Ketsu ga aoi
Interview door Lukas Jäger / Foto door Pieter Verhaert (LUCA)
Ter hoogte van de Oudergemse avenue Nippon sta ik op meer dan 9000 kilometer van Japan. Mijn reis naar het Verre Oosten begint aan een Brusselse schoolpoort. Mijn gastvrouw ontvangt me glimlachend aan de Japanse School. Mevrouw Kubo werkt er als onderwijzeres.
Twee jaar geleden kwam ze vanuit Kyoto richting Brussel, gedreven door haar interesse voor andere culturen. Wanneer ik peil naar haar connectie met deze nieuwe woonomgeving komen de culturele verschillen dan ook al snel ter sprake. Wat vindt ze bijvoorbeeld van een kus op de wang, een plaatselijke manier om elkaar te groeten? “Wel, de eerste keer dat ik dat meemaakte was nogal vreemd. In de beginperiode dat ik hier werkte kwam er eens een wildvreemde man op straat naar me toe. Hij gaf me een kus op de wang en vroeg ‘ça va’? Ik dacht, dit is België, dit is normaal. Maar toen ik het er achteraf met m’n collega’s over had bleek al snel dat er toch niet zo los met kussen gegooid wordt. Ik heb het wel eens voor dat ik een handeling verkeerd interpreteer, gelukkig genoeg kan ik terugvallen op lieve collega’s voor wat extra uitleg, ze helpen me veel.’’
Of ze naast haar collega’s ook gemakkelijk nieuwe contacten kan leggen in België? “Ja hoor, ik speel basketbal bij een Japanse ploeg, maar ik ben niet echt een topspeler, hoor. Onlangs ben ik ook gestart met kendo, een gevechtsport met bamboezwaarden. Ik kende dat niet in Japan, maar nu leer ik het hier in België. Mijn clubmaats zijn er zeer goed in en het zijn bovenal fijne mensen. Daarnaast volg ik ook Franse les, daar ontmoet ik heel wat nieuwe vrienden, dat zijn dan weer Roemenen en Italianen.’’
Wat apprecieert ze zoal in Brussel? Mevrouw Kubo houdt ervan dat mensen muziek spelen in de metro. Dat is een luxe, in Japan zitten treinen en metrostellen immers overvol. Het openbaar vervoer nemen is er dan ook een heel ander gegeven. Vervoersmaatschappijen hebben werknemers wiens taak het is om zoveel mogelijk reizigers in een wagon te persen. In die overvolle metrostellen worden vrouwen dan ook wel eens lastig gevallen door mannen. Daarom heb je aparte wagons voor vrouwen. Sommige mannen houden de handgrepen vast met beide handen, om te tonen dat ze fatsoenlijk zijn.”
Dan draait mevrouw Kubo de gespreksrollen om. Ze vraagt me wat mijn connectie is met Japan? Ik denk een momentje na: “Wel, ik heb een jaar als vrijwilliger gewerkt in een school in Thailand. Ik woonde en werkte er gedurende vijf maanden samen met een Japanse. Ze was als een oudere zus voor mij, ik was immers nogal groen achter de oren, toen.” Die uitdrukking kent ze duidelijk niet. Na wat uitleg begint ze te giechelen en barst dan in lachen uit. Ze kijkt me aan en zegt: “Ketsu ga aoi. In het Japans zeggen we dat over iemand zonder al te veel ervaring.”
Eens thuisgekomen doe ik wat opzoekingswerk. En inderdaad, het gezegde ‘Ketsu ga aoi’ is het Japanse equivalent, verwijzend naar een blauwe geboortevlek van tijdelijke aard. Letterlijk vertaald gaat het om een blauw achterwerk. Dit gesprek blijft heus op een leuke manier nazinderen!
De vele gezichten van Brussel
Interview Kristel Vandenbrande door Dzenita Ferizovic / Foto door Lisa Haesevoets (LUCA)
In haar laatste jaar aan de VUB besloot ze dat Brussel een deel was van haar en ging ze met haar (toen toekomstige) man op zoek naar een huis in Oudergem. “Er zijn heel veel soorten Brussel, het is gewoon afhankelijk van de persoon aan wie je het vraagt. Er is ook heel veel veranderd over de jaren heen. De laatste vijftien jaar is er meer groen verschenen dan men ooit had kunnen denken.” Kristel beschrijft het Brussel dat ze kent als een cosmopolis waarin de internationale gemeenschappen groeien en bij de randen een beetje samensmelten. “In een bepaalde straat kan het heel rustig zijn, maar vijf meter verder word je overspoeld met geluiden en beelden. Je kan ook een heel mooi stukje rustige natuur vinden, als je het cement en vuilnis ernaast er kan uitfilteren.”
