2 Timotheüs 2:13
"Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen."
PUT YOUR BEARD IN MY MOUTH
macklin celebrini has autism

shark vs the universe
Sweet Seals For You, Always

pixel skylines

@theartofmadeline
Phantogram Three
Color Me Curious
sheepfilms
Mike Driver
EXPECTATIONS
Interview Vampire Daily
almost home
The Bowery Presents

No title available

izzy's playlists!

blake kathryn
let's talk about Bridgerton tea, my ask is open

roma★
Cosimo Galluzzi
seen from United States

seen from Germany

seen from United Kingdom

seen from Indonesia
seen from Malaysia

seen from United States
seen from United States
seen from Malaysia

seen from Venezuela
seen from United States
seen from Italy
seen from United States

seen from United States
seen from United Arab Emirates

seen from United States
seen from Brazil

seen from United States
seen from United States

seen from Brazil
seen from Poland
@mijndagboekblog
2 Timotheüs 2:13
"Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen."
Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de werken, opdat niemand roeme.
Efeze 2: 8 en 9
Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus; door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.
En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.
Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van een, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.
En niet, gelijk de schuld was door den een, die gezondigd heeft, alzo is de gift; want de schuld is wel uit een misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking. Want indien door de misdaad van een de dood geheerst heeft door dien enen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.
Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.
Romeinen 5
Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?
Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?
Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?
Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.
Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.
Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams.
En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.
Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.
Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.
Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
Romeinen 6
Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.
Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.
En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is.
Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.
Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.
Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.
Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;
Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.
Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?
Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere.
Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.
Romeinen 7
Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil.
En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont.
Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.
Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.
Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!
Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.
Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.
Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe.
En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.
Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?
Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid.
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.
En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.
En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.
Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?
(Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.)
Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.
Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.
Romeinen 8
En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.
Maar tegen Israël zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
Romeinen 10
O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
34 Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
Iedereen heeft een hekel aan mij. Deze gedachte zit weer vast in mijn kop, en.ik weet dat het niet waar is.
Hoe kom ik eraan? En.hoe kom ik er vanaf? Het is om gek van te worden.
Iedereen.is boos op mij. Alles doe ik fout. Ja, dat klopt wel, iedereen vindt iets van je. Leg het naast je neer.
Hoe omarm ik deze gedachte? Ik mag/moet een beetje lief zijn voor mezelf. Ik doe toch keihard mijn best?
Het is maar een gedachte, gedachten zijn als wolken, ze komen en gaan.
David versloeg de reus met een slinger en een steen.
Waarom ben ik altijd druk met bewijzen te zoeken dat deze gedachte klopt? Het lijkt wel zelfdestructie. Waarom zoek je geen bewijzen dat het niet waar is?
Als je blijft doen wat je deed, blijf je krijgen wat je kreeg.
Ik maak me gewoon te druk. Niemand is geintersseerd in jouw zaken, iedereen is druk met zichzelf. Als je gelijk klaarstaat om ergens wat van te zeggen, dan zeur je. Niemand is geinteresseerd. Iedereen is druk met zijn eigen zaken.
Als mensen al een hekel aan je zouden hebben, is het omdat jij overal een probleem van maakt.
Het is beter niet iedereen te groeten of oogcontact mee te maken. Dat kost veel te veel energie.
Zit ik te hoog in mijn emotie? Ik ben op de vlucht. Ik heb het gevoel dat iedereen een hekel aan me heeft, en voor dat gevoel probeer ik te vluchten.
Maar waarom ben ik er zo zeker van dat iedereen een hekel aan me heeft, en waarom wil ik deze gedachte zo graag bevestigd zien?
Iedereen heeft een hekel aan mij. Deze gedachte zit weer vast in mijn kop, en.ik weet dat het niet waar is.
