Een multiculturele Vlaming zei, volgens de krant, dat hij niet in anekdotiek gelooft — wel in statistieken. Hij maakte die opmerking omdat — nadat — zijn tegenstander een anekdote had verteld die diens punt kracht bij zette. (Vind je dat geen mooie zin?) En toen zag ik de zin en onzin in van alles. Het subtiele gelijk, dat ontstaat tussen twee mensen die het niét eens zijn. De kleine kantjes van het grote gebaar. De heren — ah ja — verschillen trouwens ook van mening over de 'maakbaarheid van de samenleving'. Het kán, zegt de een. Neen, zegt de ander, het kan niét. Leuk voor hen, dat ze dat denken te weten, maar de vraag is: maakt het iets uit, wat je daarvan denkt? Het is de houdbaarheid die telt. Daarom poneer ik in dezen geen eigen mening. Ik hoop dat het iets uitmaakt, maar zelfs dat maakt niet echt uit. Ik weet niet of het kan. Ik ben Doctorandus in de Logosofie — aan de faculteit van Letteren en Lijfbegeerte — en ik heb geen mening. Over alles. Al wat ik heb, is kennis — alle kennis die ik heb, hebben anderen voor mij ontdekt. Wat ik kan? Onthouden en ontwijken. Dat is alles. Dat is niet veel. Ik weet niet of ik interessant ben, ik weet niet of ik verliefd kan zijn, ik weet niet of er iemand ooit op mij verliefd kan zijn. Ik weet niet of ik kan stoppen met roken, ik weet zelfs niet of ik wel graag rook. Of drink. Of schrijf. Gisteren nog wilde ik een verhaal meemaken, iets heroïsch, navertellenswaard, iets wat kon uitgroeien tot een argument, of een symbool, voor de Anderen, maar ik bleef steken in mijn twijfel. Er waren meisjes, er was de pijn van de herkenning, en de logische nostalgie achteraf: "O, toen alles nog…" Ik heb nu eenmaal de neiging om mooi te beginnen. Maar dán. Laat ik er maar vlug een einde aan maken. Als ik over iets een mening lijk te hebben, is dat naast schijn ook vooral een toevallige samenloop van roes en vergeetachtigheid, en verontschuldig ik mij bij voorbaat. De roes der eigenwaan. Op een dag heb ik een mening over alles. Maar eerst moet ik de wereld ontdekken.