Kristel ziet zichzelf als een echte Brusselse. “Toen ik een tiener was en we op vakantie gingen naar zee antwoordden we ook altijd dat we van Brussel waren als het ons gevraagd werd, hoewel we in Vilvoorde woonden.” Als Vlaamse in dat plaatje passen kan voor sommigen moeilijk zijn, maar zij doet het met plezier. “Het is schipperen tussen Nederlands en Frans, ja. Mijn man is Franstalig en we voeden onze kinderen tweetalig op. De buurt waarin ik woon neigt meer naar het Frans. Het is nu eenmaal een tweetalige stad, en ik ben blij dat die twee talen deel van mij zijn.” Op school had zij al veel Frans geleerd maar het was in de buurt van Vilvoorde dat ze het écht leerde. “Ik vind het geweldig om mijn kinderen in Brussel op te voeden. Ik voed ze niet alleen tweetalig op, maar ze horen ook meer talen. Ze leren van jongs af aan verscheidene culturen kennen en ik zie dit enkel als een stimulans voor hen.”
Kristels raad om Brussel te verkennen houdt in dat je simpelweg de tijd moet nemen. “Het zijn allerlei verschillende verhalen die zich dicht naast elkaar afspelen. Zoveel verscheidene werelden laten zich niet makkelijk ontdekken. Neem dus je tijd… en de metro! Op twintig minuten hoor je al talen die je niet kent en zijn je culturele ervaringen al een stuk rijker. Dwaal rond en verken elke hoek.”
_______________________________________________________________________________________________________________
Les multiples facettes de Bruxelles
Interview Kristel Vandenbrande par Dzenita Ferizovic / Photo par Lisa Haesevoets (LUCA)
Kristel Vandenbrande est originaire de Koningslo et même si Bruxelles n’était pas loin de chez elle, c’était un autre monde. Comme la plupart des filles, Kristel a acquis ses premières expériences à Bruxelles lors des excursions de shopping avec sa maman chérie. «Je me souviens encore de la première fois où on est allé à Bruxelles. Comme ce viaduc était laid! En plus, la plupart des choses que nous y avons rencontrées n’étaient pas attrayantes du tout… Ce n’est que dans mes années d’études que j’ai commencé à découvrir les coins charmants de Bruxelles.»
Dans sa dernière année d’études à la VUB, elle a décidé que Bruxelles faisait partie de sa vie et qu’il fallait qu’elle et son futur mari cherchent une maison à Auderghem. «Le temps a tellement changé ces dernières années. Dans les quinze dernières années, plus de vert est apparu à Bruxelles que je ne l’aurai jamais pensé.» Aux yeux de Kristel, Bruxelles est une ville cosmopolite où les communautés internationales grandissent et s’intègrent l’une à l’autre dans les périphéries. «Alors que l’une rue respire la tranquillité, l’autre, située à même pas cinq mètres de là, te submerge de sons et d’images nouvelles. Et si on arrive à ignorer le macadam et les immondices, une belle et tranquille parcelle de nature s’offre à nous.»
Kristel s’identifie comme une vraie Bruxelloise. «Même si on vivait à Vilvorde, lorsque j’étais adolescente, à chaque fois que quelqu’un nous demandait, pendant nos vacances à la mer, d’où l’on venait, on répondait de Bruxelles.» Alors que certains Flamands ont du mal à se sentir Bruxellois, elle, le fait avec plaisir. «Ce qu’il faut, c’est alterner sans cesse entre le néerlandais et le français. Mon mari est francophone et nous donnons une éducation bilingue à nos enfants. Le quartier où j’habite est plutôt francophone. On ne peut dès lors pas nier que la ville est bilingue et je suis fière que ces deux langues fassent partie de moi.» Elle avait déjà appris le français à l’école mais ce n’est qu’en habitant à Vilvorde qu’elle a réellement appris à parler cette langue. «Je trouve vraiment formidable d’élever mes enfants à Bruxelles. Ils n’ont pas seulement une éducation bilingue, ils sont en contact avec bien plus de langues. Dès l’enfance, ils apprennent à connaître plusieurs cultures et, selon moi, cela ne peut que les stimuler.»