Hoe kom ik eraan? En.hoe kom ik er vanaf? Het is om gek van te worden.
Iedereen.is boos op mij. Alles doe ik fout. Ja, dat klopt wel, iedereen vindt iets van je. Leg het naast je neer.
Hoe omarm ik deze gedachte? Ik mag/moet een beetje lief zijn voor mezelf. Ik doe toch keihard mijn best?
Het is maar een gedachte, gedachten zijn als wolken, ze komen en gaan.
David versloeg de reus met een slinger en een steen.
Avondmaal
Maar dit wordt ons, broeders en zusters, niet voorgehouden om de verslagen harten van de gelovigen te ontmoedigen, alsof niemand tot het Heilig Avondmaal zou mogen gaan, dan wie zonder enige zonde is. Want wij komen niet tot dit Avondmaal omdat wij onszelf volkomen en rechtvaardig achten, maar integendeel, wij komen omdat wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken.
Daarom, al vinden wij in onszelf nog veel gebreken en geen volkomen geloof, toch mogen wij ervan verzekerd zijn, dat God ons in genade aanneemt en ons deel doet hebben aan deze hemelse spijs en drank.
Gebed:
Barmhartige God en Vader, wij bidden U, of U in dit Avondmaal door Uw Heilige Geest zo in onze harten wilt werken, dat wij ons met vertrouwen hoe langer hoe meer aan Uw Zoon Jezus Christus overgeven.
Geef dat wij zó met deze ware spijs en drank gevoed en verkwikt worden, dat wij niet meer in onze zonden leven, maar Hij in ons en wij in Hem.
Doe ons zó volkomen deel hebben aan het nieuwe verbond in Christus’ bloed, dat wij er niet aan zullen twijfelen dat U voor eeuwig onze genadige Vader zijn zult, Die ons onze zonden nooit meer toerekent. En Die voor ons in alles naar lichaam en ziel zult zorgen als Uw lieve kinderen en erfgenamen.
Schenk ons ook Uw genade, dat wij getroost ons kruis op ons nemen, onszelf verloochenen en onze Heiland belijden. Leer ons in alle beproevingen met opgeheven hoofd onze Heere Jezus Christus uit de hemel verwachten, Die ons vernederd lichaam aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijk zal maken en ons voor eeuwig tot Zich nemen zal.
David en Goliath
En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
Doch Saul en de mannen van Israël verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.
De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.
Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;
En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;
En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.
Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.
Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
Toen Saul en het ganse Israël deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.
David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
En de drie grootste zonen van Isaï gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.
En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.
Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.
De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.
En Isaï zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broederen.
Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.
Saul nu, en zij, en alle mannen van Israël waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.
Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isaï hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.
En de Israëlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.
David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.
Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtereenvolgens die woorden; en David hoorde ze.
Doch alle mannen in Israël, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.
En de mannen Israëls zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël.
Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?
Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzo zal men den man doen, die hem slaat.
Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?
En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtereenvolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.
Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.
En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.
Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.
Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.
En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.
Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.
Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!
En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.
En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David leide ze van zich.
En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en leide ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.
De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.
Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.
De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.
Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.
David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israël, Dien gij gehoond hebt.
Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israël een God heeft.
En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.
En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.
En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.
Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.
Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.
Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
Daarna keerden de kinderen Israëls om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.
Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen leide hij in zijn tent.
Gij zijt, o Heer', van d' allervroegste jaren
voor ons geweest een toevlucht in gevaren.
Eer berg en rots uit niet geboren waren,
eer d' aarde rustt' op hare grondpilaren
van eeuwigheid, o God Die eeuwig leeft,
