Post van Corinne Heyrman - deel 3
In deze rubriek lees je de posts van een van onze schrijvers. Ditmaal is de beurt aan Corinne Heyrman. Corinne is een van de schrijvers in het agentschap van Wintertuin. Ze maakt theater en schrijft poëtische bedenkingen, die de komende weken over verzet gaan. Het tweede deel van dit drieluik lees je hier.
2010 Drie minuten lang staart hij naar de lucht. “Ik geef je mijn koeien, mijn kippen, voeg daar mijn erf aan toe en nog steeds wil je niet met me trouwen?” vraagt hij met opgetrokken wenkbrauwen. We staan in de schaduw van een boom in Benin, West-Afrika, op het erf van zijn vader. “Nee,” antwoord ik, “sorry.” Hij barst in lachen uit. Ik probeer de jongen in mijn beste Frans uit te leggen dat wij, in het land waar ik vandaan kom, niet op zestienjarige leeftijd trouwen. En sowieso zelden nadat we iemand slechts een keer gezien hebben. Hij zou graag naar België komen. “Dat begrijp ik,” antwoord ik, “maar je zou ook hier kunnen blijven en de toestand van je land mee helpen veranderen.” Het is wat de ngo waarmee ik in Afrika ben zegt. Hij begint opnieuw te lachen. Ik zeg dat je niet zomaar kan vluchten voor iets wat niet gaat zoals je zou willen dat het gaat. We zwijgen en kijken uit over het erf van zijn vader. Op het erf lopen zijn 23 broers en zussen, drie moeders, en het vee rond. Zijn vader komt naar ons toe. Hij vertelt dat hij al zijn kinderen, op advies van de ngo, naar school gestuurd heeft. Daardoor zal hij nu arm, maar later heel rijk zijn, zegt hij. Zijn dorpsgenoten verklaren hem voor gek, hun kinderen helpen steevast mee op het erf of op de markt in de verkoop, zegt de vader, maar hij is een man van de vernieuwing. Daarop lacht hij de weinige tanden die hij heeft bloot. De jongen vraagt me nog eens ten huwelijk. De chauffeur van ons busje claxonneert. Ik wens de jongen veel succes met zijn vee. Ik meen het oprecht, maar het klinkt niet zo. Ik krijg een colafles cadeau.
2012 Ik hou me goed vast aan een spijl in de bus. De mensen rondom me plakken tegen me aan. Ze zijn gekleed in het rood of in het groen en praten uitgelaten en luid. De bus maakt een scherpe bocht en we buigen allemaal zo goed mogelijk met de beweging mee. Een groene man valt op een rode, zittende vrouw. Hij excuseert zich en raapt de kartonnen bordjes die tijdens zijn val op de grond terechtgekomen zijn op. Al deze mensen gaan naar de betoging. Ik ook. Ik ben er niet op gekleed en heb ook geen bordjes. De bus stopt en we dringen met z’n allen voor de uitgang. Vlaggen en bordjes prikken en porren in mijn zij. In het busstation kijk ik om me heen of ik mijn vrienden zie. We zouden van hieruit samen met de betoging mee lopen. Ik kijk op mijn telefoon, die niets meer doet omdat de batterij leeg is. Het busstation is afgeladen en ik schuif aan om naar de betoging te gaan. Gaandeweg wordt me duidelijk dat de rij waarin ik aanschuif de betoging is. Mensen roepen en de bordjes gaan omhoog. Een kind op de schouders van de man naast me kirt. Ik loop mee. Ik schreeuw niet. Wanneer we halverwege de af te leggen weg zijn, van het busstation tot aan de Groenplaats, sla ik linksaf. Ik heb nog veel schoolwerk te doen.
2016 Ik loop door Brussel, mijn schoenen tikken over zijn lege straten. Ondertussen herstelt een groep werkmannen de vliegtuighal. Middenin de hal staat een van hen bovenop een ladder en plakt zorgvuldig de panelen, die hij van zijn collega onderaan de ladder aangegeven krijgt, een voor een weer op het plafond. Hij puzzelt ze allemaal netjes in elkaar. In de hele hal staat een vijftal gelijksoortige duo’s. De beweging gaat geometrisch en alles gaat in een beheerst ritme. Een gezamenlijke ademhaling. De collega’s schudden elkaar stevig de hand wanneer het plafond hersteld is en ze bij de draaideuren afscheid nemen. Ik sla een hoek om. Dit is het beste wat ik kan doen, denk ik bij mezelf, blijven lopen over de lege straten onder het stille alarm van code rood. Ik ga tot aan de stadsrand, vind daar mijn geparkeerde auto. Op de weg naar huis sta ik in file op de Brusselse ring. Ik sta naast, voor en achter honderden mensen op gelijke afstand van elkaar. Stapvoets schuiven we aan, als een heel trage polonaise. Ik wil de volgende afslag nemen. Groot-Bijgaarden, lees ik. Daar moet ik niet zijn, dus haal ik diep adem, leun achterover in mijn stoel en blijf op mijn rijstrook. Ik zet de muziek luider. Ik ga mee.
Corinne Heyrman (1994) maakt theater en schrijft poëtische bedenkingen. In 2016 studeerde ze af aan de opleiding Woordkunst in Antwerpen met een beeldende collagevoorstelling met bewoners van de wijk Luchtbal. Ze vindt het belangrijk om als maker een verhouding aan te gaan met de maatschappij. Momenteel is ze leerkracht Woord aan de Academie van Ekeren, werkt ze voor Radio Begijnenstraat in de gevangenis van Antwerpen en schrijft ze aan de theatervoorstelling This Trumpet waarvoor ze met een trompet door Antwerpen trekt.