Le conseil de Kristel pour explorer Bruxelles est tout simplement de prendre son temps. «Ce sont des milliers d’histoires qui se produisent l’une à côté de l’autre et tant de mondes différents ne se laissent pas découvrir si facilement. Il est donc important de prendre son temps… et le métro! En même pas vingt minutes, on y entend toutes sortes de langues inconnues et on acquiert par conséquent une nouvelle expérience culturelle. Vas-y et explore chaque coin de Bruxelles!»
A rebel with(out) a cause
Interview Jeroen Peters par Dirk De Ceulaer / Photo par Annabella Schwagten (LUCA)
Hyde Park Bruxelles est la création de Jeroen Peters, artiste, jardinier, cuisinier talentueux, bénévole, homme politique alternatif, activiste et avant tout un homme aimable. Le fait qu’il soit enfant d’artistes explique selon lui pourquoi il est inclassable dans le schéma fixe de la faune et la flore humaine. Par ailleurs (en tout cas), à l’Hôtel de ville bruxellois, il n’est plus un inconnu. A l’occasion des élections communales de 2012, il a fondé son propre parti politique, Politikart, ayant comme programme la légalisation du cannabis et de la prostitution, mais également l’ouverture publique des jardins clos que les autorités possèdent. C’était un projet ambitieux, puisqu’il visait même le jardin du Palais Royal.
Mais l’action la plus médiatisée de Peters s’est déroulée il y a quelques années, lorsque notre doux révolutionnaire a squatté un bâtiment du CPAS à la rue de Flandre l’a rénové pour y installer une galerie d’art et y héberger quelques sans-abris. Le bâtiment devenait un lieu de rencontre pour passants et visiteurs venus de partout. Riche ou pauvre, blanc ou noir, grand ou petit, peu importe, tout le monde était le bienvenu. Et tout le monde venait. Lorsque le CPAS fit connaitre sa volonté d’évacuer l’espace, l’artiste-squatteur Peters enleva une dalle derrière la porte d’entrée pour y creuser un trou. Il y mit son pied droit, qu’on coula ensuite dans le béton. Ce fut le point de départ d’un sit-in de sept longues semaines, une nouvelle occasion pour la politique bruxelloise de faire connaissance avec un personnage quelque peu dérangeant.
Le parc à la Gare de l’Ouest est le nouvel endroit où Jeroen Peters a fait un acte social. Comme avant, il s’agit d’un espace inoccupé, et de nouveau il a créé un endroit où il se moque joyeusement, et d’une façon originale, de l’ordre établi. Avant, le terrain était parsemé de tas d’ordures. C’était le point de rendez-vous de nombreux consommateurs de drogues et un lieu propice à différentes formes de «nuisances urbaines».
Jeroen Peters a transformé cette friche en bijou urbain. Le petit morceau de terre a été retourné et des tonnes de déchets ont été évacuées. Un potager a été installé, ainsi que des fleurs et des buissons. Un poulailler apporte des caquètements, et il y a de vrais poissons dans le vivier. Un sentier et un parcours vélo pour les enfants complètent le tableau. Des œuvres d’art embellissent le tout. A présent, il y règne aussi un certain ordre social. Il y a des grilles d’entrée, et des heures d’ouverture. Tout n’est pas permis, mais beaucoup est possible, tel est la devise. Un nouveau biotope, dans le vrai sens du terme, a pris forme. Jeroen Peters y est le régisseur de service. Il y habite également, et comme gardien de parc, il ouvre et ferme sa petite oasis. Il y reçoit des visiteurs, les guide dans son jardin, il aide les enfants sur leur vélo et organise des événements artistiques. L’année passée, il a invité tout le voisinage à son premier barbecue public: une fête «gay» soutenue volontiers par les voisins, dont la plupart est musulman. Ces rassemblements sont importants pour lui et sont basés sur le respect mutuel. Ils rassemblent des personnes de tous horizons. Ainsi, le quartier a désormais un endroit où l’on peut rassembler du potentiel humain, tant en paroles qu’en images. «On est les personnes avec lesquelles on vit», explique Peters. D’où la grande importance de son écosystème social pour le développement du quartier.
Tout près de l’endroit où le métro 5 prend l’air et permet à ses voyageurs de jeter un coup d’œil dehors, même si ce n’est que brièvement, il est bon de sortir et de découvrir Hyde Park Bruxelles, pour rencontrer de beaux personnages et y serrer la main de Jeroen Peters ou lui faire un câlin, le rebelle sans, ou plutôt avec une cause.