zijt Gij de God, Die eind noch oorsprong heeft!
Psalm 90: 1, berijmd
Ik bouw op U
Mijn Schild en mijn Verlosser
Niet eenzaam ga ik op de vijand aan
Sterk in Uw kracht, gerust in Uw bescherming,
Ik bouw op U en ga in Uwe naam
Sterk in Uw kracht, gerust in Uw bescherming,
Ik bouw op U en ga in Uwe naam
Gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend
En telkens meer moet ik Uw kracht verstaan
Toch rijst in mij een lied van overwinning
Ik bouw op U en ga in Uwe naam
Toch rijst in mij een lied van overwinning
Ik bouw op U en ga in Uwe naam
Ik bouw op U
Mijn Schild en mijn Verlosser
Gij voert de strijd, de huld' is U gewijd
In 't laatste uur zal 'k zegevierend ingaan
In rust met U die mij hebt voortgeleid
In 't laatste uur zal 'k zegevierend ingaan
In rust met U die mij hebt voortgeleid
Opwekking 124
Iedereen heeft een hekel aan mij. Deze gedachte zit weer vast in mijn kop, en.ik weet dat het niet waar is.
Hoe kom ik eraan? En.hoe kom ik er vanaf? Het is om gek van te worden.
Iedereen.is boos op mij. Alles doe ik fout. Ja, dat klopt wel, iedereen vindt iets van je. Leg het naast je neer.
Hoe omarm ik deze gedachte? Ik mag/moet een beetje lief zijn voor mezelf. Ik doe toch keihard mijn best?
Het is maar een gedachte, gedachten zijn als wolken, ze komen en gaan.
Waarom ben ik zo druk met te bewijzen, dat iedereen een hekel aan me heeft. Het lijkt wel zelfdestructie. Waarom zoek je niet naar bewijzen, dat het niet zo is.
David versloeg de reus met een slinger en een steen.
Het derde aspect van de Heilige Geest is dat Hij alomtegenwoordig is. Als we zeggen dat God alomtegenwoordig is, dan bedoelen we daarmee dat God overal tegelijkertijd is. God Zelf bevestigt dit in Jeremia 23: 23-24:
Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre? Zou iemand zich op verborgen plaatsen kunnen verbergen, en zou Ík hem niet zien?, spreekt de HEERE. Vervul Ik niet de hemel en de aarde? Spreekt de HEERE.
Hoe kan dat? We weten uit de Bijbel dat God regeert op Zijn troon in de hemel, met Jezus aan Zijn rechterhand. Hoe kan Hij dan hemel en aarde vullen met Zijn tegenwoordigheid? In Psalm 139: 7-12 geeft David het antwoord. Eerst vraagt hij: Waar kan ik Uw Geest ontgaan, waar Uw aangezicht ontvluchten? Hier zien we dat God overal tegelijkertijd aanwezig is door Zijn Geest. Vervolgens brengt David dit feit dichterbij met een gedetailleerder beschrijving:
Nam ik vleugels van de dageraad,
woonde ik aan het einde van de zee,
ook daar zou Uw hand mij leiden
en Uw rechterhand mij vasthouden.
Zei ik: Ja, duisternis zal mij opslokken! –
dan is de nacht een licht om mij heen.
Zelfs de duisternis maakt het voor U niet duister,
maar de nacht licht op als de dag,
de duisternis is als het licht.
Waar wij ook heengaan, God is er, door Zijn Geest -onzichtbaar, ook anderszins vaak niet waarneembaar, maar we kunnen niet aan Hem ontsnappen. Voor een ongelovige is dat waarschijnlijk een vreselijke gedachte, maar voor een gelovige is dit een troostrijke, veilige zekerheid. Waar we ook terechtgekomen zijn, ook daar zou Uw hand mij geleiden, Uw rechterhand mij vastgrijpen. In het Nieuwe Testament is het Jezus Zelf die ons deze zekerheid geeft: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. (Hebreeën 13:5)
Soms zijn we ons op geen enkele manier bewust van Zijn tegenwoordigheid, maar Hij is er, door Zijn Heilige Geest. Het lijkt misschien of we in het donker wandelen, maar zelfs de duisternis verbergt niet voor U... Iedere christen moet een innerlijke gevoeligheid voor de Heilige Geest ontwikkelen, onafhankelijk van wat we om ons heen kunnen waarnemen. Als onze zintuigen ons geen bewijs leveren van Zijn aanwezigheid, of als ze Zijn aanwezigheid zelfs lijken te ontkennen, dan moet er in de diepte van onze geest nog een bewustheid zijn van de voortdurende tegenwoordigheid van de Heilige Geest. Zo kunnen we ook veel beter begrijpen waarom Hij de Trooster (Johannes 14:26) en de Helper (Johannes 14:26, WV) wordt genoemd.
Een passende afsluiting van dit hoofdstukje is de Vader en de Zoon te danken voor de Heilige Geest, die eeuwige, alwetende en alomtegenwoordige Trooster en Helper.
Gebed van de dag
Hemelse Vader en Here Jezus, dank U wel voor die eeuwige, alwetende, overal en altijd aanwezige Helper en Trooster, de Heilige Geest. Dank U voor het voorrecht dat ik altijd en overal gemeenschap mag hebben met de levende God, door de Heilige Geest die in mij woont… Ik wil me hier dagelijks van bewust zijn Heer! Amen.
Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag. Want Job antwoordde en zeide:
De dag verga, waarin ik geboren ben,
en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;
Diezelve dag zij duisternis;
dat God naar hem niet vrage van boven;
en dat geen glans over hem schijne;
Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen;
dat wolken over hem wonen;
dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!
Diezelve nacht, donkerheid neme hem in;
dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars;
dat hij in het getal der maanden niet kome!
Ziet, diezelve nacht zij eenzaam;
dat geen vrolijk gezang daarin kome;
Dat hem vervloeken de vervloekers des dags,
die bereid zijn hun rouw te verwekken;
Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden;
hij wachte naar het licht, en het worde niet;
en hij zie niet de oogleden des dageraads!
Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks,
noch verborgen de moeite van mijn ogen.
Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af,
en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?
Waarom zijn mij de knieën voorgekomen,
en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?
Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn;
ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn;
