Ahoy!
Een ijzige wind sneed door onze huid en schraapte over onze botten heen. IJspegels versierden de ra van de mast en bungelden aan de touwen van het tuig. Het hele schip kraakte uit protest tegen de kou. We voeren met onze schuit over de noordelijke ijszeeën, op zoek naar het bevroren land. De verhalen over deze streek zijn verre van eenduidig, maar allemaal hebben ze iets gemeen: ze vertellen over de woeste barbaren die hier wonen!
Waarom, kun je je afvragen, bij de baard van de beruchte rovershoofdman Blackbeard, begeven wij ons dan in deze gevaarlijke situatie? Dat is precies wat de bemanning aan Kapitein Zwartlus vroeg, toen hij vertelde over zijn plannen. Wat hebben we daar te zoeken? Bij het horen van deze vraag, reageerde de kapitein niet en bleef hij strak voor zich uitstaren.
Kapitein Zwartlus is niet vergevingsgezind als het gaat om ongehoorzaamheid, dus we brachten, ondanks onze tegenzin, het schip in gereedheid en zetten koers richting het noorden.
Grote blokken ijs, losgeslagen door de vurige zee van een ijsrots of gletsjer, dreven in het donkere water. Behendig ontweken we de groten, maar vaak hoorden we een pok tegen het hout van de boot, als getuige dat we botsten met een kleiner stuk ijs. Iedereen was gespannen, want we wisten allemaal wat er zou gebeuren als we een iets te groot stuk zouden raken.
Gelukkig zijn we zonder schade aangekomen op het kille rotsstrand van het eiland. De sneeuw knarste onder onze voeten, en diepe afdrukken bleven achter. We liepen en we liepen en het begon langzaam donkerder te worden. Met dat de avond insloop, begon de kou ook toe te nemen. We besloten om niet verder te gaan en maakten kamp op in een grot in een rotswand.
We wikkelden ons in meegebrachte dierenhuiden en gaven ons over aan de slaap. Langzaam vervaagde de werkelijk en betraden wij het rijk der dromen...
Tik..
Tik..
Tik!
We werden ruw wakker geschud. Nadat onze ogen zich hadden ingesteld op het flauwe licht van de hemellichamen, zagen we dat we omringd waren door ongeveer 10 woest ogende mensen. Agressie en vastberadenheid stonden in hun ogen te lezen.
"Wat moeten jullie in onze grot", vroeg één van hen.
De kapitein gaf antwoord: "Zeg me uw naam, en ik geef antwoord op je vraag"
"De Slachter" antwoorde de barbaar kordaat.
"Slachter," zei de kapitein, " wij zijn hier om jullie een voorstel te doen."
De barbaren waren niet verbaasder over dit antwoord dan wij van de bemanning zelf.
"Wij willen jullie inhuren om onze eigendommen te bewaken. Uiteraard zullen jullie hiervoor rijkelijk beloond worden!"
Verdwaasd keek de Slachter om zich heen, evenals zijn metgezellen, terwijl wij elkander ook met vragende blikken aankeken. Hij meldde ons dat ze in conclaaf zouden gaan en lieten ons aan ons lot over. Nu begon de kapitein te grinniken en hij legde ons uit dat elke rivaliserende piraat zich wel een paar keer zou bedenken, eer ze een hol wilden plunderen dat bewaakt werd door dergelijke lui!
Niet veel later kwamen ze terug en vertelden ons dat ze op het aanbod ingingen!
Vol trots kunnen wij melden dat onze eigendommen in veilige handen zijn bij Jacob de Slachter, Britt de Sterke, Keri de Grote, Marieke de Korte, Imeen de Walwachter, Florentine de Hoge, Victor de Pers, Marc uit het Oosten, Richard de Landwachter en Nick de Schutter.
Tot snel!