______________________________________________________________________________________
A rebel with(out) a cause
Interview Jeroen Peters door Dirk De Ceulaer / Foto door Annabella Schwagten (LUCA)
Vlakbij een punt waarop Metrolijn 5 als een mol naar lucht hapt, het Weststation, en bovengronds haar reizigers eindelijk een korte blik naar buiten gunt, ligt het ‘Hyde Park’ van Brussel. Uiteraard loopt iedere vergelijking met het beroemde park uit de Britse hoofdstad mank. Het park aan het Weststation heeft veeleer de envergure van een uit de kluiten gewassen tuin en mist vanzelfsprekend ook de ‘royale’ geschiedenis van een imperium. Niettemin is ook dit Madurodam van het Londense park het resultaat van een soort toe-eigening door een hoogst opmerkelijke man – het was Hendrik VIII die in 1536 Hyde Park inpikte van Westminster Abbey om er een jachtgebied van te maken - en kan ook dit park bogen op een vijver(tje), een ‘Speakers’ Corner’, veel speelruimte voor jong en oud en biedt het ruimte voor aardig wat publieke attractie en cultuur.
Hyde Park Brussel is de creatie van Jeroen Peters, kunstenaar, tuinier, begenadigd kok ook, vrijwilliger, alternatief politicus, activist en vooral aimabel manspersoon. Hij is het kind van kunstenaars, wat volgens hem verklaart waarom hij nauwelijks binnen een gangbaar patroon van de menselijke fauna of flora te plaatsen is. Op het Brusselse stadhuis is hij alvast lang geen onbekende meer. Naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 richtte hij een eigen politieke partij op, Politikart, dat naast het legaal maken van cannabis en prostitutie ook van het openstellen van overheidstuinen voor het publiek een programmapunt maakte. De ambitie reikte ver, want ook de tuin van het Koninklijk Paleis, hoorde zonder pardon voor het brede publiek toegankelijk te worden gemaakt.
In de kijker liep deze zachte revolutionair alleszins toen hij enkele jaren geleden op de Vlaamsesteenweg een pand van het OCMW kraakte, het opknapte, er een kunstgalerij opende en enkele daklozen huisvestte. Het pand werd een ontmoetingsplaats voor passanten en lieden van verschillende komaf. Arm of rijk, wit of zwart, groot of klein. Het maakte niet uit. Iedereen was welkom. En iedereen kwam er ook. Toen het OCMW te kennen gaf het pand te willen ontruimen, werd net achter de voordeur van het pand een tegel uit de gang gelicht en een put gegraven. Kraker-kunstenaar Peters stak er zijn rechtervoet in en liet daarover emmers beton gieten. Hij was daarmee vetrokken voor een sit-in van zeven lange weken en politiek Brussel was meteen een luis in de pels rijker.
Het park aan het Weststation is de nieuwe plek waar Jeroen Peters een maatschappelijk statement heeft neergezet. Opnieuw ging het om een braakliggend terrein en opnieuw heeft hij er een oord gecreëerd waarmee hij het establishment op zachte maar originele wijze een vrolijke neus zet. Het terrein werd ontsierd door bergen afval, stond bekend als ruige ankerplaats voor druggebruikers en kreunde onder de vele vormen van wat ‘urbane sociale hinder’ heet.
Jeroen Peters maakte van deze zogenaamde brownfield een ‘landjuweeltje’. Het stukje grond werd afgeboord en tonnen rommel weggevoerd. Er kwam een moestuin. Ook bloemen en struiken. Een kippenren bracht gekakel en in een vijver wonen nu echte vissen. Een wandelpad werd aangelegd en kinderen maken vandaag toertjes op een eigen fietsparcours. Kunstwerken sieren het geheel. Ook werd sociale orde gecreëerd. Er kwam een voor- en een achterhek, alsook toegangsuren. Niet alles kan, maar er mag wel veel, zo luidt het devies. Een nieuwe biotoop, in de echte betekenis van dat woord, kreeg vorm. Jeroen Peters is er de rentmeester van dienst. Hij woont er ook. Als parkwachter opent en sluit hij zijn kleine oase. Hij ontvangt er de bezoekers, leidt ze rond in de tuin, helpt kinderen op hun fiets, organiseert kunstevenementen en bood vorig jaar voor de hele buurt zijn eerste publieke barbecue aan. Een gay-feestje met de bereidwillige hulp van buurtbewoners waarvan de meesten moslim waren. Die bijeenkomsten zijn belangrijk voor hem. Ze brengen mensen van diverse pluimage samen op grond van respect voor elkaar. De buurt krijgt op die wijze een plaats waar menselijk potentieel ‘verzameld’ kan worden, zowel met woorden als met beelden. “Je bent de mensen waarmee je leeft”, zegt Peters daarover. Vandaar het grote belang van zijn sociaal ecosysteem voor de ontwikkeling van de buurt.