als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
Daar houden de bozen op van beroering,
en daar rusten de vermoeiden van kracht;
Daar zijn de gebondenen te zamen in rust;
zij horen de stem des drijvers niet.
De kleine en de grote is daar;
en de knecht vrij van zijn heer.
Waarom geeft Hij den ellendigen het licht,
en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet;
en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
Want voor mijn brood komt mijn zuchting;
en mijn brullingen worden uitgestort als water.
Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen;
en wat ik schroomde, is mij overkomen.
Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet;
en de beroering is gekomen.
Psalm 144 : 2
Wat is de mens? Wat is in hem te prijzen,
Dat Gij, o HEER, hem gunsten wilt bewijzen,
Dat Gij hem kent? Wat is des mensen kind,
Dat Gij het acht en zo getrouw bemint?
Hij mag den naam van ijdelheid wel dragen;
Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen,
Hoe groot, hoe sterk hij op deez' aarde zij,
Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij.
Iedereen heeft een hekel aan mij?
En nu?
Je kunt de gedachten van andere mensen niet sturen.
Iedereen denkt in de eerste plaats alleen aan zichzelf.
De gedachten van andere mensen verander je niet.
Het is iets wat in je eigen hoofd zit. Dat is geen nieuws.
Er wonen 8 miljard mensen op deze aarde, voor Xi, Trump of Poetin ben je echt niet belangrijk. En voor de andere 7.9 miljard ook niet. Iedereen is druk met zichzelf. Net als jij.
Ook al geloof je het zelf niet, ook al was deze winter heel erg donker, er is altijd licht aan het einde van de tunnel. Dat is nog steeds zo geweest.
Als je blijft doen wat je deed, blijf je krijgen wat je kreeg.
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
Wie is hij die Mijn raad duister maakt
met woorden zonder kennis?
Omgord nu als een man uw heupen,
dan zal Ik u ondervragen.
Maak Mij eens bekend:
Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
Wie heeft haar afmetingen bepaald?
U weet het immers wel.
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
Waarop zijn haar pijlers neergezonken?
Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?
wie heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte en uit de baarmoeder naar buiten kwam,
toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere wolken als haar omslagdoek.
Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich een grens stellen tegen de glorie van uw golven.
Hebt u in uw dagen de morgen ontboden?
Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen,
om de einden van de aarde vast te grijpen,
zodat de goddelozen van haar afgeschud worden?
De aarde verandert als leem door een zegel,
en de dingen krijgen vorm.
De goddelozen wordt hun licht onthouden,
en de opgeheven arm wordt gebroken.
Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee?
Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?
Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard?
Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?
Reikt uw inzicht tot de breedten van de aarde?
Maak het bekend, als u dit allemaal weet.
Waarheen is de weg waar het licht woont?
En de duisternis, waar is zijn woonplaats,
zodat u die naar zijn gebied kunt brengen,
en dat u de paden naar zijn huis kunt opmerken?
U weet het vast wel, want u was toen al geboren,
en uw dagen zijn groot in aantal.
Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?
Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,
die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid,
voor een dag van strijd en oorlog
Waarheen is de weg waar het licht zich verdeelt,
en de oostenwind zich verspreidt over de aarde?
Wie klieft voor de stortvloed een waterloop,
en een weg voor het weerlicht van de donder,
om het te laten regenen op het land, waar niemand is,
op de woestijn, waarin geen mens is,
om het gebied van verwoesting en vernietiging te verzadigen,
en om het opkomende groen te laten groeien?
Heeft de regen een vader?
Of wie brengt de druppels van de dauw voort?
Uit wiens buik komt het ijs naar buiten?
En wie baart de rijp van de hemel?
Het water wordt hard als een steen,
en het oppervlak van de watervloed raakt vastgevroren.
Kunt u de banden van het Zevengesternte vastbinden,
of de ketenen van de Orion losmaken?
Kunt u de Mazzarot tevoorschijn laten komen op zijn tijd,
en kunt u de Wagen met zijn kinderen leiden?
Kent u de verordeningen van de hemel,
of kunt u op aarde zijn beleid bepalen?
Kunt u uw stem tot de wolken verheffen,
zodat een overvloed van water u overdekt?
Kunt u bliksemflitsen sturen, zodat zij gaan,
en tegen u zeggen: Zie, hier zijn wij?
Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd?
Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven?
Wie kan de wolken met wijsheid tellen?
En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen,
zodat het stof vast wordt als iets dat gegoten is,
en de kluiten aan elkaar kleven?
Kunt u voor de leeuwin op prooi jagen
en het verlangen van de jonge leeuwen vervullen,
als zij zich bukken in de holen,
en in hun schuilplaats zitten te loeren?
Wie bereidt voor de raaf zijn voedsel,
als zijn jongen om hulp roepen tot God,
als zij ronddwalen omdat er geen eten is?
Weet u de tijd waarop de berggeiten baren?
Hebt u gezien dat de hinden jongen werpen?
Kunt u de maanden tellen die zij vol moeten maken?
En weet u de tijd van hun baren?
Zij krommen zich en werpen hun jongen,
hun weeën drijven hun vrucht uit.
Hun jongen worden sterk, ze worden groot in het veld;
ze gaan weg en komen niet meer bij hen terug.
Wie heeft de wilde ezel vrij laten gaan?
En wie heeft de banden van de woudezel losgemaakt?
Ik heb hem de wildernis als zijn huis gegeven,
