Gupta's hel • India
Het verkeer in New Delhi valt moeilijk te omschrijven, omdat er geen woord is dat evenveel lawaai, stank en stress kan uitdrukken als dat kluwen chaos waar ik nu in verzeild ben geraakt.
Het is dan ook onvermijdelijk dat een vers aangekomen reiziger hulp moet zoeken bij de elementen die deel uitmaken van de chaos. Je zou denken: de politie! Helaas, zij structureren de chaos enigszins, maar ze kennen of controleren ze niet. Om vooruit te geraken in deze kolkende gasuitbrakende brij van motors, karren, bussen, trucks en fietsen moet je deel worden van dat leven. Te voet is een optie, maar zoals in de jungle geldt ook hier het recht van de sterkste: eten of gegeten worden. Wijselijker is het om te parasiteren op een oerwoudbeest en zo een weg te slaan doorheen de gevaren. Mijn oerwoudbeest heet Gupta, een riksja-rijder.
Om en bij de 60 jaar, draagt Gupta een vuile flodderbroek, schamel hemdje en een zwarte wollen muts die meer een punt- dan bivakmuts is. Gupta is een vrolijke kerel: van vertrek tot aankomst siert een brede glimlach zijn uitgemergeld en rimpelig gezicht en drijven zijn ogen glinsterend in zijn kassen. Ik leer Gupta kennen als ik om 21u een taxi nodig heb naar het marginaalste treinstation in Noord-Delhi. Daar vertrek ik met de nachttrein naar Bikaner. Ik moet niet lang nadenken waarom er in de autoriksja zulke stevige palen het dak ondersteunen. Een plotse bocht van 180° bewijst het nut van wat voor 20 minuten mijn houvast wordt, een houvast aan mijn leven. Gupta heeft vrolijk het stuur volle gas omgedraaid en we rijden nu, tegen het verkeer in, naar het station. Ze rijden hier bovendien links, wat het er voor de Europese mens niet overzichtelijker op maakt. Naderende koplampen schieten rakelings langs ons heen en ik waan me in Startrek Enterprise die zich op Warp 2 snelheid een weg baant langs vijandelijke ruimteschepen en sterrenstelsels. Een vlot ontweken heilige koe brengt me terug uit sciencefictionland en na wat professioneel bochtenwerk rijden we weer in dezelfde richting als de rest van ons baanvak. Mijn hart klopt nog.
Indiërs halen het maximum haalbare uit elke situatie, dus waarom zouden ze zich beperken tot twee auto’s op een tweebaansvak? Verloren ruimte! Daarom staan we al een 10 minuten aan te schuiven in een file, vijf rijen dik, van stootkarren, Mercedessen, autoriksja’s en trucks. Maar dat laat Gupta niet aan zijn hart komen. Op het ogenblik dat een naburig voertuig zich verroert, schiet Gupta met een ratelende motor tussen hen in en ontketent een symfonische explosie van getuut en geschetter. Gupta glimlacht. Als het verkeer langzaam op gang komt, trapt hij op de staart van zijn racemachine en slalomt tussen de trucks en bussen door. Ik zie hem kijken naar een plekje aan onze rechterkant en mijn gezond verstand zegt: te weinig plaats en te weinig tijd. Ik zie het lichtschijnsel van de achterliggende auto al groter worden. Wanneer ik onze riksja dan een ruk naar rechts voel maken, verlies ik alle controle, laat mijn levensbeschermende palen los en roep met uitgespreide armen ‘NO GUPTA NOOO!’
Als ik even later mijn hoofd van onder mijn handen haal zie ik Gupta in het spiegeltje zijn hoofd naar rechts draaien, spuwt eens straal rood vocht de straat op en met de blik terug op de weg blijft hij onverstoorbaar verder glimlachen. Gupta is zen. Want Gupta kauwt op drugs. Ik slinger in de riksja van hoek tot hoek en Gupta botst naar links, vliegt naar rechts, wurmt, glijdt, hort, stoot, duwt en draait zich een weg door de stroom. En dan begrijp ik het, dan pas zie ik wat voor een man er aan het stuur zit van dit goddelijk voertuig. Gupta heeft het Verkeersnirwana bereikt: hij schikt zich niet naar de stroom, maar de stroom schikt zich naar Gupta.
Trillend reken ik de 100 roepies af en blijf nog even kijken hoe Gupta zijn plaats afdwingt in de verkeersstroom. Nu weet ik het zeker: Gupta is Boeddha.