Vlakbij de plek waar Metrolijn 5 als een mol naar lucht hapt en bovengronds haar reizigers eindelijk een korte blik naar buiten gunt, is het dus ook goed om even uit te stappen, Hyde Park Brussel in te lopen, er mooie mensen te ontmoeten en er Jeroen Peters, the rebel with(out) a cause, de hand te schudden of kortstondig maar gemeend te omarmen…
Une histoire polonaise
Interview Michal Szczepura par Mateusz Pinczuk / Photo par Marie Wynants (LUCA)
Ce qu’il aime à cette ville, c’est sa taille. Elle n’est pas trop grande, mais pas trop petite non plus, et tout est facilement accessible. Quand je suis arrivé ici en 2007, j’étais attiré par la mentalité des gens, qui est tout à fait différente de celle des Polonais. En général, les gens à Bruxelles semblent plus détendus et heureux. Même s’ils sont toujours occupés, ils n’ont pas l’air pressé.
«Ce que j’aime vraiment dans cette ville, ce sont les liens vers d’autres métropoles européennes, comme Paris ou Londres. Il est facile de voyager à tous les «vieux pays européens». On pourrait dire que lorsqu’on voyage à l’est de Varsovie, on peut également voir beaucoup de beaux endroits, mais j’ai grandi dans la République populaire communiste de Pologne. L’Occident exerce une attraction magique et mystérieuse sur nous. Ce sentiment, je l’ai jusqu’à aujourd’hui», explique Michal.
Qu’en est-il de ses loisirs à Bruxelles? «Quand je suis arrivé ici, j’appréciais vraiment la propreté des parcs. À ce moment-là, j’ai décidé d’aller courir. Ce sport m’aide à me détendre, et ça va même au-delà de ça: J’ai déjà participé à deux semi-marathons de Bruxelles. Oui, aujourd’hui, je prends mon hobby au sérieux», il riait.
«Pourtant, ma plus grande passion, n’est pas mon hobby, mais c’est ma famille: ma femme et mes deux enfants. Mes deux enfants sont nés à Bruxelles. C’était toute une expérience. J’admire le proffesionalisme du système des soins de santé belge. Je suis également content que mes enfants aient ici, dès le début de leur formation, la possibilité d’apprendre trois langues: le français, le néerlandais et le polonais.»
Considériez-vous jamais de retourner en Pologne? «Hmm, ça dépend de plusieurs facteurs, mais le plus important, c’est le standard de vie. J’aimerais bien retournerà la Pologne, à condition que je puisse garder mon poste et mon salaire actuels, et que mon salaire me permet de vivre au même standard qu’en Belgique. Toutefois, pour l’instant, c’est impossible.»
Oui, la vie à Bruxelles offres de nombreuses possibilités. Il n’est pas évident pour les étrangers de tout comprendre immédiatement dans cette ville, mais l’expérience de Michal et ma propre expérience, me font croire qu’il devient, petit à petit, plus facile. Ça vaut vraiment la peine de vivre à Bruxelles.
______________________________________________________________________________________
Een Pools verhaal
Interview Michal Szczepura door Mateusz Pinczuk / Foto door Marie Wynants (LUCA)
Michal Szczepura is een dagelijkse bezoeker van het metrostation Beaulieu. Elke dag brengt hij zijn dochter naar een kinderdagverblijf in de buurt. Ik ontmoet hem in zijn kantoor gelegen op de Tervurenlaan. Michal staat aan het hoofd van de Regionale Zetel van Podlaskie Voivodeship in Brussel.
Wat hij zo leuk vindt aan deze stad is de omvang ervan. Ze is niet al te groot maar ook niet heel klein en je kunt er overal makkelijk geraken. Toen ik hier in 2007 aankwam, werd ik aangetrokken door de mentaliteit van de mensen hier, die heel verschillend is van die in Polen. Mensen in Brussel lijken door de band genomen meer ontspannen en gelukkiger. Ook al zijn ze contant bezig, toch maken ze geen opgejaagde indruk.”
“Waar ik in deze stad echt van hou, zijn de verbindingen met andere Europese metropolen zoals Parijs of Londen. Het is gemakkelijk om naar alle ‘oude Europese’ landen te reizen. Je zou kunnen stellen dat wanneer je ten oosten van Warschau reist, je ook veel mooie plaatsen kunt zien, maar ik ben opgegroeid in de communistische Volksrepubliek Polen. Het Westen oefende een geheimzinnige en magische aantrekkingskracht op ons uit. Dat gevoel heb ik tot vandaag”, legt Michal uit.