en de zoutvlakte als zijn woning.
Hij lacht om het rumoer van de stad;
het luide geroep van de slavendrijver hoort hij niet.
Hij speurt de bergen af, dat is zijn weide;
en hij zoekt naar alles wat maar groen is.
Zou de wilde os u willen dienen?
Zou hij overnachten bij uw kribbe?
Kunt u de wilde os met zijn eigen touw vastbinden om voren te trekken?
Zou hij de dalen achter u eggen?
Vertrouwt u op hem, omdat zijn kracht groot is?
Laat u uw arbeid aan hem over?
Vertrouwt u hem dat hij uw zaad zal terugbrengen
en zal verzamelen voor uw dorsvloer?
De vleugels van de struisvogel klapwieken vrolijk,
net als de veren van de ooievaar en het ander gevederte.
Maar zij laat haar eieren achter in de aarde,
en verwarmt ze in het stof,
en vergeet dat een voet ze kan breken,
en dat de dieren van het veld ze kunnen vertrappen.
Zij behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar zijn;
zij is zonder angst of haar inspanning voor niets is.
Want God heeft haar de wijsheid onthouden,
en heeft haar niets aan inzicht toebedeeld.
Maar als het tijd is, richt zij zich op in de hoogte;
zij lacht om het paard en zijn berijder.
Kunt u het paard kracht geven?
Kunt u zijn nek met manen bekleden?
Laat u het springen als een sprinkhaan?
De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking.
Het schraapt in de dalgrond en het is vrolijk in zijn kracht,
en het trekt uit, de wapens tegemoet.
Het lacht om de angst en is niet ontsteld,
en keert niet om vanwege het zwaard.
De pijlkoker klettert tegen hem aan,
het ijzer van de werpspies en de speer.
Al trillend en briesend verslindt het de aarde,
en is niet te houden als het geluid van de bazuin klinkt.
Bij elke bazuinklank zegt het: Ha!
en van verre ruikt het de strijd,
en het hoort het tieren van de vorsten en het krijgsgeschreeuw.
Is het vanwege uw inzicht dat de valk vliegt,
en zijn vleugels uitspreidt naar het zuiden?
Is het op uw bevel dat de arend zich verheft,
en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?
Hij woont en overnacht in de rots,
op de punt van een rots, een vesting.
Daarvandaan speurt hij naar voedsel;
zijn ogen zien van veraf.
Zijn jongen slurpen bloed;
en waar dodelijk gewonden liggen, daar is hij.
En de HEERE antwoordde Job en zei:
Zal hij die een rechtszaak voert met de Almachtige, Hem onderwijzen?
Laat hij die God ter verantwoording roept, daarop antwoorden.
Toen antwoordde Job de HEERE en zei:
Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
Eén keer heb ik gesproken, maar ik zal niet antwoorden;
twee keer, maar ik zal niet verdergaan.
De toespraak van Elihu
Toen hielden deze drie mannen op Job te antwoorden, omdat hij in zijn eigen ogen rechtvaardig was.
Toen ontstak de woede van Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontstak zijn woede, omdat die zichzelf rechtvaardigde tegenover God.
Zijn woede ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij geen antwoord vonden, maar Job toch schuldig verklaarden.
Maar Elihu had met spreken gewacht op Job, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
Toen Elihu echter zag dat er geen antwoord was in de mond van die drie mannen, ontstak zijn woede.
Daarom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei:
Ik ben jonger van dagen,
maar jullie zijn stokoud;
daarom was ik beschroomd en bevreesd
om jullie mijn gevoelen te vertellen.
Ik zei: Laat de dagen spreken,
en de veelheid van jaren wijsheid bekendmaken.
Voorwaar, het is de Geest van God in de sterveling,
en de adem van de Almachtige, die hen verstandig maakt.
Niet de velen van jaren zijn wijs,
niet de oude mensen begrijpen het recht.
Daarom zeg ik: Luister naar mij;
ook ik zal mijn gevoelen vertellen.
Zie, ik heb gewacht op jullie woorden;
ik heb al jullie inzichten aangehoord
tot jullie naar woorden moesten zoeken.
Ik heb op jullie gelet,
en zie, er is niemand die Job kon overtuigen,
niemand van jullie die zijn woorden beantwoordde.
Ik zeg dit opdat jullie niet zeggen: Wij hebben de wijsheid gevonden;
God stoot hem uit, geen mens.
Nu heeft hij geen woorden tot mij gericht,
en ik zal hem geen antwoord geven met jullie woorden.
Zij zijn ontsteld, zij antwoorden niet meer;
zij hebben de woorden van zich afgezet.
Ik heb gewacht, maar zij spreken niet;
want zij staan stil, zij antwoorden niet meer.
Ook ik zal op mijn beurt antwoorden,
ook ik zal mijn gevoelen vertellen.
Want ik ben vol woorden;
de geest in mijn binnenste benauwt mij.
Zie, mijn binnenste is als wijn die niet geopend is;
als nieuwe leren zakken zou hij scheuren.
Ik zal spreken, zodat ik voor mijzelf lucht krijg;
ik zal mijn lippen openen, zodat ik kan antwoorden.
O, laat ik voor niemand partijtrekken,
en geen mens naar de mond praten!
Want ik kan niemand naar de mond praten;
meteen zou mijn Maker mij wegnemen.
Maar luister nu toch naar mijn betoog, Job!
en hoor al mijn woorden aan.
Zie toch, ik heb mijn mond geopend;
mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
Wat ik zeg, zal de oprechtheid van mijn hart uitspreken,
en de kennis van mijn lippen dat wat zuiver is.
De Geest van God heeft mij gemaakt,
en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt.
Als je kunt, antwoord mij dan;
stel je dan op vóór mij, ga staan.
Zie, ik ben voor God net als jij;
ook ik ben maar uit leem gevormd.
Zie, laat mijn bedreiging je geen angst aanjagen,
en mijn hand zal niet zwaar op je drukken.
Zeker, je hebt ten aanhoren van mij gezegd,
en ik heb de stem van je woorden gehoord:
Ik ben rein, zonder overtreding;
ik ben onschuldig en heb geen misdaad begaan.
Zie, Hij vindt gronden voor een aanklacht tegen mij,
Hij beschouwt mij als Zijn vijand.
Hij legt mijn voeten in het blok,
Hij let op al mijn paden.
Maar zie, antwoord ik jou, hierin ben je niet rechtvaardig;
want God is groter dan een sterveling.
