Altijd maar dezelfde criticasters ...
Er zijn zo van die mensen… nee, laat me beginnen met een krachtige "Er zijn zó van die mensen"! Want wat is een wereld zonder die altijd kritische, zure types die op alles commentaar hebben? Zouden we het nog wel aankunnen zonder hen? Denk daar eens even over na. Maar, laat me vooral niet de indruk wekken dat ik die mensen ben! Althans, niet altijd. Soms ben ik slechts een kleine amateurcommentator in vergelijking met hen—klein, bescheiden, maar scherp als een botermes dat ooit scherp was.
Ik bedoel, ik heb zo mijn momenten. Net als iedereen die eens per ongeluk met een voet in de verfpot van het leven stapt, heb ook ik de neiging om van tijd tot tijd mijn opinie als een vuurbal de wereld in te slingeren. Ja, soms schrijf ik iets en, of het nu volgens sommigen correct is of niet, er zijn altijd mensen die klaarstaan om dat in de grond te boren. Alsof ze als Romeinse gladiatoren aan de zijlijn staan te wachten tot ik struikel, zodat ze met hun scherp geslepen zwaarden (oftewel, toetsenborden) kunnen toeslaan. En nee, ze lezen de inhoud niet. Laat staan de inhoud begrijpen! Waarom zouden ze? Dat zou veel te veel moeite kosten en misschien zouden ze zelfs moeten nadenken. Hemeltjelief, stel je voor!
Waarom volgen ze me dan eigenlijk nog op FB? Ik stel me dat soms voor als een slechte sitcom: een stel karikaturen die iedere post van mij afwachten alsof het een nieuwe aflevering van een mislukte soap is. "Daar heb je hem weer, de oude man met zijn eindeloze tirades!" En ik, die mijn eigen drama blijf herschrijven, sta daar, met een vermoeide glimlach, me afvragend of dit nog wel de moeite is. Maar ja, hoe lang nog? Het einde komt eraan, zegt men, al is dat voor ons allemaal een beetje onduidelijk. Is dat de grote kosmische grap? Of gewoon een droevige notie van mijn innerlijke doemdenker?
Maar ach, ik zie mezelf wel als een "wijze oude" man, toch? Althans, dat zeg ik soms tegen de spiegel, als ik mezelf weer probeer op te peppen na een mislukte poging om in het digitale debat te floreren. “Je hebt al zoveel gezien, ouwe,” zeg ik dan. “Maar kijk eens, je bent nog steeds aan het leren! Gefrustreerd? Ja, oké, daar moet je even doorheen bijten. De wereld verandert, maar jij… jij blijft strijden tegen de windmolens van maatschappelijke absurditeiten. En het is niet omdat je je eigen ervaringen in opiniestukken neerpent dat je meteen overal commentaar op moet hebben" zeg ik met een theatrale oogrol. Want ja, het is óf juist, óf fout, wat maakt het uit? Het belangrijkste is dat het iets aanwakkert—en nee, geen ruzie in de Facebook-reacties, maar een debat! En dat is precies wat onze maatschappij nodig heeft: meer maatschappelijke debatten, minder kattengejank over wie gelijk heeft. Want laten we eerlijk zijn, als iedereen altijd gelijk had, zouden we toch nergens meer over kunnen klagen? Wat een ramp zou dát zijn!
Toch moet ik soms lachen—dat doe ik trouwens vaak, als niemand kijkt—om die eeuwige types die niets beters te doen hebben dan voortdurend hun negatieve gif rond te spuiten. Dan beeld ik mij zo in en denk aan die ene oude tante die ooit dacht dat ze het warm water heeft uitgevonden, maar nu alleen nog maar kan pruilen over de koude douche die het leven haar geeft. Ik stel me voor dat ze in een vorig leven ergens in een grijs kantoor zat, als directiesecretaresse bij een of andere gulzige bank. Met een bril op het puntje van haar neus, arrogant haar vingers tikkend op een typemachine, denkend dat ze alles weet, terwijl ze intussen enkel met haar 'wonderzoon' pronkt. Kritiek op alles, niets inhoudelijks bijdraagt, maar altijd op de voorgrond staan alsof zij de zon is waar de wereld om draait.
Misschien is ze wel gefrustreerd omdat het leven haar niet bracht wat ze hoopte, wie zal het zeggen? Misschien is ze ongelukkig, net als haar kat, die waarschijnlijk ook al lang geen zin meer heeft in haar constante geklaag. Je ziet het soms aan de gezichten van die mensen, de mondhoeken die naar beneden wijzen alsof ze al jaren de zwaartekracht uitdagen en erin geslaagd zijn. Zuur, zuur, zuur. Zelfs hun gezichten blijven zo staan.
Maar gelukkig, gelukkig zijn dit uitzonderingen en zijn er ook véél anderen. Ja, mensen die wél de goedheid zien, die openstaan voor vruchtbare gesprekken. Mensen die hun hersenen gebruiken voor meer dan het standaard afkeuren van alles wat anders is. Innovatie? Transparantie? Andermans mening? Ja, die bestaan! Ze lopen onder ons, al zijn ze soms niet erg moeilijker te vinden dan de zuurpruimen die op elke straathoek lijken te loeren.
Die mensen—die gelukkigen—zijn de ware parels in het leven. Ze zijn het zonnetje in huis, de lach op een grijze dag. Want gelukkige mensen maken anderen gelukkig. En laten we wel wezen, de wereld kan wel wat meer gelukkige mensen gebruiken, en iets minder van die zuurdeuren die hun ontevredenheid het liefst als een soort virus verspreiden. Want uiteindelijk is er niets vruchtbaarder dan een goed gesprek, een open geest, en een beetje wederzijds respect—zelfs al zijn we het soms niet met elkaar eens.
Nu, ik neem nog een slok van mijn thee, kijk om me heen, en glimlach. Want terwijl het zuur blijft druppelen, ben ik bezig met groeien. En dat is misschien wel het grootste plezier dat ik uit dit gekke, dramatische theaterstuk van het leven kan halen.