Hoe zit het met zijn hobby’s in Brussel? “Toen ik hier aankwam, waardeerde ik echt hoe netjes de parken hier waren. Op dat ogenblik heb ik beslist om te gaan hardlopen. Dat helpt mij om te ontspannen en zelfs meer dan dat: ik heb er ook al twee Brusselse halve marathons op zitten. Ja, ik neem mijn hobby tegenwoordig zeer ernstig”, lacht hij.
“Maar mijn grootste passie is niet mijn hobby maar mijn familie – mijn vrouw en twee kinderen. Mijn beide kinderen zijn in Brussel geboren. Dat was nogal een ervaring. Ik bewonder de professionaliteit van de Belgische gezondheidszorg. Ik apprecieer ook het feit dat mijn kinderen hier de mogelijkheid hebben om van bij het begin van hun scholing drie talen te leren – Frans, Nederlands en Pools.”
Zou u er ooit aan denken om terug te keren naar Polen? “Hmm, dat hangt van veel factoren af maar de belangrijkste is de levensstandaard. Ik zou graag naar Polen terugkeren als ik mijn huidige positie en salaris kan behouden en als mijn loon mij in staat stelt om op hetzelfde niveau te leven als hier. Op dit moment, echter, is dat onmogelijk.”
Ja, in Brussel wonen biedt veel mogelijkheden. Het is niet makkelijk om als buitenlander alles in deze stad meteen te begrijpen maar uit de ervaring van Michal, en mijn eigen ervaring, kan ik afleiden dat het eenvoudiger wordt met de tijd. Het is het echt waard om in Brussel te wonen.
Eigentijdse strijder
Interview Monique de Gryse par Caroline Jordens / Photo par Caro Deraedemaeker (LUCA)
Monique kijkt terug op een rijk verleden. “Ik verhuisde van Nieuwpoort naar het landelijke Oudergem. Iedereen kende iedereen, we wisselden zoveel dingen uit en deelden zoveel. Maar ik heb ook wel hard moeten werken. Als traiteur deed ik soms werkdagen van twintig uur. Ik werkte ook op zaterdag en zondag. Nadat ik klaar was met mijn dag, nam ik de restjes mee naar huis en deelde ze met mijn buurt.”
Ze herinnert zich als de dag van gisteren het eerste huis dat ze in Brussel kochten. Het huis was omringd door prei-, aardappel- en tarwevelden. In hun achtertuin stonden in de lente de fruitbomen volop in bloei. Ze hield van de verse eieren die haar kippen voor zonsopgang legden.
Maar het geluk bleef niet duren. In 1960 huurde de gemeente Etterbeek arbeiders in om de huizen in de wijk af te breken en zo plaats te ruimen voor de bouw van metrostelplaats Delta op metrolijn 5. Levensomstandigheden verslechterden, daken lekten, huizen dreigden in te storten. De huizen links en rechts van hen werden met de grond gelijk gemaakt. Mensen die jaren lang buren waren, vertrokken. Monique kwam met hart en ziel op tegen wat er gebeurde.
Te midden van de uitgestrekte velden, tussen het puin, bleef het huis van Monique en haar man als laatste overeind. Uit solidariteit brachten de arbeiders hen hout om het haardvuur brandende te houden. Maar de omstandigheden werden dag na dag slechter. Uiteindelijk werd de situatie ondraaglijk. Hun thuis was hetzelfde lot beschoren als dat van hun buren. Er zat niets anders op dan alles achter te laten en hun intrek te nemen in een appartement in de Oudergemse Transvaal-wijk. Het was hen door de gemeente aangeboden ter compensatie. Ze bleven er een jaar. Nadien kochten ze een nieuw huis op de Mulderslaan, wat verderop in de gemeente. Monique woont er vandaag nog.
“Hoewel ik uit m’n huis gezet ben om plaats te ruimen voor de metro, gebruik ik die vandaag toch elke dag. Ik woon op slechts vijf minuten lopen van het station. Het is de plaats waar ik mijn kleinzoon van 10 jaar oppik. Hij wordt er meermaals per week door mijn zoon afgezet wanneer die gaat werken. Ik ben dan babysit van dienst.”
Het interview was ten einde. Ik schakelde mijn opnameapparaat uit en lette er goed op dat ik niet op de uitwisknop drukte. Door het tuinraam kon ik zien dat het nog steeds sneeuwde. Ik deed mijn pantoffels uit en stapte in mijn schaapsleren laarzen. We wensten elkaar nog een goede avond. Ik zwaaide een laatste keer en wandelde langzaam in de richting van Beaulieu, terwijl ik in de spierwitte sneeuw kraakverse voetafdrukken achterliet.