Waarom heb je Hem ter verantwoording geroepen?
Hij legt immers van geen van Zijn daden verantwoording af.
Want God spreekt één of twee keer,
maar men slaat er geen acht op:
in een droom, een visioen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt,
in de sluimer op de slaapplaats.
Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen,
en Hij verzegelt hun tuchtiging,
om de mens van een verkeerde daad af te brengen.
Hij verbergt de hoogmoed voor een man.
Hij houdt zijn ziel af van het verderf,
en zijn leven van het omkomen door de werpspies.
Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,
en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.
Zijn leven verfoeit zelfs het brood,
en zijn ziel het begerenswaardige voedsel.
Zijn vlees vergaat, zodat het niet meer te zien is,
en zijn beenderen, die niet te zien waren, steken nu uit.
Zijn ziel nadert het graf,
en zijn leven nadert de dingen die doden.
Als er dan een afgezant bij hem is,
een bemiddelaar, één uit duizend,
om de mens bekend te maken wat zijn recht is,
dan zal Hij hem genadig zijn, en zeggen:
Verlos hem, zodat hij niet neerdaalt in het graf;
Ik heb verzoening gevonden.
Zijn vlees zal frisser worden dan het was in zijn jeugd;
hij zal terugkeren tot de dagen van zijn jeugd.
Hij zal vurig tot God bidden, en Die zal hem goedgezind zijn
en zijn aangezicht aanzien met gejuich,
want Hij zal de sterveling zijn gerechtigheid teruggeven.
Hij zal de mensen aanschouwen en zeggen:
Ik had gezondigd en wat recht is, krom gemaakt,
maar Hij heeft het mij niet vergolden.
Maar God heeft mijn ziel verlost, zodat zij niet in het graf kwam,
en mijn leven nu in het licht ziet.
Zie, dit alles doet God
twee of drie keer met een man,
om zijn ziel terug te brengen van het graf,
opdat hij wordt verlicht met het licht van het leven.
Sla er acht op, Job! Luister naar mij;
zwijg, dan zal ík spreken.
Als er tegenwerpingen zijn, antwoord mij dan;
spreek, want ik verlang ernaar jou te rechtvaardigen.
Zo niet, luister jíj dan naar mij;
zwijg, en ik zal je wijsheid leren.
Verder antwoordde Elihu en zei:
Luister, wijzen, naar mijn woorden,
en verstandigen, hoor mij aan.
Want het oor beproeft woorden,
zoals het gehemelte voedsel proeft.
Laten wij voor onszelf kiezen wat recht is;
laten wij onder elkaar erkennen wat goed is.
Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig,
maar God heeft mijn recht weggenomen.
Ondanks mijn recht ga ik voor leugenaar door;
mijn pijlwond is ongeneeslijk, zonder dat er een overtreding is.
Wie is een man zoals Job?
Hij drinkt de spot in als water.
Hij loopt rond in gezelschap van hen die onrecht bedrijven,
en gaat om met goddeloze mensen.
Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet
als hij behagen schept in God.
Daarom, verstandige mensen, luister naar mij:
Er is bij God geen sprake van goddeloosheid,
of bij de Almachtige van onrecht!
Want het werk van een mens vergeldt Hij hem,
en overeenkomstig iemands weg doet Hij hem ondervinden.
Ja, het is waar, God handelt niet goddeloos,
en de Almachtige verdraait het recht niet.
Wie heeft Hem over de aarde aangesteld,
en wie heeft de hele wereld neergezet?
Als Hij Zijn hart tegen de mens zou richten,
diens geest en diens adem tot Zich zou verzamelen,
dan zou alle vlees tegelijk de geest geven,
en de mens zou tot stof terugkeren.
Als er inzicht bij jou is, luister hier dan naar,
neem de stem van mijn woorden ter ore:
Kan ook iemand die het recht haat, regeren,
en wil je Hem Die zeer rechtvaardig is, schuldig verklaren?
Zou men tegen een koning durven zeggen: Verderfelijk mens!
of tegen edelen: Goddelozen!
Hij trekt geen partij voor de vorsten,
en trekt de rijke niet voor boven de arme,
want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.
In een ogenblik sterven zij, zelfs midden in de nacht;
een volk wordt heen en weer geschud en komt om;
de machtige wordt weggenomen, maar niet door een mensenhand.
Want Zijn ogen zijn op ieders wegen,
en Hij ziet al hun voetstappen.
Er is geen duisternis en er is geen schaduw van de dood
waar degenen die onrecht bedrijven zich kunnen verbergen.
Zeker, Hij legt de mens niet te veel op,
zodat hij tegen God in het gericht zou kunnen komen.
Hij verplettert de machtigen, zonder dat men het doorgronden kan,
en stelt anderen in hun plaats.
Omdat Hij hun werken kent,
keert Hij hen 's nachts om, en zij worden verbrijzeld.
Hij slaat hen als goddelozen neer,
in een plaats waar mensen het zien,
omdat zij van achter Hem zijn afgeweken,
en geen van Zijn wegen opgemerkt hebben.
Hij brengt straf over hem vanwege het hulpgeroep van de arme,
en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.
Als Hij stil blijft, wie kan dan schuldig verklaren?
Als Hij Zijn aangezicht verbergt, wie kan Hem dan waarnemen?
Hij regeert zowel over een volk als over een mens alleen,
opdat er geen huichelaar regeert,
en er geen valstrikken voor het volk zijn.
Zeker, Job heeft tegen God gezegd:
Ik heb Uw straf gedragen, ik zal niet meer verderfelijk handelen.
Leert U mij wat ik niet zie;
als ik onrecht begaan heb, zal ik het niet meer doen.
Moet het van jou komen hoe Hij iets vergelden zal, terwijl je Hem veracht?
Zul jíj dan kiezen, en niet Ik?
Wat weet je? Spreek.
Verstandige mensen zullen tegen mij zeggen,
en een wijs man zal naar mij luisteren:
Job heeft niet met kennis gesproken,
en zijn woorden waren niet met verstand.
Ach, laat Job tot het einde toe beproefd worden,
om zijn antwoorden onder mensen van onrecht.
Want hij voegt aan zijn zonde nog overtreding toe;
hij klapt onder ons in de handen,
en hij maakt zijn woorden tegen God talrijk.
Verder antwoordde Elihu en zei:
Beschouw je dat als recht, dat je gezegd hebt:
Mijn gerechtigheid is meer dan die van God?
Want je zegt: Wat baat het je?
