Vallen kan. En het gebeurde. Niet alsof de laatste jaren en alle stappen vooruit uitgewist zijn, niet alsof ik terug bij af ben. Zelfs het vallen voelde niet hetzelfde.
Ik ben niet stil meer, of in ieder geval niet zoals eerst. Nog steeds verdwijn ik wel eens in mijn gedachten, maar ik praat. Ik praat met mensen die me begrijpen, me willen helpen, me verder kunnen brengen. Mijn vriendin die mijn hoofd naar haar schouder brengt als ze doorheeft dat ik begin weg te zakken in mijn gedachten. Vrienden die me meenemen naar het strand. Ik mag in het bed van mijn zus slapen als ik langskom. Mijn ouders zijn trots op me, mijn stagebegeleider heeft vertrouwen in me, en ook al gaat het beter - de studieadviseur hoopt dat ik nog eens bel omdat hij het zo gezellig vindt (ergens tussen alle aantekeningen over scriptie en stage in schreef hij ‘aardig’ omdat hij dat ook noemenswaardig vond).
Het voelt niet meer vertrouwd en veilig. Het voelt ver weg, het voelt kinderachtig, het voelt niet alsof het nog bij me hoort. Oude patronen waar ik zo lang en zo verstrikt in heb gezeten, niet langer nodig. Het voelt als een einde. Nog drie stappen maken, dit was het. Afgerond.