_______________________________________________________________________________________________________________
Guerrière des temps modernes
Interview Monique de Gryse par Caroline Jordens / Photo par Caro Deraedemaeker (LUCA)
Monique de Gryse m’invite à m’asseoir dans le divan à côté d’elle. Au moment où j’allume l’enregistreur, elle prévient: «Je veux juste dire que j’ai une voix rauque parce que j’ai toussé beaucoup.»
Monique parle du passé avec lyrisme. «Tout le monde connaissait tout le monde, nous échangions et nous partagions tellement de choses. Je travaillais dans la restauration. Parfois, je faisais des journées de 20 heures. Je bossais aussi le samedi et le dimanche. À la fin de ma journée, je ramenais les restes et je les partageais avec mes voisins.»
Elle se souvient très bien aussi de la première maison qu’ils ont achetée à Bruxelles. Elle était entourée de champs de poireaux, de pommes de terre et de blé. Dans leur arrière-jardin, des arbres fruitiers étaient en fleur pendant la saison plus chaude. Elle aimait les œufs frais que ses poules pondaient avant le lever du soleil.
En 1960, la commune d’Etterbeek engage des ouvriers pour démolir les maisons du quartier en prévision de la construction de la station de métro Delta (ligne 5). Monique s’y oppose. Leurs conditions de vie commencent à se dégrader à cause de l’eau qui fuit à l’intérieur de la maison et du danger d’effondrement.
La maison de Monique et de son mari est la dernière à rester au milieu des décombres et des champs. Une cheminée orne leur salon. Par solidarité, les ouvriers leur apportent tous les jours du bois pour alimenter le feu. Malheureusement, leurs conditions de vie s’aggravent de jour en jour et finissent par devenir insupportables. En guise de compensation, la commune leur offre un appartement dans le quartier du Transvaal à Auderghem. Ils y resteront un an. Ensuite, ils achètent une nouvelle maison, également à Auderghem, dans l’avenue des Meuniers, où Monique vit toujours maintenant.
«J’ai travaillé dur, vraiment dur de mes mains. Et j’ai une maison, ma maison. Aujourd’hui, on trouve deux types de jeunes: ceux qui acceptent de travailler beaucoup et ceux qui ne l’acceptent pas. Malheureusement, on trouve plus de jeunes qui n’ont pas envie de travailler dur. Oui, c’est mon avis sur la jeunesse actuelle», dit-elle avec un léger sourire.
«Même si j’ai été expulsée de ma maison en raison du métro, j’emprunte celui-ci tous les jours maintenant. Je vis quasiment dans le métro parce que c’est là que je rencontre mon petit-fils. La station de métro n’est qu’à cinq minutes de marche de la maison.»
L’entretien touche à sa fin. J’éteins mon enregistreur délicatement en veillant à ne pas appuyer sur le bouton «effacer». Par la fenêtre donnant sur le jardin, je vois qu’il neige encore. J’enlève mes pantoufles, j’enfile mes bottes en peau lainée et nous nous souhaitons une bonne soirée. Je fais un dernier signe de la main et je marche doucement en direction de la station Beaulieu, en laissant derrière moi des traces de pas dans la neige fraîche et immaculée.
Beaulieu - photos by Calixte Poncelet (LUCA)
Thuis in Molenbeek
Interview Fatima door Monaly Agwabi / Foto door Estelle Vastenaekel (LUCA)
We nemen plaats op een bankje en beginnen te praten. Ik realiseer me maar al te goed dat ik op een plaats ben waar ik anders niet gekomen zou zijn. Ik besef ook ten volle dat ik iemand ontmoet die ik anders niet ontmoet zou hebben. Het project Metro 5 laat me toe Molenbeek en zijn bewoners op een andere manier te leren kennen. En ik geniet ervan.
Fatima blijkt een jonge studente te zijn die aan het Imelda-Instituut studeert, een school die dit jaar haar 75ste jaar bestaan viert. Groot feest voor Fatima en haar vriendinnen! Van kindsbeen af woont ze in Molenbeek.