In welk opzicht geeft dit mij meer voordeel dan wanneer ik zondig?
Ík zal met woorden antwoord geven,
en je vrienden met je.
Kijk naar de hemel en zie,
en aanschouw de wolken, die hoger zijn dan jij.
Als je zondigt, wat doe je dan tegen Hem?
Als je overtredingen talrijk zijn, wat doe je Hem daarmee aan?
Als je rechtvaardig bent, wat geef je Hem daarmee,
of wat ontvangt Hij uit jouw hand?
Je goddeloosheid zou zijn tegen een man zoals jij,
en je rechtvaardigheid zou zijn ten bate van een mensenkind.
Vanwege de vele verdrukkingen laten zij de onderdrukten om hulp roepen;
zij schreeuwen het uit vanwege de arm van de groten.
Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker,
Die psalmen geeft in de nacht?
Die ons meer wijsheid bijbrengt dan de dieren op de aarde,
en ons wijzer maakt dan de vogels in de lucht?
Daar roepen zij, maar Hij antwoordt niet,
vanwege de trots van de kwaaddoeners.
Zeker zal God de leugen niet verhoren,
en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
Zo is het ook wanneer je zegt dat je Hem niet waarneemt.
Er is echter een rechtszaak voor Zijn aangezicht, wacht dan op Hem.
Welnu, omdat Zijn toorn niet gestraft heeft,
en omdat Hij weinig aandacht aan de dwaasheid heeft geschonken,
heeft Job met vluchtigheid zijn mond geopend,
en zonder kennis woorden vermenigvuldigd.
Elihu ging verder en zei:
Wacht een ogenblik op mij, en ik zal je vertellen
dat er voor God nog meer woorden zijn.
Ik zal mijn gevoelen van ver halen,
en mijn Schepper gerechtigheid geven.
Want werkelijk, mijn woorden zijn geen leugen;
Iemand die oprecht van gevoelen is, is hier bij je.
Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets;
machtig is de kracht van Zijn hart.
Hij laat de goddeloze niet leven,
en Hij verschaft ellendigen recht.
Hij trekt Zijn ogen niet af van de rechtvaardige,
maar Hij plaatst hen voor altijd met koningen op de troon,
en zij worden verheven.
En als zij met ketenen gebonden zijn,
gevangen in banden van ellende,
dan maakt Hij hun werk aan hen bekend,
en hun overtredingen, omdat die de overhand genomen hebben.
Hij opent hun oor voor Zijn vermaning,
en zegt dat zij zich bekeren moeten van het onrecht.
Als zij luisteren en Hem dienen,
zullen zij hun dagen eindigen in het goede,
en hun jaren vol lieflijkheid.
Maar als zij niet luisteren, komen zij om
en geven zij de geest zonder kennis.
Mensen met een huichelachtig hart hopen toorn op;
zij roepen niet om hulp, als Hij hen gebonden heeft.
Hun ziel zal in hun jeugd sterven,
en hun leven onder de schandknapen eindigen.
God redt de ellendige in zijn ellende,
en in de onderdrukking opent Hij hun oor.
Zo heeft Hij ook jou weggelokt uit de mond van de benauwdheid
naar de ruimte waarin geen beklemming is,
en het gerecht van je tafel vol vet is.
Maar je bent vol van de rechtszaak van de goddeloze;
de rechtszaak en het recht houden je vast.
Pas ervoor op dat woede je niet aanzet tot spot,
zodat een groot losgeld de straf van jou niet zou kunnen afwenden.
Zou Hij je rijkdom waarderen, zodat je niet in benauwdheid komt,
of al je krachtsinspanningen?
Snak niet naar de nacht
waarin de volken weggaan van hun plaats.
Pas op, wend je niet tot onrecht,
omdat je die zou verkiezen boven de ellende.
Zie, God is hoogverheven door Zijn kracht;
wie is een Leraar als Hij?
Wie heeft Hem Zijn weg voorgeschreven?
Of wie heeft gezegd: U hebt onrecht gedaan?
Denk eraan dat je Zijn werk groot maakt,
dat de mensen bezingen.
Alle mensen zien het;
de sterveling aanschouwt het van verre.
Zie, God is groot, en wij begrijpen Hem niet;
het getal van Zijn jaren is niet te doorgronden.
Want Hij trekt de waterdruppels omhoog,
die na Zijn damp regen uitgieten.
Zij laten de wolken stromen,
zij druipen overvloedig op de mensen neer.
Kan iemand ook begrijpen hoe de wolken zich uitbreiden,
en het dreunen uit Zijn hut?
Zie, Hij spreidt Zijn licht erover uit,
en Hij bedekt de diepten.
Want daardoor spreekt Hij recht over de volken;
Hij geeft voedsel in overvloed.
Met Zijn handen bedekt Hij het licht,
en beveelt het zijn doel te treffen.
Zijn geroep kondigt Hem aan,
evenals het vee de komende storm.
Ja, hierover beeft mijn hart,
en het springt op van zijn plaats.
Luister aandachtig naar het daveren van Zijn stem,
en naar het geluid dat uit Zijn mond komt!
Hij laat het los onder heel de hemel,
en Zijn licht tot over de einden van de aarde.
Daarna brult Hij met Zijn stem;
Hij dondert met de stem van Zijn majesteit.
Hij houdt die dingen niet terug,
als Zijn stem gehoord wordt.
God dondert wonderbaar met Zijn stem;
Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.
Want Hij zegt tegen de sneeuw: Wees op de aarde.
Ook tegen de slagregen van de regen;
en dan is er de slagregen van Zijn sterke regens.
Hij verzegelt de hand van ieder mens,
zodat alle mensen Zijn werk kennen.
De wilde dieren gaan naar hun schuilplaatsen,
en blijven in hun holen.
Uit Zijn kamer komt de wervelwind,
en van de verstrooiende winden komt de kou.
Door de adem van God geeft Hij ijs,
zodat de brede wateren verstijven.
Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht;
Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.
Die gaat naar Zijn wijze raad alle kanten uit,
om te doen alles wat Hij hun gebiedt
op het oppervlak van de wereld, op de aarde.
Hij beschikt het voor Zijn land, hetzij tot een roede,
hetzij tot goedertierenheid.
Hoor dit aan, Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God.
Weet je hoe God ze rangschikt,
en hoe Hij het licht van Zijn wolk laat schijnen?
Weet je hoe de wolken zweven?
Ken je de wonderen van Hem Die volmaakt in kennis is?
Weet je hoe je kleren warm worden
als Hij de aarde stil maakt vanuit het zuiden?
Heb je samen met Hem de hemel uitgespannen,
die vast is als een gegoten spiegel?
Maak ons bekend wat wij tegen Hem moeten zeggen,
want wij kunnen niets voor Hem uiteenzetten vanwege de duisternis.
Zal het aan Hem verteld worden, als ik zo spreek?
Als iemand dat zegt, zal hij zeker verslonden worden.
Nu ziet men het licht niet,
het schijnt in de wolken,
maar als de wind langsgaat, zuivert hij die.
Uit het noorden komt goud;
maar bij God is een ontzagwekkende majesteit!
De Almachtige, wij kunnen Hem niet vinden;
Hij is groot van kracht en recht
en hoogst rechtvaardig; Hij onderdrukt niet.
Daarom vrezen de mensen Hem;
maar alle eigenwijzen van hart ziet Hij niet aan.
Darius, de Meder, ontving het koningschap toen hij ongeveer 62 jaar oud was.
Het behaagde Darius over het koninkrijk honderdtwintig stadhouders aan te stellen, die over heel het koninkrijk verdeeld zouden zijn, en over hen drie rijksbestuurders, van wie Daniël er een was. Aan hen moesten die stadhouders verantwoording afleggen, opdat de koning niet benadeeld werd.
Toen overtrof deze Daniël de rijksbestuurders en de stadhouders, omdat er een uitzonderlijke geest in hem was. De koning overwoog hem over heel het koninkrijk aan te stellen.
Daarop gingen de rijksbestuurders en de stadhouders zoeken naar een grond voor een aanklacht tegen Daniël inzake het koninkrijk, maar zij konden geen enkele grond voor een aanklacht, of iets verkeerds vinden, omdat hij betrouwbaar was en er geen nalatigheid of iets verkeerds bij hem te vinden was.
Toen zeiden deze mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen enkele grond voor een aanklacht vinden, tenzij wij iets tegen hem vinden in de wet van zijn God.
Zo kwamen deze rijksbestuurders en stadhouders eensgezind bij de koning en zeiden het volgende tegen hem: Koning Darius, leef in eeuwigheid!
Al de rijksbestuurders van het koninkrijk, de machthebbers, de stadhouders, de raadslieden en de landvoogden, zijn na onderling beraad van mening dat er een koninklijk besluit moet worden opgesteld en een verbod moet worden bekrachtigd, dat al wie binnen dertig dagen een verzoek zal richten aan welke god of mens ook, behalve aan u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.
Nu dan, koning, stel het verbod op en onderteken het bevelschrift, dat niet veranderd mag worden, volgens de wet van Meden en Perzen, die niet mag worden herroepen.
Daarop ondertekende koning Darius het bevelschrift en verbod.
Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.
Toen kwamen deze mannen eensgezind bij zijn huis en troffen Daniël aan, terwijl hij bad en smeekte om genade voor het aangezicht van zijn God.
Meteen kwamen zij naar voren en zeiden in de tegenwoordigheid van de koning over het verbod van de koning: Hebt u niet een verbod ondertekend dat iedereen die binnen dertig dagen een verzoek zou richten aan welke god of mens ook, behalve aan u, o koning, in de leeuwenkuil zou worden geworpen? De koning antwoordde en zei: Dat woord staat vast volgens de wet van Meden en Perzen, die niet mag worden herroepen.
Toen antwoordden en zeiden zij in de tegenwoordigheid van de koning: Daniël, een van de ballingen uit Juda, heeft op u, o koning, en op het verbod dat u ondertekend hebt, geen acht geslagen, maar op drie tijdstippen per dag doet hij zijn gebed.
Toen de koning dit woord hoorde, nam hij het zichzelf zeer kwalijk en hij zette zijn hart erop om Daniël te verlossen. Tot zonsondergang spande hij zich in om hem te redden.
Toen kwamen deze mannen weer eensgezind bij de koning en zeiden tegen de koning: Weet, o koning, dat het een wet van Meden en Perzen is dat geen enkel verbod of besluit dat de koning heeft opgesteld, veranderd mag worden.
Toen gaf de koning bevel en men haalde Daniël en wierp hem in de leeuwenkuil. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Uw God, Die u voortdurend vereert – Híj zal u verlossen.
Er werd een steen gebracht en op de opening van de kuil gelegd. De koning verzegelde die met zijn ring en de ring van zijn machthebbers, zodat de maatregel met betrekking tot Daniël niet veranderd kon worden.
Toen vertrok de koning naar zijn paleis. De nacht bracht hij vastend door. Geen enkele vorm van vermaak liet hij bij zich brengen. Zijn slaap was ver van hem geweken.
Vroeg in de morgen, toen het licht werd, stond de koning op. Haastig vertrok hij naar de leeuwenkuil.
Toen hij in de nabijheid van de kuil gekomen was, riep hij naar Daniël, met droeve stem. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, Die u voortdurend vereert, u van de leeuwen kunnen verlossen?
Toen sprak Daniël tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid!
Mijn God heeft Zijn engel gezonden en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten. Ze hebben mij geen letsel toegebracht, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden. Ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan.
Toen werd de koning zeer verheugd daarover, en hij beval Daniël uit de kuil te trekken. Toen Daniël uit de kuil was getrokken, werd er geen enkel letsel bij hem aangetroffen, omdat hij op zijn God had vertrouwd.
Vervolgens beval de koning en men haalde die mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen.
Toen schreef koning Darius aan alle volken, natiën en talen die op heel de aarde woonden:
Moge uw vrede toenemen!
Er wordt door mij bevel gegeven dat men in heel het machtsgebied van mijn koninkrijk zal beven en sidderen voor het aangezicht van de God van Daniël, want Hij is de levende God, en houdt voor eeuwig stand.
Zijn Koninkrijk gaat niet te gronde, en Zijn heerschappij duurt tot het einde.
Hij verlost en redt,
Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde,
Hij, Die Daniël heeft verlost uit de klauwen van de leeuwen.
En het ging deze Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Kores, de Pers.