Ze apprecieert Molenbeek en houdt vooral van de oudere inwoners die steeds aardig zijn en altijd vragen of alles goed gaat met iedereen. Ze lijken zichzelf niet meer zo te moeten bewijzen. Bij hen voelt ze zich comfortabel en op haar gemak. Ze lijken voor haar de enige personen met wie ze een serieuze discussie kan voeren. “Ik heb de indruk dat oudere mensen echt goed kunnen luisteren, de ruimte geven om je te laten vertellen wat je vertellen wil”, glimlacht ze. “Wat is het fijn om in alle openheid te kunnen zeggen wat je denkt, waar je in gelooft, zonder dat daar onmiddellijk een oordeel over geveld moet worden. Gewoon mijzelf zijn, dat kan ik bij hen.”
Van kindsbeen af ging ze naar het Marie José park. Zo herinnert ze zich nog goed dat ze samen verstoppertje speelde met haar vader. Het tellen tot honderd, het zoeken tussen struiken en achter bomen, de opwinding bij het vinden. En ook nu, zoveel jaren later is het een fijne plek. Een plaats om tot rust te komen, te vertoeven met vrienden. Ze is vertrouwd met haar park, ze voelt zich goed in haar Molenbeek. “Het zou mij zeker niet storen om in Molenbeek te wonen tot het einde van mijn leven, ik ben hier zo graag”, zegt ze. “ Ik voel mij hier veilig ook al wordt het hier beschouwd als een van de gevaarlijkste gemeenten in Brussel. Het is een gemeente die beweegt! De sfeer is aangenaam en je hoeft niet rijk te zijn om hier een comfortabel leven te leiden.”
______________________________________________________________________________________
Thuis in Molenbeek
Interview Fatima door Monaly Agwabi / Foto door Estelle Vastenaekel (LUCA)
Bij mijn aankomst in Weststation word ik warm onthaald door Fatima, een jonge Brusselse studente. Zij heeft duidelijk zin om met mij een gesprek te voeren over haar gemeente: Molenbeek. We wandelen naar een plek waar zij graag vertoeft: een parkje in het midden van de stad, vier hectaren groen tussen de Machtens-, Baeck- en De Rooverelaan. Het park wordt bewoond door reigers, witte en zwarte zwanen en wilde ganzen. De vijvers worden er gevoed door de Molenbeek. Nu weet ik ook onmiddellijk hoe de gemeente aan haar naam is gekomen. Aan de ingang van het Marie-José park wacht Mahatma Gandhi ons op.
We nemen plaats op een bankje en beginnen te praten. Ik realiseer me maar al te goed dat ik op een plaats ben waar ik anders niet gekomen zou zijn. Ik besef ook ten volle dat ik iemand ontmoet die ik anders niet ontmoet zou hebben. Het project Metro 5 laat me toe Molenbeek en zijn bewoners op een andere manier te leren kennen. En ik geniet ervan.
Fatima blijkt een jonge studente te zijn die aan het Imelda-Instituut studeert, een school die dit jaar haar 75ste jaar bestaan viert. Groot feest voor Fatima en haar vriendinnen! Van kindsbeen af woont ze in Molenbeek.
Ze apprecieert Molenbeek en houdt vooral van de oudere inwoners die steeds aardig zijn en altijd vragen of alles goed gaat met iedereen. Ze lijken zichzelf niet meer zo te moeten bewijzen. Bij hen voelt ze zich comfortabel en op haar gemak. Ze lijken voor haar de enige personen met wie ze een serieuze discussie kan voeren. “Ik heb de indruk dat oudere mensen echt goed kunnen luisteren, de ruimte geven om je te laten vertellen wat je vertellen wil”, glimlacht ze. “Wat is het fijn om in alle openheid te kunnen zeggen wat je denkt, waar je in gelooft, zonder dat daar onmiddellijk een oordeel over geveld moet worden. Gewoon mijzelf zijn, dat kan ik bij hen.”
Van kindsbeen af ging ze naar het Marie José park. Zo herinnert ze zich nog goed dat ze samen verstoppertje speelde met haar vader. Het tellen tot honderd, het zoeken tussen struiken en achter bomen, de opwinding bij het vinden. En ook nu, zoveel jaren later is het een fijne plek. Een plaats om tot rust te komen, te vertoeven met vrienden. Ze is vertrouwd met haar park, ze voelt zich goed in haar Molenbeek. “Het zou mij zeker niet storen om in Molenbeek te wonen tot het einde van mijn leven, ik ben hier zo graag”, zegt ze. “ Ik voel mij hier veilig ook al wordt het hier beschouwd als een van de gevaarlijkste gemeenten in Brussel. Het is een gemeente die beweegt! De sfeer is aangenaam en je hoeft niet rijk te zijn om hier een comfortabel leven te leiden.”


